XIX.
Wintergezichten. De rivier bij maanlicht.
Een lange, breede, woelige straat in 't midden der stad; rechts en links groote, paleisachtige magazijnen, welker gas
[210:]
kroonen een zee
van licht uitstorten. over de straat. Al wat men voor geld kan koopen
is hier op de aanlokkelijkste wijze ten toon gesteld. Sommige étalages
zijn met zooveel smaak ingericht, dat men onwillekeurig op de gedachte
komt, dat de hand eens kunstenaars - niet die van een winkelbediende
- die schatten van weelde zoo schilderachtig groepeerde. Tallooze "flaneurs
en flàneuses" staan voor de kolossale spiegelruiten die
rijkdommen te bewonderen, te begeeren misschien. Let eens op, 't is
wonderlijk, maar onder hen, die zoo aandachtig de étalages bezichtigen,
soms onderling over de prijzen redeneeren, alles met een kennersblik
taxeeren, prijzen of keuren, zult ge slechts enkelen uit den gegoeden
stand opmerken. Meestal zijn het ambachtslieden in hun groven kiel,
hun gereedschap onder den arm, soldaten met hun liefste, en deze is
doorgaans een dienstmeisje of boerin; naaistertjes in schamele en toch
opgeschikte kleeding, huismoeders uit den geringen stand met kinderen
op den arm en aan de hand. 't Is als wilden die armen zich door het
gezicht schadeloos stellen voor 't gemis van die weelde, die zij met
zooveel verrukking beschouwen.
Achter hen, tusschen de twee rijen schitterende magazijnen, golft onophoudelijk
een stroom van wandelaars heen en weer. Rijtuigen, tramwagens, vrachtwagens
en hoteldiligences rollen af en aan; een wacht, voorafgegaan en aangekondigd
door het schetteren van trompetten komt met zware, geregelde schreden
aantreden, gevolgd door honderde juichende, joelende, huppelende straatjongens.
't Is een oorverdoovend rumoer van menschenstemmen, gelach, schreeuwen,
het ratelen van rijtuigen. Ginds op den hoek van een donkere, enge steeg
is een hoop volks verzameid om een groot orgel, dat, op een kar geladen,
met valsche, snerpende tonen het laatste, nieuwste straatlied laat hooren.
Uit meer dan een huis klinkt gezang en snarengetokkel en verkondigt
daardoor, dat hier een café-concert is. Nu en dan heeft er ook
[211:]
een kleine vechtpartij
plaats, die een groote opschudding veroorzaakt, vergezeld van gillen,
vloeken en schreeuwen, dat niet ophoudt, eer men de blinkende helmen
van politiedienaren ziet verschijnen.
De magazijnen zijn nog vol bezoekers, maar toch ziet men in sommige
der grootsten er van, toebereidselen maken om te sluiten. Een vooral
schijnt haast te hebben. 't Is het groote magazijn van kunstvoorwerpen,
platen, schilderijen, beeldhouwwerken, antiquiteiten, (die n.l. ter
plaatse en op bestelling vervaardigd, worden, zooals de meeste zoogenaamde
"oudheden"). Op twee na zijn al de gaspitten uitgedraaid;
een bediende plaatst de luiken voor de hooge spiegelruiten; een ander
is bezig de plaatwerken en schilderstukken, die in de ruime zaal verspreid
zijn, in orde te schikken.
Achter de breede toonbank - ook al een meesterwerk van ingelegd hout
met koper en ijzerversierselen - staat een heer, met de handen in de
zakken en een sigaar in den mond. Zijn trotsche houding, zijn gebiedende
stem, zijn breed uitgekamde bakkebaarden en zijn onberispelijke kleeding
toonen aan, dat hij wel degelijk een man van aanzien is, ten minste
in zijn eigen schatting en in die der bedienden, die op zijn wenken
vliegen.
Voor de toonbank staat een vrouw, of liever - een dame. Zij is slank
van gestalte, en naar haar bevallige houding, haar vlugge gebaren te
oordeelen, zou men zeggen dat zij jong is, doch men kan haar gezicht
niet duidelijk onderscheiden onder dien dichten, zwartgazen sluier en
dien breedgeranden hoed. Met zorg schikt zij eenige teekeningen in een
portefeuille, waarbij wij opmerken, dat haar handen klein en blank zijn,
ontegenzeggelijk dameshandjes, hoewel haar kleeding eenvoudig, ja, bijna
armoedig is.
