[22:] III.
De heer Van Son
heeft zich teruggetrokken in zijn kantoor, dat heilige der heiligen,
waarvoor zijn kinderen een eerbied koesteren, die aan vrees grenst,
en waarvan de toegang aan mevrouw Van Son ten strengste verboden is.
Hij zit daar verschanst achter zijn hoogen, breed en lessenaar, verdiept
in cijfers en acten, zooals hij daar altijd zit, hetzij het een heerlijke
lentedag, of een prachtige wintermorgen, of een goddelijke zomeravond
is.
"Dood in zijn bed gevonden," mompelt hij. "Vreemd, zeer
vreemd! Ik houd daar niet van bij kooplui. 't Is altijd een veeg teeken
en - - - als ik niet zoo zeker was van mijn zaak,..."
Een haastig kloppen op de deur doet den notaris uit zijn gepeins ontwaken.
Hij heeft juist den tijd om een welwillenden glimlach op het gelaat
te voorschijn te roepen, als zijn zoon binnentreedt.
"Neem me niet kwalijk papa, dat ik stoor."
"Ga zitten Emile. Je bent zenuwachtig... zou je niet een glas water
drinken?"
"Dank u! Ik wil maar dadelijk ter zake komen."
"We weten het treurig nieuws al. Natuurlijk ben ik
[23:]
verlangend eenige
bizonderheden te vernemen over het sterven."
"Och, daar valt niet veel van te vertellen," zegt Emile, terwijl
hij haastig met de hand over het gelaat strijkt om het wisselen van
kleur te verbergen.
"Maar wat is dan eigenlijk de oorzaak van zijn plotselingen dood?"
vraagt de notaris, schijnbaar druk bezig met het stoppen van zijn lange
goudsche pijp, maar de grijze oogen onafgewend op zijn zoon gericht.
De jongeling schrikt op bij die vraag, hoewel hij haar verwachtte en
er zich op heeft voorbereid.
"De dokter denkt een hartkwaal... of zoo iets. Hij weet het zelf
niet recht."
"Zoo? och reik me even het komfoor! Ja, dit zijn leelijke dingen!"
Een paar langzame trekken aan de pijp, en dan de deelnemende vraag:
"En hoe is Dora er onder? Nog al verstandig?"
"Ik zou haar niet uit kunnen staan, als ze nu verstandig was! Neen,
ze is bitter bedroefd en verbazend zenuwachtig."
"Ja, natuurlijk: 't Is ook zoo plotseling! Ik heb gedacht of het
niet goed zou zijn als het lieve kind maar dadelijk bij ons haar intrek
nam. Je begrijpt, een meisje, dat op eens bezitster van zulk een fortuin
wordt, komt in moeilijkheden, die oogenblikkelijken raad en hulp noodig
maken; ze zal last krijgen van allerlei menschen, die op een buitenkansje
azen, familieleden, protegés, van haar vader, armen, en al dat
slag van volkje. Als ze bij ons is, zal ze daar veel minder van bemerken
en we voorkomen meteen het al te bemoeiziek optreden van haar voogd
- dat zou immers dokter Ems zijn?"
"Ja papa. Maar..."
[24:]
"Je wilt zeker
zeggen dat Ems de meest belangelooze man ter wereld is - goed, ofschoon
je nooit over iemands belangeloosheid oordeelen moet vóór
je hem in geldzaken hebt leeren kennen."
"Neen. Ik, ik kwam u iets meedeelen, papa!"
"Nu, wat is er?"
"Dora is niet rijk meer. Haar fortuin..."
"Emile! Je wilt toch niet zeggen?"
"Ja, papa, ja! De Raat was arm, dood arm!"
De pijp valt den heer Van Son uit de handen. Hij zit daar doodsbleek
en roerloos, terwijl Emile steeds gejaagder voortgaat: "'t Schijnt,
dat hij ongelukkig gespeculeerd heeft. In den laatsten tijd vooral moet
hij zware verliezen hebben geleden, en... zooals het gaat in zoo'n geval;
hij heeft het een met het ander gedekt, zijn landerijen ondershands
verkocht, zijn huis zwaar verhypothekeerd, schulden gemaakt..."
