I.
Een gezellige avond
aan boord van de Félicitas.
Hoe is 't mogelijk aan boord van een zeilschip een gezelligen avond
te hebben? Hoe kunnen zooveel menschen, tot zulk een enge ruimte beperkt,
zich gezellig gevoelen?
Vooral voor hen die uit Indië komen moet dit onmogelijk zijn, op
een schip, waar elke voet lengte en breedte nauwkeurig uitgemeten en
in gebruik is. Hoe kan men "gezellig" zitten aan die lange,
smalle tafels, met die lange, smalle banken aan weerszijden vastgesjord,
en waar een eenigszins gezet mensch moeite heeft zijn beenen enz. in
te schuiven, laat staan er gemak'lijk op te zitten! Geen zachte gevulde
zittingen: noch rugkussens; maar rechte, vrij harde lederen of houten
leuningen. Geen voetbanken of "poufs" wie een rustpunt zoekt
voor zijn onderdanen, moet de beenen ver vooruit onder de tafel steken,
waar de ijzeren stangen of dwarshouten zijn, die de poten der tafels
aan elkaar verbinden, evenals schoolbanken. 't Is onmogelijk h i e r
gemak'lijk te zitten, en 't is alsof de scheepsbouwmeester, of wie dan
ook de inrichting van het salon bestuurde, alleen op magere, lange menschen
gerekend en niet bedacht heeft, dat er ook kleine, kortbeenige, lijvige
en zelfs zeer z w a a rlijvige passagiers kunnen bestaan.
[2:]
Alleen zij, die,
gedenkend aan 't oude woord, "wie 't eerste komt, die 't eerste
maalt," zich bij tijds een plaats op de breede, zwarte canapé
hebben verzekerd, zitten eenigszins gemak'lijker, al is de rug van gezegde
canapé hoog en recht en hard, de zitting glad - en ook hard -
behalve waar de veeren bezweken en er ondiepten in gekomen zijn. En
dan nog, een plaats op dit meubel te bemachtigen heeft vaak velerlei
bezwaren, vooral over dag, en zoo tot en met acht uur 's avonds, wanneer
de bewuste canapé tot wieg en kleed- of liever o n tkleedkabinet
der kleinste kinderen dient.
't Is waar, dat het tegen de orde is, het salon of eenig meubel ervan
tot zulke doeleinden te bezigen; - maar het goede schip Félicitas
is geen boot van een der Maatschappijen; 't is een zeilschip, en de
orde wordt hier dan ook niet zoo streng gehandhaafd als op de stoombooten.
Op dit uur - omtrent half negen 's avonds - is de canapé in quaestie
ingenomen door eenige der matrones hier aanwezig. Haar respectieve "engelen"
zijn, na meer of minder aandoenlijke en onbeschrijfelijke scènes,
achter de gordijnen der hutten verdwenen. Misschien hebben enkele moeders
een plaats op 't veelbesproken meubel ingenomen om deze of gene kleine
(of groote) zonde harer lievelingen te bedekken, en dan moet iedereen
toch zeggen, dat die zitplaats haar van harte gegund is... Misschien
ook is het slechts om hier, nu 't rustig is, en zelfs de jammerende
stemmen der baboes haar "ninna ninna boobooo!" gestaakt hebben,
de huiselijke aangelegenheden van 't schip, of 't nieuws van den dag
te bespreken.
"Nieuws van den dag" aan boord van een zeilschip? En "waar
zou men dat nieuws van daan halen?" Wat zullen we zeggen? Het is
er dan ook naar, maar nieuws is het toch, en er wordt met evenveel belangstelling
over gesproken en naar geluisterd, als gij, Mijnheer, luistert naar
dengeen die u de samenstelling van een (nieuw) ministerie of kabinet
[3:]
meedeelt - of gij,
Mevrouw, naar uwe modiste, wanneer ze u over de laatste mode onderhoudt
of de pas uit Parijs ontvangen modellen beschrijft.
Voor de heeren bestaat het nieuws erin te weten.: "welken koers
men ligt (of legt?)" hoe het "aanligt", in gewoon of
huishollandsch - uit welken hoek de wind waait. Hoeveel mijl of "knoopen"
per uur of etmaal er gemaakt zijn, en nog andere zaken, die betrekking
hebben op den gang der reis.
Enkele keeren wordt dit gewone scheepsnieuws afgewisseld en opgeluisterd
door een "bijzonder goeie", (grap of "ui") die deze
of gene verteld heeft, en die de heeren elkaar nu onder de roos meedeelen.