"Neen, juffrouw, ik kan dit niet nemen, geloof me, hoe gaarne ik
u wilde helpen. 't Is niet wat ik op dit oogenblik noodig heb. Het spijt
me wel, maar ik kan er niets
[212:]
aan doen!"
zegt de man met de deftige bakkebaarden.
"Het spijt mij nog veel meer; veertien dagen geleden zeidet ge
mij, dat ge een dozijn van die teekeningen zoudt kunnen gebruiken; ik
haast me om die gereed te hebben, en nu - nu vraagt u mij iets, dat
ik onmogelijk doen kan."
"Zeg dat niet, mejuffrouw. Ik vraag u wintergezichten in plaats
van zomerlandschappen. Me dunkt, voor een artiste, die haar kunst verstaat,
is niets gemak'lijker. U laat het gebladerte, het gras, de struiken
en dat alles weg; u legt wat rijm op de takken, die ge van hun bladeren
ontdaan hebt; dat spreekt; - u verandert de blauwe golfjes der rivier
in een ijsvlakte, verandert de zeilende scheepjes en bootjes in arresleden,
de visschers in schaatsenrijders; u maakt den oever wit van sneeuw in
plaats van met groen begroeid; de zomertoiletten verandert u in wintercostumes,
- ziedaar! Ik geloof, dat ik niets eenvoudiger zou vinden, als ik het
moest doen!"
"Beproeft u het dan eens!" zegt de "artiste" op
niet zeer zachtmoedigen toon.
"Ah, ziet u, ik ben ook wel artist, maar ik - ik oefen mijn kunst
niet uit, maar anders, als. ik wilde - ik keer er mijn hand niet voor
om, op mijn woord!"
"Zoo knap ben ik niet; ik kan geen wintergezicht teekenen naar
een landschap, dat ik alleen in den zomer heb gezien. Bovendien bestelde
u zomerlandschappen van de omstreken der stad; ik maak ze, en nu heb
ik voor niet gewerkt; dat is alles behalve aangenaam."
"Het spijt me, juffrouw! maar ik kan 't niet helpen; de dame, die
het werk bestelde, is van idée veranderd. Zij gaat naar Algiers
of Chili of China; wat weet ik, ergens waar het nooit winter wordt en
waar het heel warm is; en nu wil ze als souvenir aan ons land deze winterlandschappen
hebben, in plaats van de zomergezichten, die zij eerst had besteld.
Wat kan ik daaraan doen!"
[213:]
En de heer van
't magazijn haalt de schouders op,en breidt beide armen uit, als ware
hij "la victime des circonstances," terwijl juist de jonge
vrouw dat is. Zij ziet hem even aan, doch zij geeft geen antwoord; haar
schetsen zijn al in de portefeuille geschikt; zij trekt haar handschoenen
aan en is gereed om te vertrekken. Hij begint weer:
"Luister, mejuffrouw, ik meen het waarlijk goed; verander uw werk
een weinig; honderd anderen zouden, in uwe plaats, er niets in zien.
Wel, waar blijft uw artistieke phantasie, uw verbeeldingskracht, indien
ge u in den zomer geen wintergezicht kunt voorstellen? Geloof mij, geef
u een weinig moeite en 't zal wel gelukken. De dame betaalt - enfin,
ik kan u een goeden prijs geven voor uw werk. Denk er nog eens over..."
"Ik kan het niet doen; 't zou knoeiwerk worden. Ik weet niet hoe
het hier 's winters is; ik zou er misschien weer een paar weken mee
verliezen en dan toch niets goeds afleveren... neen, dank u, ik doe
het niet!"
"Dat is uw zaak!" zegt de heer wederom de schouders ophalend.
"Ik zal niet de minste moeite hebben, om het door iemand anders
gedaan te krijgen; maar voor u doet het mij leed."
"Goeden avond, mijnheer!"
"Luister nog even, juffrouw; indien ge de rivier, de boulevards,
de omstreken eens gingt zien bij maneschijn? Dat geeft altijd zoo'n
wit; bleek voorkomen aan alles; men kan zich dan best in den winter
verplaatsen..."
"Dat kan i k niet, vrees ik."
"Enfin, u kunt het beproeven. Apropos, eer ik het vergeet, hebt
u nog een paar van die indische landschappen? Misschien kan ik die dezer
dagen plaatsen."