"Onmogelijk! onmogelijk, zeg ik je! Denk je, Emile, dat iemand
mij zoo zou kunnen beetnemen! Denk je, dat ik mijn toestemming tot het
engagement zou hebben gegeven, zonder zeker te zijn van haar fortuin?
Neen, het kan niet zijn! Met eigen oogen heb ik gezien, dat bijna geheel
zijn vermogen was belegd in soliede fondsen, in landerijen - - -"
"Maar dokter Ems, haar voogd, heeft het me gezegd."
"Wie bewijst je, dat hij de waarheid spreekt? Wie bewijst je, dat
hij niet van de eerste verwarring heeft geprofiteerd
?"
"Papa! Dien man te verdenken!...
"Daarenboven; alles is volgens de wet gegaan; de boedel is dadelijk
verzegeld in tegenwoordigheid van getuigen."
[25:]
"Dat beteekent
niets!" roept de heer Van Son uit, terwijl hij van zijn stoel opspringt;
"Ik wil andere, ik wil onweersprekelijke bewijzen. Neen, neen,
ik zal het niet verdragen, - - - Ik zal..."
"Papa," zegt Emile aarzelend, "er is daarenboven een
brief gevonden, die mijnheer De Raat gisteravond aan dokter Ems moet
geschreven heb,ben, en waarin hij zijn ouden vriend alles verklaart.
- - -"
De welwillende glimlach op het gelaat van den notaris is reeds lang
geweken, maar nu komt een kwaadaardige grijns zijn plaats innemen. "Ah
zoo!" Hij schuift zijn bril in de hoogte, kijkt zijn zoon doordringend
in de oogen en vraagt: "Dus hij heeft zich van kant gemaakt?"
Ontsteld ziet de jongeling om zich heen.
"Stil toch papa, spreek dat woord niet uit!"
"De lafaard!" klinkt het van de loodkleurige lippen tegenover
hem.
"Papa, bedenk dat het Dora's vader is!"
"Dora's vader? Welnu, wat gaat mij die meid nog aan?"
De onuitsprekelijke verbazing, die zich op Emiles gelaat teekent, brengt
den man op eens tot bezinning. Wat heeft hij begonnen? Het masker van
deugd en belangeloosheid zich van het gelaat gerukt!
Hij, die zich zelf zoo volkomen meester is, hij heeft zich daar zoo
schrikkelijk vergeten, hij heeft gedaan, wat hij in geen jaren gedaan
heeft, een ander laten doordringen in de duistere schuilhoeken van zijn
hart.
Nog kost het hem moeite zich te herstellen; als de oogen van zijn zoon
niet met zooveel schrik, zooveel afschuw op hem gericht waren, zou het
hem misschien niet gelukt zijn, nu doet hij een krachtige poging.
"Ja Emile," begint hij, "wel mag je me verbaasd aan
[26:]
zien. Ik ben buiten
mezelven. Je weet niet, mijn jongen, hoe dat altijd mijn verontwaardiging
wekt, als een vader zoo schandelijk zijn eigen kind benadeelt! En dan
met een zelfmoord te eindigen! 't Is onverantwoordelijk!"
Nog zit Emile zijn vader aan te staren als iemand, die op eens aan een
welbekend voorwerp een geheel nieuwe ontdekking heeft gedaan; nog kan
hij geen woorden vinden om te antwoorden op die gemoedelijke taal der
lippen, die daareven trilden van woede.
"'t Spijt me, mijn jongen, dat je zoo teleurgesteld wordt; ik heb
altijd gewenscht, dat je een rijk meisje vinden zoudt en nu je schijnbaar
zoo'n goede partij deedt..."
"Een goede partij blijft Dora altijd," valt Emile in, "een
meisje met haar karakter, haar opvoeding..."
"O zeker, zeker! 't Is een allerliefst kind... een vrouw, die je
overal kunt presenteren. Ik zou je ook volstrekt niet aanraden, wat"
- de glimlach is nu welwillender dan ooit - "wat sommige papa's
je in mijn geval raden zouden; ofschoon... een bedrog als dat van De
Raat zou je het volste recht geven, om onder een of ander voorwendsel
een engagement te verbreken, dat... enfin, dat eigenlijk van het begin
af kinderspel is geweest."
"Zoo hebt u het toch nooit beschouwd, papa, toen Dora nog rijk
was," zegt Emile met bitterheid.