Het spreekt van zelf, dat zulke "bijzondere goeie" niet geschikt
zijn voor de ooren der dames, en dus niet in haar bijzijn besproken,
worden, hoewel het tien tegen éen is, dat elke brave echtgenoot,het
woord indachtig: "man en vrouw zijn éen" - en misschien
ook een waarschuwend voorbeeld gevonden hebbende in de waardige Mrs.
Caudle - genoemde "goeie", "onbetaalbare", nog eer
hij zich "te kooi" begeeft, aan zijn dierbare ega toevertrouwt.
Altijd op voorwaarde dat zij 't niet aan Mevr. A B en C zal vertellen
- dit is dan ook overbodig, want het spreekt ook al van zelf, dat de
respectieve echtgenooten van die dames hun geweten niet hebben willen
bezwaren door een geheim voor hun vrouwen te bewaren, zoodat de dames
den volgenden dag, àls ze bijeen komen, elkaar maar even behoeven
aan te zien om te weten - dat ze er alles van weten, en er dan, ook
al onder de roos, pret over te hebben.
Behalve deze vermakelijke nieuwtjes zijn er nog andere, minder vroolijk
dan piquant, die tot het scheepsnieuws behooren; te weten: de kibbelarijen,
in 't groot en in 't klein, soms over de onbeduidendste zaken. Hoe groot
de eensgezindheid zij, hoe goed de harmonie (zooals men dat aan boord
[4:]
belieft te noemen)
zonder oneenigheden van de passagiers onderling of van deze met den
gezagvoerder, loopt geen zeereis af. Zulke voorvallen, mogen ze al onaangenaam
zijn voor de betrokken partijen, leveren het belangrijkste nieuws, de
allerbelangwekkendste stof tot onderhoud op.
Verder behoort nog tot het scheepsnieuws (men lette er wel op, dat we
hier bepaald van zeilschepen spreken) het al of niet slachten van varkens,
schapen, kippen of ander levend proviand, het zien en vangen van visschen:
boniters, bruinvisschen, vliegende visch, het ontmoeten van andere schepen,
het "seinen," de meer of minder goede tafel die de dag heeft
opgeleverd, de hoedanigheden (en kunde) van kok en hofmeesters en die
der spijzen, die ze den passagiers voorzetten.
Last but not least, op de lijst der nieuwtjes en sujets de conversations,
zijn de praatjes, of cancans - die ontstaan en voortgeplant worden;
voortspruitende uit lediggang, verveling en vaak ook uit ijverzucht,
vergiftige planten, die op een zeereis welig tieren, overvloedig voedsel
vinden en vooral ook niet zelden zorgvuldig aangekweekt worden. 't Is
dan ook bijna niet anders mogelijk. Al die menschen, hier in zulk een
kleine ruimte bijeengebracht, hebben een vasten werkkring en gewoonten
gehad. De mannen buiten- de vrouwen binnenshuis. Mist de eerste zijn
kantoor, zijn toko, zijn fabriek of land - de tweede mist haar ruim
huis en erf, haar tal van bedienden om te beheeren, haar dispens, de
zorg voor de tafel enzoovoort; terwijl het aan boord ten naastenbij
onmogelijk is, den kinderen dezelfde verzorging te geven als aan den
wal. Vandaar dat mannen en vrouwen tallooze ledige uren hebben - en,
men weet het - ledigheid baart verveling en uit het brein van lediggangers,
die zich bovendien nog vervelen, ontspruiten meestal de zoogenaamde
praatjes.
Men behoeft volstrekt geen groote mate van menschen
[5:]
kennis noch een
groote gave van opmerking te bezitten, om reeds na enkele dagen verblijf
aan boord, dit soort reizigers te kunnen onderscheiden van hen, die
zich niet aan een planten- of dierenleven zullen overgeven, zoodra de
kust uit het gezicht verdwenen is. Eigenlijk kan men al zeer spoedig
de passagiers van een schip in evenveel klassen of soorten verdeelen
als Sterne in zijn "sentimenteele reis" de verschillende reizigers
rangschikt . [Zie Seut. Journ. Routledges Ed. p.3. kol.2]
Van al die soorten passagiers waren eenige stalen bijeen op het goede
schip (snelzeilend, gekoperd, driemast enzoovoort) Félicitas.