Hij zet een zeer onverschillig gezicht, terwijl hij die vraag doet en
streelt zijn zwaren baard, alsof hij aan niets anders dacht: - maar
- onder de halfgesloten oogleden vandaan,
[214:]
ziet hij de jonge
vrouw scherp aan. Zij antwoordt kortaf en onvriendelijk:
"Ik weet het niet; ik zal eens zien, misschien wel."
"Welnu dan, tot ziens, goeden avond, juffrouw."
Hij buigt vrij beleefd; de sigaar heeft hij al lang weg gelegd, de handen
uit de zakken gehaald en nu doet hij een poging om haar de portefeuille
aan te geven. Doch zij heeft die reeds opgenomen, groet hem en verlaat
het magazijn.
De heer met de bakkebaarden strijkt met beide handen die mannelijke
sieraden glad, terwijl hij de zich snel verwijderende gestalte naoogt.
"Een zonderlinge vrouw! Trotsch als een vorstin en arm als - als
al die artisten. Kan werken als een man, en oogen? Oogen als bliksemstralen!
En een lief handje ook; kijk, als zij wilde... met al die voorrechten,
dan had zij geen talenten noodig. Maar, trotsch, trotsch, trotsch..."
Hij gaat naar de deur en blijft op den stoep staan kijken, of hij die
slanke, sierlijke gedaante nog onderscheiden kan tusschen die woelende
menigte. Even goed kon hij naar den bijzonderen zandkorrel zoeken tusschen
al 't zand aan den oever der zee!
Hij prevelt een vloek, en zijn bedienden zijn nog vlugger dan gewoonlijk.
De man roet de bakkebaarden is a l t ij d nijdig als die jonge vrouw
er geweest is; dit weten ze reeds.
Zij staat op de hooge brug, welker bogen de breede rivier overspannen. Alles is hier stil en vreedzaam op dit uur tien uur 's avonds. De maan schijnt zoo helder als men het in Europa maar ooit ziet en 't is waar, dat dit zachte licht alles met witten, zilverachtigen tint overgiet. Maar toch - 't is nog ver van een wintergezicht. Het gebladerte der boo
[215:]
men is duidelijk
te onderscheiden; het donkere water rolt in kleine golven onder de brug
door en veroorzaakt een licht geklots tegen de brughoofden. De nachtwind
brengt geuren aan van pasgemaaid gras, van veldbloemen, vermengd met
den sterkeren geur van de bloemen, die in de tuinen der nabijzijnde
villa's bloeien; de lucht is zoel, drukkend zelfs. Ginds boven dien
heuvel worden de donkere wolken nu en dan door een flikkerend weerlicht
verscheurd... Waarschijnlijk zal straks een onweer losbarsten, dus is
het voor wandelaars beter naar huis te gaan; 't is laat ook; eigenlijk
veel te laat voor een jonge dame om hier alleen te zijn, wel een half
uur buiten de stad, om tien uur's avonds.
"Maar dat is mij eigenlijk onverschillig; dat was het middernacht;
alleen hier of alleen daar in dát gewoel, 't is mij hetzelfde.
Ben ik niet overal alleen? Overal in de heele wijde wereld! En 't helpt
me toch niets of ik hier al sta; ik zal er toch geen winter van kunnen
maken, al kijk ik nog zoo lang naar den maneschijn. Kom, ik zal die
goede Madame Morin maar niet laten wachten; ze had er al zoo tegen,
dat ik nog uitging. Men zou waarlijk haast zeggen, dat ze iets om mij
geeft!"
Dit is geen alleenspraak. 't Zijn de gedachten van de eenzame wandelaarster,
die met de armen op de leuning der brug rust. Langzaam richt zij zich
op en gaat langs het trottoir naar beneden, den weg op, die naar de
stad terugvoert. Die weg is beschaduwd door hoog geboomte, doch nu,
op enkele plekken, waar den al te oude boom werd weggekapt en door een
jong boompje vervangen, is het er licht. De rivieroever is met struikgewas
begroeid, doch niet zoo dicht, of men ziet van den weg uit het water
stroomen en de stralen der maan, die zich in den vloed afspiegelen,
breken en als lange, zilveren strepen over het water liggen. Met vluggen,
lichten tred stapt zij onder de boom en voort; het is zoo stil als ware
het midden in den nacht. Er is nie
[216:]
mand in de nabijheid,
vóor noch achter haar. Zij kijkt nog eens om, ten einde zich
te overtuigen. Hé, wat is dat? Staat er iemand op de brug, juist
dáar, waar zij zooeven stond? Wonderlijk! Men zou aan spoken
gaan gelooven; immers, 't is ook een vrouw en zij leunt ook op de balustrade
en ziet naar omhoog, naar de maan en dan naar het water beneden!