"Neen, dat is zoo, Emile! Maar ik was toen zoo in mijn schik met
het denkbeeld, je een rijk man te zien worden, dat ik het minder gewenschte
van de verbintenis geheel over het hoofd zag."
Er volgt een stilte. Emile keert zich af naar het venster. Even droef
en somber als daar buiten is het op dit oogenblik in zijn jong hart.
De gedachte, die hij zoo lang heeft onderdrukt, is met
[27:]
vernieuwde kracht
in hem opgekomen. Zou Gertrude gelijk hebben? Zou zij met haar helder
verstand, haar scherpen blik, misschien juist gezien hebben? Zou het
waarheid zijn, wat zij beweerde, dat hun vader niet is, zooals hij zich
vertoont? Was, wat hij daar straks in zijn drift openbaarde, misschien
zijn ware aard, was wat hij nu sprak en deed slechts schijn?...
Maar neen! neen! dat zou te vreeselijk zijn!
't Wordt hem te benauwd in het vertrek, in de tegenwoordigheid van dien
raadselachtigen man en met een haastig woord van verontschuldiging loopt
hij naar buiten, in de frissche lucht...
't Is verscheidene dagen later als de heer Van Son het zoo plotseling
afgebroken gesprek hervat:
"Zooals we onlangs reeds zeiden, Emile, het zou niet edelmoedig
van je zijn, het meisje nu te laten loopen
maar het brengt natuurlijk
een groote verandering in de trouwplannen..."
Ontsteld ziet Emile op. "Een verandering in de trouwplannen...?
ik zie niet in waarom."
"Zie je dat niet in, Emile? Neen, dat kan je geen ernst zijn? Laten
we de zaak eens bedaard overleggen." En de heer Van Son neemt zijn
plaats achter de schrijftafel weder in, terwijl hij zijn zoon, die nog
steeds onrustig op en neder loopt, wenkt te gaan zitten.
"Je zegt, er blijft niets over bij De Raat. Hij had mij beloofd
voor alles te zullen zorgen. Wie moet nu de onkosten van het huwelijk
en de uitrusting bestrijden?
En waarvan zul je, bij aankomst in Indië, je inrichten, waarvan
een vrouw onderhouden?"
"Ik kan voorschot nemen op mijn traktement."
"En maanden lang op korting zitten. Weet je wat
[28:]
het tractement
van een aspirant-controleur is, Emile?"
"Ja. Men kan daarvan leven. Ook al is men getrouwd."
"Dat wil ik je toestemmen, in het algemeen. Maar het uwe is een
geheel bijzonder geval. Emile, heb je er wel eens over gedacht, dat
het voor een arm man een zeer gewaagd iets is te trouwen met een meisje,
dat in de weelde werd grootgebracht? Zou je wel willen gelooven, dat
het oneindig verstandiger is een flinke burgerdochter te kiezen, die
geleerd heeft de handen uit den mouw te steken en een dubbeltje tweemaal
om te keeren, voor ze het uitgeeft dan een dametje, dat aan zijden japonnen
en équipage gewoon is - ook al had dat dametje wat fortuin?"
"Dora's geluk ligt niet in haar zijden japonnen of équipage,"
zegt de jongeling met al het vertrouwen der liefde; "zij zal zich
om mijnentwil gaarne behelpen."
"lk geloof wel dat het haar daartoe niet aan goeden wil ontbreekt.
Maar heb je je wel eens afgevraagd of ze er de kracht toe zal hebben?
Heb je daarover wel eens ernstig nagedacht? 't is ean zware verantwoordelijkheid,
die je met zulk een huwelijk op je laadt, Emile. Je aanstaande is niet
sterk; ze is bijzonder teergevoelig en zooals je me, geloof ik, wel
zult willen toestemmen, wat verwend door papa. Een kindje van weelde,
werd ze er niet voor opgevoed om zich flink door de wereld heen te slaan:
zulke vrouwen zijn ongeschikt om zich in een vreemd land te behelpen
en te bezuinigen; ze gevoelen zich ongelukkig, ze gaan aan het kwijnen,
weinig bestand tegen ontbering en armoede."
"Armoede," mompelt Emjle, "dat is wat sterk!"