Een kennersoog zou ze, op den avond dien wij bedoelen, terstond onderscheiden
hebben; oppervlakkig geziên, geleek de groote zaal van 't schip
een groote h u i s k a m e r, waar verscheidene families in de beste
"harmonie" bijeen waren. Zie eens hier: Drie speeltafeltjes,
door acht heeren en drie dames bezet: éen hombre-, een quadrille-
en een whist (niet den blinde) partijtje werden gespeeld. De tafeltjes
waren tegen 't beschot der hutten bevestigd; de spelers zaten op stoelen
er om heen.
Nu en dan, als 't schip wat "overhaalde" ging het wel wat
scheef, maar men speelde toch door; aan boord moet men niet zoo nauw
letten op alles!
Aan de lange tafel, een viertal, tegenover elkaar gezeten, dat "commerce"
speelt; het zijn drie dames en een heer. Een paar, die verzonken zijn
in de geheimen van 't edele schaakspel.
Jammer dat een onverhoedsche beweging der Félicitas nu en dan
koningen, raadsheeren, kasteelen en pions dooreen doet rollen. Och kom!
Wat zou dat? Men begint op nieuw, dat is alles: "aan boord moet
men", enz. enz. enz. Een paar "nurksen" zitten, met de
ellebogen onder 't hoofd, - en een boek voor zich, zoo dicht mogelijk
onder de kleine petroleum hanglampen. Zij praten niet, zien niet op
- en wie
[6:]
niet beter wist,
dat ze de oogen laten rondgaan om hier of daar iets te ontdekken, wat
voedsel geven kan aan hun "nurkschheid", zou zeggen, dat ze
verdiept zijn in hun boek.
Maar w i j weten beter!
Een drietal schijnt zich bijzonder wel te vermaken. Een heer, onmiskenbaar
een "militair," dit bewijzen houding en extra zorgvuldige
hoewel eenvoudige kleeding. Twee dames van middelbaren leeftijd. Ze
hebben een hoopje kaarten, een stukje papier, een potlöod en zelfs
dobbelsteenen voor zich.
Toch is het geen kansspel dat hen zoo boeit; zie, een der dames heeft
een verweerd boekje, dat er antiek uitziet, in handen, het boekje is
met ouderwetsche letter, op ouderwetsch papier, d. w. z. d i k vloeipapier
gedrukt: er zijn ouderwetsche plaatjes en figuren in; kabalistische
teekens, cijfers, hiëroglyphen. Het drietal schijnt vol belangstelling;
zij lachen, kijken ernstig, lachen weer, zetten wederom ernstige gezichten;
schudden de kaarten, coupeeren ze, leggen ze uit op de tafel, en slaan
het antieke boekje na.
Wat i s het, dat dit drietal zoo aangenaam bezig houdt? 't Is geen kaartspel
althans, al liggen de kaarten op rijen van negen voor hen uitgespreid...
Hupla, daar rolt de Félicitas van, haar rechter op haar linkerzijde,
van bakboord naar stuurboord, zooals het op zee heet; de kaarten schuiven
over en door elkaar, de dobbelsteentjes rollen heinde en ver, het papier
glijdt onder de tafel, alleen het boekje blijft in handen der oudste
van de twee dames.
"Ze zijn boven aan 't wenden!" merkt de militair aan,en beijvert
zich om de gevallen voorwerpen op te rapen.
Het antieke boekje is een der eerste oorspronkelijke uitgaven van Madame
Lenormands' "kunst om uit de kaart de toekomst te voorspellen",
en het drietal heeft er "voor de aardigheid" eens een proef
meegenomen. "Een zeereis die niet zonder moeielijkheden zal zijn
- een vriendschap op zee aangeknoopt, en die standvastig zal blijven,
- een ge
[7:]
liefde die "u"
daarginds wacht" - voorspelt het boekje.
De zeereis gaat alle drie aan, de vriendschap: dat geldt de twee vrouwen:
- de liefde - dat is hetgeen den jongen krijgsman wordt toegezegd. Of
alles uitkwam?
Zijn er niet meer passagiers op de Félicitas? O ja, de kinderen;
en wel anderhalf dozijn van die jonge wereldburgers; ze liggen nu allen
reeds te kooi; 't is dan ook al tien uur, of "vier glazen",
zooals het aanboord heet. 't ls nu betrek'lijk stil in de zaal; overdag,
als al het jonge goedje er verzameld is, is het er soms niet om uit
te houden, zoo'n rumoer maken die kleuters. Doch nu, nu is het uur van
rust voor hen en van verademing voor hun ouders reeds lang gekomen;
de respectieve vaders kunnen nu ongestoord hun partijtje maken; de moeders
kunnen op haar gemak het nieuws van den dag bespreken. Ze maken dan
ook wel gebruik van die kalmte; behalve de dames die meedoen bij een
der kansspelen, zitten er nog een viertál op de meervermelde
canapê. Dit "meubel" kon men gevoeglijk als het kantoor
der Redactie van de nieuwstijdingen van der Félicitas beschouwen.