"Als ik aan spoken geloofde maar kijk, ze beweegt zich, ze komt
hierheen; ik wil toch eens zien," prevelt onze artiste langzaam
terugkeerende op haar schreden. "Als het een arme vrouw is, vraag
ik haar om zoover samen te gaan; och, men moet toch al heel verlaten
en eenzaam zijn, als men om dezen tijd hier alleen wandelt. Wie weet
dat beter dan ik?"
Ze heeft de donkere vrouwengestalte in 't oog gehouden; nu moet zij
den langen weg afkomen, en dan voorbij die plek waar geen boomen staan
en waar het zoo helder licht is.
Zij hoort in de diepe stilte de zware slepende schreden der vrouw en
dan - wat is dat! Neen, ze bedriegt zich niet, 't is de stem van een
klein kind en dat kind schreit. O, hoe smartelijk klinkt dit geschrei;
dat kind moet ziek zijn: God weet hoe ongelukkig en hulpbehoevend die
twee wezens zijn! Zou zij er heen gaan? Misschien hebben die twee verlatene
wezens hulp noodig. De gang der vrouw schijnt zoo onzeker, zoo vermoeid:
zij wankelde toen zij de brug afkwam. En het kindje schreit, hoewel
de kreten nu zwakker worden. Neen, ze mocht niet langer weifelen; kon
zij, de arme artiste, ook al niet veel doen voor die nog armere moeder
en haar kind, zij kon haar toch een hartelijk woord toespreken, belangstelling
toonen. Goede woorden immers verkwikken een moedelooze vaak evenzeer
als dadelijke hulp. Ach, zij wist dit zoo goed, de jonge artiste; zij
wist dat vriendelijke, deelnemende woorden als balsem zijn voor een
gewond hart; ook dit had zij reeds ondervonden.
Zij verhaast haar schreden en is weldra nabij de onbe
[217:]
schaduwde plek,
die door de maan helder wordt verlicht. Doch de vrouw met het kind is
verdwenen; zou zij teruggegaan zijn? Zij blijft luisterend stilstaan,
haar donkere oogen zien overal rond, doch vinden niets. Achter haar
beweegt zich iets in het struikgewas aan den oever, doch zij let er
in het eerst niet op; zij is niet vreesachtig, een onverwacht geluid
kan haar niet verschrikken.
Daar, waar zij de vrouw het laatst zag, daalt de rivieroever zacht glooiend
naar 't water af; er is een opening in de struiken, als ware het een
pad naar de rivier leidende.
Hier brengen de bewoners van den omtrek hun paarden om te baden; de
vrouwen gaan er haar wasch spoelen; dat weet zij, want ze heeft dit
gezichtspunt eenige dagen geleden in schets gebracht.
Wederom ritselen de struiken; een losse steen rolt naar beneden en valt
zacht plassend in het water. Deze keer trekt dit geluid haar aandacht.
Dáar moet toch iemand zijn; de vrouw! Heer in den hemel! De ongelukkige
wil zich misschien in 't water storten...
Nog eer die gedachte haar helder voor den geest staat, heeft zij de
plaats bereikt. Ja, daar staat de vrouw; een vervallen, schrale gedaante
in lompen gehuld; het kind vast aan de borst gedrukt. Het bleeke gelaat
der vrouw, nog bleeker door het blauwachtig witte maanlicht, ziet opwaarts,
naar dien helderen hemel, naar het schitterende hemellicht.
"O, mijn God! vergeef mij; schenk mij de noodige kracht; ik kan
niet anders!" spreekt zij overluid.
Treurige tegenstelling! Op het oogenblik dat zij het schoonste werk
Gods, een mensch, wil verderven, Zijn kostbaarst geschenk, het leven,
verwerpen, bidt zij Hem om kracht daartoe!
"Vrouw, wat wilt ge doen? Wat is er met u!"
Een hand grijpt haar zacht, doch vast bij den arm, en trekt haar terug
van den rand der rivier.
"Laat mij gaan! Bemoei u niet met mij; het raakt u niet,
[218:]
wat ik hier doe;
ga weg!" zegt de vrouw, schielijk den doek over haar hoofd halend,
en zich driftig losrukkend. Haar stem beeft, zij spreekt zacht, met
ingehouden adem, alsof zij de tanden opéen klemde, alsof zij
zich bedwong om niet in woede uit te barsten tegen de onwelkome getuige
van haar voornemen.