"Ja, armoede. 't Is een leelijk woord, maar die wacht haar, in
vergelijking met haar tegenwoordige levenswijze. Emile," vraagt
de heer Van Son nu langzaam en ernstig,
[29:]
alsof hij de beteekenis
van ieder woord woog, voor het uit te spreken. "Emile, wat zou
je er van denken om je huwelijk uit te stellen tot je controleur bent,
Je meisje kan bij ons of bij haar tante in Den Haag blijven voor één
of twee jaar, dan laat je haar uitkomen..."
Emile gevoelt dat het voorstel van zijn vader niet onverstandig is;
hij begrijpt dat hij veel gaat wagen, als hij dat kind der weelde, zooals
de heer Van Son haar zeer terecht genoemd had, een onzekere toekomst
te gemoet voert. Maar hij herinnert zich hoe dat vriendelijk gelaat
tegenover hem enkele dagen geleden geheel anders was van uitdrukking;
hoe die zachte, overredende stem toen heeft gebulderd: "Wat gaat
mij die meid nog aan?" en argwaan komt zijn ziel vervullen; een
ongekende angst grijpt hem aan; 't is hem, als zag hij zich zijn meisje
door allerlei listen ontnemen, 't is hem of hij op het punt stond haar
te verliezen, zijn besluit is genomen.
"Neen, papa, neen! Ik laat Dora niet achter. Een voorgevoel zegt
me, dat, als zij nu mijn vrouw niet wordt, ze het nooit zal worden."
"De vrees, die alle verliefden kwelt," zegt de heer Van Son
en denkt bij zich zelven: "Hij heeft meer doorzicht, dan ik hem
had toegeschreven."
"Maar al was van een scheiding voor altijd geen sprake, dan nog
zou het een wreedheid zijn jegens haar. Ze verliest op één
dag een aangebeden vader, een groot fortuin, en nu zou ik haar nog een
nieuwe beproeving opleggen, door haar alleen achter te laten bij een
tante, die zij, zooals u weet, volstrekt niet genegen is; nu zou ik
haar, die nooit leerde op zich zelve te staan, veroordeelen om, wie
weet na hoeveel jaren wachtens, alleen de reis te maken naar een vreemd
land. Neen, papa,
[30:]
zóó
heeft haar vader het niet bedoeld, toen hij met stervende lippen zeide,
dat hij niet twijfelde of ik zou goed voor haar zijn."
"Maar mijn jongen, denk nu eens niet alleen aan je meisje, maar
denk ook aan je zelven. Weet je wel, dat het je moeilijk zal vallen
om vooruit te komen, weet je wel, dat het je niet licht zal zijn carrière
te maken, als je die carrière begint met... vergeef me het woord
- met een blok aan het been?"
De oude heer kende zijn zoon en diens onbegrensde eerzucht, daarom had
hij dezen pijl tot het laatst toe bewaard in den welgevulden koker.
De pijl treft doel. De verbleekte lippen tegen over hem verstommen.
Emile laat het hoofd in de hand zinken en het duurt geruimen tijd, voor
hij de kracht schijnt te hebben gevonden, om weerstand te bieden aan
die nieuwe verzoeking; nog beeft de stem die antwoordt: "U hebt
gelijk, papa, het zal voor mij moeilijker zijn carrière te maken
met dan zonder haar. Maar," - en hier krijgt de stem haar vastheid,
het oog zijn glans terug - "ik zou Dora en haar liefde niet waard
zijn, als ik haar dit offer niet gewillig bracht!"
"Emile, bedenk
"
"Papa, mijn besluit is genomen en u zult me verplichten met niet
terug te komen op dit onderwerp: ik ga niet naar Indië dan met
Dora..."
En als de deur van het kantoor achter hem gesloten is, als dat stroeve
gelaat met den vreemden glimlach hem niet meer aanziet, maar het engelen-kopje
van zijn aangebeden bruid hem tegen blikt van het portret, dat hij haastig
te voorschijn haalt, dan zijn alle wolken als door een tooverslag weggevaagd
van zijn voorhoofd en
[31:]
overgelukkig in zijn besluit, fluistert hij: "En ik zou vaderland en vrienden vaarwel zeggen, ik zou u alleen laten zwerven in den vreemde, terwijl gij bij mij kondt zijn, terwijl we al dien tijd konden genieten van ons geluk en onze liefde... neen, mijn engel, dat nooit!"