En ze babbelen - we meenen, praten praten, praten!!! Nu overluid, dan
halfluid, soms fluisterend, vloeit het gesprek henen; geen oogenblik
staat een der vier damesmondjes (!) stil: Nu en dan, als het schip een
al te sterken, onverhoedschen zijsprong maakt, hoort men een uitroep,
een kleinen gil; maar 't is niet erg; iedereen weet dat de Félicitas
een ijzersterk, flink gebouwd, zeewaardig schip, haar zoogenaamde Kapitein
een beproefde zeeman is, ten minste, hij heeft er den naam van, en men
weet: wie den naam heeft van vroeg opstaan enz. enz.
Hebben we nu met al de passagiers kennis gemaakt? Ja; dat is - eigenlijk
niet; maar de twee, die ons nog niet zijn voorgesteld, zijn ook de eer
eener kennismaking niet waardig. Oordeel zelf, lankmoedige lezer.
De een is een krankzinnige; hij vertoont zich zelden, en
[8:]
nooit buiten noodzakelijkheid.
Hij leeft afgescheiden van al de anderen, in de nabijheid van den "schipper
n a a s t God."
Hij schijnt ook menschenschuw te zijn, spreekt nooit iemand aan, en,
ontmoet hij toevallig een zijner medereizigers, dan buigt hij 't hoofd
en wendt de oogen af.
De andere is een jonge vrouw of dame. Nog minder de aandacht waardig
dan de gek. Ze is jong, pas twee- of drie en twintig jaar; de heeren
noemen haar "mooi" - "beeldschoon" '- "prachtig"
zelfs. De dames vinden haar, "ordinair", of "lang niet
zoo mooi om er over te roepen", of wel "in 't geheel niet
mooi"; vooral als men "alles van haar weet", dan dient
men haar, als fatsoenlijke vrouw, ten minste afschuwelijk te vinden.
"Als men alles van haar weet", zal men vernomen hebben, dat
zij beschuldigd werd en terechtstond wegens m o o r d aan een jonger
stiefbroertje gepleegd, doch vrijgesproken werd wegens onvoldoende bewijzen,
en nog wegens andere redenen. De verdenking rust eenmaal op háár,
daarom heeft zij Java, haar geboorteland, verlaten; daarom wordt zij
ook hier geschuwd en met minachting behandeld...
Waar is ze, op dit oogenblik? Waarom is zij niet hier in de zaal, waar
allen zoo gezellig vereenigd zijn?
Zoo het gure weer; dat na dagen van windstilte en na een bijzonder zoelen
dag opkwam, u niet afschrikt, begeef u dan naar het dek. Daar, rondom
de kajuitskap, staan de stoelen der passagiers geschaard. In een dezer
luierstoelen - hij staat een heel eind ver van de anderen af - heel
aan 't eind der kap, ziet ge een donkere gestalte liggen. De stoel is
zoo ruim als een sofa; de gestalte is als 't ware opgerold op de breede,
ruime zitting. Een donkere, warme mantel omhult haar; de kap van dien
mantel is ver over het hoofd gehaald. Indien gij er voorbij gingt, zoudt
ge niets bemerken van het gelaat, dan de twee donkere en toch lichtende
oogen, die onafgewend naar buiten staren; ginds
[9:]
heen, waar een
enkele blauwwitte schitterende streep, de donkere wolkgevaarten doorsnijdt.
Deze gestalte beweegt zich overigens in het geheel niet; het spattende
schuin der golven die tegen de verschansing opstuiven, de "stortz
e e t j e s" die nu en dan kletterend neervallen op het dek, de
wind, die nog niet lang geleden opgestoken, toch reeds gierend en huilend
om 't schip heen suist de bewegingen der manschappen, die met trossen
enz. het dek op en neer vliegen, de luidklinkende bevelen des gezagvoerders,
niets stoort haar in haar mijmering. Zoo brengt zij vele dagen en de
meeste avonden door. Alleen, zich met niemand bemoeiende, terwijl niemand
zich met haar bemoeit; in een goeden zin, wel te verstaan. Iedereen,
die de wereld kent, beseft, dat men zich genoeg met haar bemoeide als
ze er niet bij was; men begrijpt, hoe?