"Het raakt mij wel: het is de plicht van ieder mensch om zijn evenmensch
van 't kwade terug te houden, en gij, ik vrees, dat gij iets kwaads
voorhadt!"
"Als ik het nu niet doe, doe ik het over een uur, over twee uren,
morgen zeker, en 't is geen kwaad! Al wat ik nog heb is mijn leven;
dat is mijn eigen: het eenige wat men mij gelaten heeft, zeker omdat
het zoo ellendig is. Nu wil ik het niet meer; het is mijn, ik mag er
mee doen wat ik wil; bemoei u niet met mij. Ga uws weegs. Ge zijt een
dame, ge behoordet hier niet te zijn op dit uur, alleen... "
"Ga met mij, arme ziel, ga mee; ik ben een dame, ja, - of wel,
ik was het voorheen; nu ben ik arm, bijna even arm als gij, ik heb ook
niets meer dan het leven. Doch dat is een gave Gods, die men niet mag
wegwerpen, hoe ongelukkig men ook zij. Ga met mij, bid ik u. Misschien
kan ik u helpen, u troosten..."
"Niemand kan mij helpen, niemand kan mij troosten; voor eene als
ik is alles verloren!" zegt de vrouw, nu wat tot bedaren gekomen.
"Zie, ik wil gelooven, dat ge het goed meent; ge schijnt nog jong
te zijn, en daarom begrijpt ge wellicht niet, dat het leven een zware
last, een marteling kan zijn. Ik geloof dat ge een goed hart hebt, maar
mij helpen kunt gij niet; God-zelf kan dit niet; er is voor mij geen
heil meer, dan in den dood. Ga dus, ik zal wel verder op een plaats
zoeken in het water. Het zal u niet hinderen, ge zult het spoedig vergeten
hebben."
Zij sprak deze laatste woorden met kalme stem, als iemand,
[219:]
die spreekt over
het ongeluk van anderen; haar oogen bleven op het langzaam heenstroomende
water gevestigd.
"Neen, ik ga niet weg, en gij zult het niet doen, zoolang ik bij
u ben. Ik ben ook ongelukkig, verlaten, verstooten door iedereen; maar
ik berust in Gods wil en zoodoende draag ik mijn leed. Ik wenschte,
dat ge ook zoo deedt. 't Is uw plicht jegens God en jegens uw onschuldig
kind!"
De vrouw schudde 't hoofd en beproefde wederom zich los te maken, doch
de artiste had nu den arm om haar middel geslagen en trok haar zachtjens
verder, naar den weg toe.
"Mijn kind! Voor mijn kind zou ik moeten leven, opdat het naderhand
ook tot zonde en schande worde gebracht en het uur vervloeke waarin
het geboren werd, en mij vervloeke die 't het leven schonk! Beter is
het, dat mijn kind nu met mij sterve..."
"Het kan ook goed en gelukkig worden. God zal zich over u beiden
ontfermen. Als ge uw kind liefhebt, zie af van uw vreeselijk voornemen!"
"Als ik mijn kind liefheb? Ik zie wel, dat gij geen moeder zijt!"
spreekt de vrouw snikkend en zij drukt het slapende wicht vaster aan
den boezem.
"Laat mij zijn gezichtje zien; ik bid u, laat het mij even zien,"
vraagt de jonge dame.
De vrouw tilt behoedzaam den doek op, die het arme schepseltje bedekt;
ach, 't is geen mooi, gezond kind. Een mager, klein gezichtje, waarop
de sterk geteekende donkere wenkbrauwen en oogwimpers scherp afsteken.
De frissche nachtlucht, het heldere maanlicht, misschien ook wel de
zachte kus dien de jonge vrouw op het ziekelijke gezichtje drukt, doen
het kind ontwaken. Het slaat de oogen open en begint weer smartelijk
te schreien.
"Mijn kind, mijn kleine engel!" snikt de moeder, het wichtje
hartstochtelijk kussend.
"Het schaapje heeft dorst, goede vrouw, kom, zet u even
[220:]
hier aan den weg
neer en help het," zegt de vreemde jonge dame, zacht sprekend.
Haar pleit heeft zij gewonnen; de zoo even nog wanhopige vrouw is nu
geheel moeder. Zij sust en liefkoost haar schreiend kindje; zij zet
zich neer op den boomstam, waar de andere haar heenleidt, en terwijl
het zieke kind lafenis zoekt aan de borst der moeder, plaatst de vreemde
vriendin zich naast deze. Zij legt den arm om de schouders der arme
vrouw; haar hand omvat die koude, bevende vingeren, die eerst weerstreven,
doch allengs rustig worden, en den lichten druk beantwoorden, die van
zooveel hartelijke deelneming en meelijden getuigt. De jonge dame ziet
met oogen vol deernis op het zwakke wichtje neer, terwijl zij met zachte
stem de moeder toespreekt. Deze antwoordt niet; nu en dan schudt ze
het hoofd en buigt zich over de kleine om haar tranen te verbergen.
Het kindje is weer in slaap gevallen en ligt, geregeld ademhalend, op
den schoot der moeder. Fluisterend spreken de twee vrouwen met elkaar;
tranen vloeien langs de ingevallen wangen der arme, zij luistert naar
de gevoelvolle stem, de troostende woorden der onbekende, en er zijn
ook tranen in de oogen van deze, terwijl zij de woorden
spreekt.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Ik ben het, moeder
Morin, het is wat laat geworden, het spijt mij wel, maar ik kon niet
anders.
"Wat laat! 't Is twaalf uur; 't .is nog nooit gebeurd dat u zoo
laat op straat bleeft! Is dat een mensch in angst brengen! Ik dacht,
dat u iets overkomen was."
't Is een vrij knorrige oude vrouwenstem, die dit zegt, maar toch bemerkt
men terstond, dat de ontevreden toon voortkomt uit bezorgdheid en niet
uit boosheid, omdat zij zoo lang heeft moeten wachten.
"Er is mij ook iets overkomen, moeder Morin; ik breng
[221:]
gasten mee, zie
eens hier. Nu kunt ge uw zolderkamertje dadelijk verhuren."
"Hola, hola! Dat gaat zoo vlug niet, juffrouw; eerst moet ik weten
wien ik voor heb; ik neem zoo maar niet iedereen in mijn huis; al is
het klein, 't is rein, en rein moet het blijven!"
De oude vrouw heeft het lampje, dat ze in de hand houdt, hoog opgeheven
en beschonwt de onbekende gast van het hoofd tot de voeten, met wantrouwende
blikken. Blijkbaar voldoet het onderzoek haar niet, zij schudt het hoofd
en zegt:
"Neen, juffrouw, ik denk die juffrouw niet als huurster te nemen.
Ik wil niet hardvochtig zijn tegen een arm mensch, maar deze ziet er
waarlijk niet uit alsof zij goed is voor de huurpenningen. Neen, neen,
het kan niet..."
"Ook niet als ik mij borg stel voor de huur? Kom, goede moeder
Morin, dat meent ge niet!"
"Och, laat mij maar verder gaan, geef u geen moeite meer voor mij,
ik mag u niet langer tot last zijn," zegt de arme vrouw fluisterend.
"Juffrouw Morin, deze arme vrouw heeft te voet een verre reis gedaan
met haar kind in de armen. Zij is doodmoe, hongerig en bedroefd. Haar
kindje is ziek; kunt ge het over uw hart verkrijgen, haar nu, midden
in den nacht, weg te zenden? Onmogelijk!"
"Zij kan naar een logement gaan, of naar een gasthuis, of naar
het politiebureau."
"Foei, dat had ik niet van u gedacht, dat ge zoo onbarmhartig zoudt
wezen, moeder Morin!"
"Ik ben voorzichtig, niet onbarmhartig! Gij zelve, juffrouw, zoudt
hier niet willen blijven, nam ik Jan en alleman maar zoo in huis!"
"Maar ik breng deze vrouw hier; ik heb haar gevonden; ik sta borg
voor haar; zult ge haar nu de deur wijzen, haar en haar arm, ziek kindje?"
[222:]
"Haar kindje?
Zoo, heeft ze een kind ook? Laat mij eens kijken, dat kind?"
De vlugge handen der "juffrouw" schuiven het omhulsel van
het slapende wichtje ter zijde; de oude moeder Morin beschouwt het bleeke
gezichtje eenige oogenblikken, dan ziet zij de jonge moeder aan, die
bevend en rillend als van de koorts, tegen den witten muur van 't smalle
portaaltje leunt.