Zij wordt geschuwd, doch in 't oog gehouden; niemand spreekt met haar,
iedereen schijnt zich tot taak gesteld te hebben, al haar gangen na
te gaan. Men vermijdt het zelfs, háár, of iets dat haar
behoort aan te raken, maar toch weet men altijd al wat zij doet, elk
woord dat zij spreekt, en zij is toch niet spraakzaam. Haar hut is de
allerlaatste der lange rij hutten aan bakboordszijde, en, van de andere
gescheiden door eenige hutten rol lading. Haar plaats aan tafel is aan
het uiterste einde, aan gene zijde van stuurman- en doctorsplaats; ze
zit alleen aan 't beneden einde der lange tafel; tegenover haar, aan
't hoofd, zit de gezagvoerder; maar aan weerszijden strekt zich een
lange rij van wel twintig personen uit, die allen over tafel lévendige
gesprekken voeren. Doch tot haar richt niemand ooit het woord; zij spreekt
tegen geen harer dischgenooten. Zij eet zonder zich te haasten, met
gezonden eetlust; uit haar manieren blijkt, dat zij een beschaafde vrouw
is; vele der aanzittende dames, zouden haar die élégante,
sierlijke bewegingen niet kunnen nadoen - en toch - zij beweegt zich
zoo vrij, als ware zij
[10:]
alleen in een wildernis,
als waren die veertig tot vijftig menschen niets meer, dan boomen van
het bosch, zoo weinig bekreunt ze zich om hen.
Na de tafel begeeft ze zich met haar gewonen kalmen, sierlijken gang
naar het dek, waar ze zich in haar stoel neervleit; daar brengt zij
de lange avonden door en soms wel een gedeelte van den nacht, want dikwijls
slaapt zij in, ongehinderd door de frissche zeelucht; de zonnetent en
haar mantel beschermen haar tegen "zeetjes", regen, wind en
zelfs tegen onbescheiden oogen. Niemand stoort ooit haar eenzame mijmerij,
noch haar slaap. In deze kleine drijvende wereld leeft zij, wordt zij
beschouwd als een paria. Het schijnt dat zij er vrede mee heeft, althans
zij geeft zich geenerlei moeite om dien toestand te veranderen.
Als naar gewoonte heeft zij zich ook op dezen avond, na het diner, teruggetrokken.
Het luid gelach dergenen die beneden gezellig bijeen zijn, is somtijds
duidelijk hoorbaar door de nog openstaande gedeelten der patentglazen
kap.
Gedeelten van de gesprekken kunnen haar oor bereiken; doch zij luistert
er niet naar; zij heeft den geheelen avond, sinds de zon zoo bloedrood
onderging, naar zee en lucht zitten staren. Zij heeft gezien hoe de
laatste bloedig schemerende stralen hun schijnsel over de golven uitstortten;
hoe de bonte, roode en paarsche strepen in 't westen allengs bleeker
en bleeker werden en toen trapsgewijze overgingen in loodgrijs, donkergrauw,
tot zwart toe. Nu is alles in dezelfde sombere tint gehuld; alleen die
ééne scherp uitkomende witte streep is nog zichtbaar.
Zij heeft gezien, hoe de kalme golven langzamerhand onrustig werden,
hoe zij haar zilverwitte kammen opzetten en elkander al haastiger narolden,
als wilden ze zich tegen het groote, sterke schip verbrijzelen. Zij
heeft gezien, hoe die rustelooze vloeden al hooger rezen, al woester
spel dreven, tot meer dan eene zich gedeeltelijk boven het schip verhief
en haar glinsterend
[11:]
schuim en zilt
water over het dek deed stroomen. Zij, die eenzame toeschouwster, heeft
gehoord, welke bevelen er gegeven werden, gezien, hoe zeil op zeil bijgezet
wordt en hoe bezorgd de ervaren zeelui naar den donkeren horizon en
naar de steeds onstuimiger zee zien. Nu - om tien uur 's avonds, is
het alsof de golven een zee van blauwgroen vuur opstuwen, waartusschen
het witte schuim der baren helder glinstert; 't is oogverblindend, die
rollende heuvelen vol phosphorlicht onder dien somber zwarten hemel.