De helder grijze oogen der oude worden dof; haar neusvleugels trillen,
de lippen trekken zenuwachtig als door inwendige aandoening. Zij wendt
echter het licht af, want zij wil niet weten voor die twee jonge vrouwen,
dat zij bewogen is. Ze kucht even, alsof haar in de keel iets in den
weg zat, en dan zegt zij, zich omkeerend:
"Kom dan even binnen, we zullen zien."
Zeker is het geen weelde, die moeder Morin en haar logées omringt.
Het kamertje is klein, de muren zijn niet eens behangen, doch helder
gekalkt. De vloer is met zand bestrooid en er liggen hier en daar stukjes
mat of kleed voor de kast, voor den haard en onder de tafel. De meubelen
zijn in overeenstemming met dit alles: doodeenvoudig en ouderwetsch,
doch buitengewoon zindelijk. Witte gordijnen voor de kleine vensters
en een rij bloempotten vol kleurige geraniums op de smalle vensterbank.
Eenvoudig wit aarden theegereedschap staat op de bruingeverfde tafel,
naast het mandje, waarop de oude vrouw haar bril en den kous dien ze
aan 't breien is, heeft neergelegd. Een dikke grijze poes ligt rustig
te slapen op den vloer, naast den stoel der oude vrouw. Een kanarievogel
in een kooitje, dat voor 't eene venster hangt, huppelt van het eene
stokje op 't andere, in zijn slaap gestoord door de ongewone beweging.
Juffrouw Morin is eene Hollandsche van geboorte; zij is evenwel met
een Franschman gehuwd geweest, en na een twintigjarig verblijf in Frankrijk
weduwe geworden, was zij zoo gehecht aan 't vaderland van haar man en
kinderen,
[223:]
dat zij besloot dáar haar verdere levensjaren door te brengen. Het huisje, in een der buitenwijken gelegen, is haar eigendom. Zij zelve bebouwt het moestuintje daarachter en kweekt bloemen aan om die, in ruikers gebonden, te verkoopen. Zij bewoont het benedenvoorkamertje met haar poes en haar kanarievogel; daarachter is de keuken. Het bovenhuis - dat zij met niet weinig trots "de eerste verdieping" noemt - bestaat uit twee kleine vertrekjes, die de jonge schilderes bewoont. Een dezer vertrekjes dient tot atelier, het andere tot slaap- en woonkamer. Er is nog éen klein zolderkamertje, in de helling van het dak afgeschoten; het verhuren van dit hokje en "de eerste verdieping", benevens de opbrengst van haar lapje gronds maken de inkomsten der oude vrouw uit. Geen vorst kan echter meer ingenomen zijn met zijn schoonste landgoed dan moeder Morin met haar stulpje. Zij was voor dag en dauw op om huisje en tuintje in orde te houden: wat zij ook vergeten mócht hebben uit vroegere dagen, de oudhollandsche netheid niet. En dit betrof niet alleen de uitwendige reinheid van haar woning; zij gedoogde ook niet dat er iets onbehoorlijks plaats had onder haar dak. De meisjes - meestal had zij twee of drie "logées" - die bij haar inwoonden, konden op moederlijke zorgen rekenen. Doch er moest ook niet het minste aan te merken zijn op haar gedrag. Dat was een vrij moeielijke voorwaarde om na te komen voor haar, die haar dagelijksch brood moesten verdienen in de groote, woelige stad, waar elke jonge vrouw aan verleiding van allen aard blootgesteld was. Meer dan eens reeds was het gebeurd, dat de oude, brave vrouw een der meisjes had zien vertrekken om zich in den maalstroom van kortstondig verderfelijk genot te storten, die de stad aanbood. Meer dan eene ook had zij weten terug te brengen van den slechten weg, doch verreweg de meesten hadden haar vermaningen en beden in den wind geslagen.Daarom was zij zeer moeielijk in de keuze harer commen
[224:]
salen. De jonge
artiste, die sinds verscheidene maanden bij haar inwoonde, die schoon,
begaafd en blijkbaar van goede afkomst was, behoorde tot de weinigen,
die moeder Morin nog nooit reden tot ontevredenheid gegeven hadden.
Den geheelen dag arbeidde zij ijverig, en, móest zij somtijds
uitgaan om haar schetsen te nemen, dan wist jnffrouw Morin toch zeker,
wáar ze haar vinden kon en op welk uur zij thuis zon komen. Zij
verdiende wel niet veel, doch betaalde geregeld de huur en den soberen
kost; bovendien hielp zij de oude vrouw zooveel zij kon en betoonde
zich ook handig in allerlei huishondelijken arbeid. Dat was wel een
wonder voor zulk een fijn opgevoede dame; want dat zij een geborene
dame was, daar viel niet aan te twijfelen, en het eenige wat vrouw Morin
dan ook wel eens hinderen kon, was, dat de jonge dame nooit in bijzonderheden
trad over haar verleden, haar familie en afkomst, ja, dat zij zelfs
haar waren naam verborgen hield voor haar oude vriendin.
Niet licht zou moeder Morin een andere in huis genomen hebben, van wie
zij zoo weinig wist. Maar deze jonge dame was haar aanbevolen door een
priester, bij wien zij ter kerk ging, en reeds op het eerste gezicht
beviel het meisje haar. Die kon geen verleden hebben, waarover zij blozen
moest. Die ernstige, fiere oogen, die u zoo vast aanzagen, konden niet
liegen. De orde, de arbeidzaamheid, haar geregelde levenswijze, alles
bewees dat dit meisje, mocht zij al in 't ongeluk gekomen zijn, zich
zelve niets te verwijten had. Zij was een weeze, ze stond alleen in
de wereld: zoo mooi en jong! Duizend anderen in haar plaats zouden zich
der ontucht in de armen geworpen hebben. Maar zij werkte, zij gaf zich
alle moeite om eerlijk haar brood te winnen. Moeder Morin beschouwde
dit reeds als een zeldzaamheid, zoo vaak had zij van de haar bekende
meisjes het tegendeel gezien van zulk een gedrag.
Daarom had de jonge artiste dan ook veel invloed op haar,
[225:]
en gaf zij nu toe
aan haar verzoek, de arme vrouw in huis te nemen, voorloopig althans,
tot zij "zag wat er aan was."
Ze deed het uit meelijden met het zieke kind, uit genegenheid voor de
schilderes, verklaarde zij; ze wist wel, dat zij het kind der rekening
zou worden, dat die vrouw, die eenmaal gevallen was, wel weer terug
zou keeren tot de zonde. Ze had reeds zoo dikwijls gezien, dat zoo ééne
zich tijdelijk bekeerde, als ze ziek en in ellende was. Maar niet zoodra
hadden zij haar gezondheid weer, of het oude, slechte leven begon op
nieuw...
De vrouw was zoo doodelijk vermoeid en uitgeput, dat zij te nauwernood
het kopje thee kon gebruiken, dat moeder Morin haar aan de lippen hield.
Zij sloot de oogen voor het licht der lamp, zij trok den doek over het
gebogen hoofd en bad met bijna onverstaanbare stem, dat men haar maar
een hoekje mocht aanwijzen, waar zij zich neerleggen kon.
Met moeite sleepte zij zich den trap op. Moeder Morin wilde niet, dat
de jonge dame haar zou helpen de arme ziel naar bed te brengen.
"Laat mij alleen met haar, ik zal wel voor haar zorgen;" zeide
zij; "ze zal mij zeggen wie ze is en waar zij vandaan komt, of
ik heet niet meer "Madame Morin." Ik wil dan toch weten, wie
ik onder mijn dak heb, dat is mijn recht."
De schilderes protesteerde daartegen, doch de oude vrouw bleef op dit
punt onverzettelijk,
"Ga gij hier stil zitten rusten; drink een kopje thee om u te verwarmen;
ge zijt zoo koud als een steen, en dat is niet natuurlijk na een zomerdag
als we heden gehad hebben: Ik alleen zal dat mensch naar bed helpen!"
Er was niets aan te doen en dus moest de schilderes wel berusten in
dit besluit der oude stijfhoofdige vrouw. Evenwel, zij kende haar goed
hart; oppervlakkig mocht vrouw Morin zich wat ruw voordoen, in den grond
was
[226:]
zij gevoelig en goedig, meedoogend en hulpvaardig, hoewel zij het niet wilde weten. Men kon de arme gerust aan haar toevertrouwen. Dat wist Marianne door eigen ondervinding; moeder Morin had háár immers ook hulpvaardig en liefderijk opgenomen, toen zij een toevlucht zocht in 't nederige huisje, waar zij sedert als "Mademoiselle Pauline" had geleefd. Het was de eerste naam die haar in de gedachten kwam, toen de oude vrouw er naar vroeg. Alleen den pastoor Lablache had zij haar waren naam gezegd, en dat nog op voorwaarde dat hij dien geheim zou houden; en dat deed hij, zoodat de nieuwsgierigheid van de oude vrouw dus gedeeltelijk onbevredigd bleef.