Als een schim vliegt het schip voort; alles is stil op het dek. De man
aan 't roer, de stuurman en de doctor zijn de eenigen, die nog boven
zijn; het volk dat de wacht heeft, ligt half te slapen, of zit in groepen
bijeen, pratend en. fluisterend; slechts nu en dan wordt er een liedje
geneuried. Ginds achter het hooge gevaarte van wolken, dat er als een
donker rotsgebergte uitziet, ontwaart men een dof schemerlicht; 't is
de maan, die tegen middernacht opkomen moet, volgens den almanak; want
't is de vraag of dit hemellichaam ooit de dikke wolken zal kunnen doordringen.
Daar klinkt de bel: z e s g l a ze n ! (Elf uur). De schelle klank doet
haar opzien; zij werpt den mantel van zich af, staat op en ziet rond
naar de tallooze zeilen boven haar hoofd, naar den donkeren horizon
en de lichtende golven, die als rollende bergen voorbijsnellen. Daar
breekt er weer een tegen den rand van 't schip; schuim en water stroomt
naar binnen; onze eenzame heeft een onverwacht stortbad gekregen, en
schudt huiverend het kille water van zich af.
"U moest naar beneden gaan, Juffrouw," zegt een jonge zeeman,
voorbij spoedende om een bevel van "den ouwe" over te brengen
aan den bootsman. "Het zal hier boven te guur worden voor u, en
dit is nog maar een klein voorproefje."
"Zullen we zwaar weer krijgen? Meent ge dàt?" vraagt
zij, den mantel weer omslaande.
[12:]
De zeeman haalt
de schouders op, ziet naar 't zeil dat er staat, naar de lucht en de
zee en herhaalt: "Gaat u maar slapen, we, willen hopen, dat U niets
van merken zult, en dat morgen het zonnetje weer schijnen zal. Maar
een buitje, ja - dat krijgen we.
"Goeden nacht, stuurman," zegt zij, aanstalten makende om
zijn raad te volgen; de jonge man brengt even de hand aan zijn hoed
en snelt heen.
Beneden gekomen,
ziet zij 't geheele gezelschap bijeen; zooals wij hierboven vermeldden.
Nu echter is het vermeerderd door den gezagvoerder, die op den drempel
der zaal, tegen den post der schuifdeur leunt. Hij heeft zijn zeemans
groot tenue aan: een zwarte geöliede jas, diehem tot op de enkels
hangt, groote waterlaarzen, die ver boven de knie reiken, een zwarten
"zuidwester" op, die zijn donker, gebaard gelaat een nog woester
uitdrukking verleent. Het geheele costuum en zelfs de baard en borstelige
wenkbrauwen van den zeereus glinsteren van waterdroppels. Hij zou uitnemend
geschikt zijn om voor een portret van Neptunus in strijdcostuum te zitten.
Hij beantwoordt eenige vragen, die de passagiers hem doen, en van hem
hoort men bijna hetzelfde als de jonge stuurman zoo even aan de dame
zei: "Ja, er zou "een buitje" komen: het weer was "omgeslagen"
de barometer "een weinig gedaald." Maar, 't zou wel losloopen,
't best was dat men maar gerust naar kooi ging; morgen zou 't wel weer
mooi weer zijn, enz. enz. enz.
De meesten zijn gerustgesteld en vervolgen hun spel nog een poos; anderen
gaan rustig slapen; enkelen slechts, die meenden dat "den ouwe"
eenigszins bezorgd keek, blijven nog een korten tijd bijéén;
maar dan laat de slaap ook bij hen zijn rechten gelden. 't Is waar,
het schip maakt heden al
[13:]
bijzonder vreemde
bewegingen, het kraakt en werkt zoo erg - en - maar toch, boven op het
dek is alles zoo rustig; en - de Félicitas heeft de kwade gewoonte
van bij het minste te slingeren als een visscherspink; dus dat is geen
reden om ongerust te zijn .
Weldra is alles dan ook in diepe rust, de passagiers slapen. In de kajuit
van den Kapitein is het echter zoo rustig niet. "Den ouwe"
heeft den eersten en tweeden stuurman bij zich geroepen, de doctor is
ook tegenwoordig, zeekaarten, enz. liggen op de tafel uitgespreid, er
wordt levendig beraadslaagd, de barometer geraadpleegd; ja, zeker, er
is "een buitje" ophanden; 't zal van nacht spoken op deze
zee; en morgen, wie weet
Doch overigens ligt alles in diepe rust.