[14:] II.
Op dienzelfden kouden morgen, waarop Emile en Dora te samen treurden,
dokter Ems zich zoo vreemd gedroeg, de eerzame delftsche burger een
zware kou vatte en zijn Evertje deerlijk haar tong brandde, op dienzelfden
kouden morgen vinden wij de familie Van Son aan het ontbijt vereenigd.
t Is waar, de vrouw des huizes is nog niet tegenwoordig, maar niemand
denkt er aan, op haar te wachten. Klokslag acht luidt Christina, de
oudste dochter, een schelletje, klokslag acht opent de heer Van Son
de deur van zijn slaapkamer, klokslag acht komen Gertrude en Bernard
aanloopen, en niemand bekommert zich om mama, die trouwens altijd
beweert, dat ze klokken de onaangenaamste dingen ter wereld vindt,
en zich maar niet begrijpen kan, waarom de menschen zich door zulke
onaangename dingen laten regeeren.
Christien staat nog met het schelletje in de hand als haar vader binnentreedt;
een hooge gebogen figuur, vermagerd tot op vel en been, met een bleekgeel
gelaat, regelmatig en fraai van trekken, maar ontsierd door een uitdrukking
van list en berekening in de grijze oogen;
[15:]
somtijds speelt er een vriendelijke lach om de dunne lippen, maar
die lach is zoo zeer in tegenspraak met zijn geheele wezen, dat hij
weinig, vertrouwen, veel minder genegenheid wekt.
De huiskamer der Van Sons heeft niets huiselijks. 't Is een van die
binnenkamers, die geen wolkje van den blauwen hemel, geen stukje van
de groene aarde te zien, geven; een van die donkere, langwerpige holen,
geliefd door oude jufvrouwen en podagreuze grijsaards, wie een zonneschijntje
de borst niet meer verwarmen, wie een lentebloempje geen glimlach
meer ontlokken kan.
Alles is er donker. De zware deuren met sloten en grendels, alsof
ze voor een kerker bestemd waren, de zoldering, de hooge lambrizeering,
het verkleurde vloertapijt, maar vooral het geschilderd behangsel
vol stijve mannetjes en vrouwtjes met verweerde gezichten onder verkleurde
staartpruikjes, met zulke afgemeten bewegingen, dat men zich verbazen
moet, hoe de door tijd en en zeepsop bruingekleurde boezems ooit van
liefde of haat konden kloppen in de onnatuurlijke keurslijven.
Twee groote, zware kabinetten maken het vertrek nog donkerder, want
op dringend verzoek van de zedige Christina zijn ze zoo geplaatst,
dat ze de twee lichtende punten van het doek, Jupiter die Europa wegvoert
en Venus in een rendez-vous met Bacchus, bedekken.
Het donkerst van alles is echter de groote, holle schoorsteen met
zijn zwarten inkijk; vroeger, toen de staartpruikjes nog goudblond
en de boezems nog vleeschkleurig waren, had er wellicht een vroolijk
houtvuur gebrand in den open haard, maar dat is lang geleden; het
huis van den heer Van Son wordt sedert jaren geleidelijk verwarmd
met pijpen.
[16:]
Misschien werd er vroeger ook vroolijk geschertst en hartelijk gelachen
om dat houtvuur, maar nu is het niet alleen ongezellig en koud, maar
ook erg stil in de ontbijtkamer.
Het jonge frissche gezichtje van Gertrude, met haar verstandige, bruine
kijkers had eenige vroolijkheid kunnen verspreiden, maar naast haar
zit Christina, ernstig en streng, met een zwart merinos japon, die
aan een kwakeres en een kapsel dat aan den vóórtijd
herinnert; tegenover haar de notaris, verdiept in zijn courant en
wiens gezicht, nu het niet door dien bewusten glimlach wordt verhelderd,
weinig genoegelijk is om aan te zien.
Maar een veel treuriger indruk dan de strenge vader of sombere dochter,
maakt Bernard, de blonde knaap met de donkere kringen onder de van
overspanning fonkelende oogen, gebogen over een boek, dat hij geen
oogenblik weglegt om te ontbijten.
Gertrude verbreekt het eerst de stilte. "Bernard, beste jongen,
wat zie je weer bleek! Toe, laat nu dat boek eens even liggen en eet
wat!" Een vriendelijk knikje is zijn dank voor de zusterlijke
vermaning. Dan laat hij zijn blik over de schraal voorziene ontbijttafel
gaan en zegt op lusteloozen toon: "Ik heb geen trek, Trude."
De heer Van Son legt de courant neer en er spreekt angstige bezorgdheid
uit zijn oogen, als hij ze op den knaap rusten laat. "Wil je
niet een versch eitje, mijn jongen?" Dan keert hij zich knorrig
tot zijn dochter. "Christien, waar zijn de eieren voor Bernard?"
"Pa, de eieren kosten tegenwoordig acht centen het stuk en
"
"AI kostten ze zestien, het kind moet ze hebben!" klinkt
het op bevelenden toon, "kook ze dadelijk."
[17:]
Christina staat op om aan het bevel te voldoen, en Bernard ziet zijn
vader dankbaar aan, maar merkt dan aarzelend op: "Als Chris maar
uit komt met haar huishoudgeld, pa?"
"O zeker mijn jongen, maak je daarover niet ongerust."
Daar komt op eens leven, beweging, drukte, ja zelfs vroolijkheid de
donkere ontbijtkamer binnentreden, in de gedaante van mevrouw Van
Son.
"Goeden morgen! Goeden morgen, Van Son, goed geslapen? En jullie
ook, kindertjes! Brrr, wat is het koud! Om te bevriezen! Chris, kan
het hier niet een beetje warmer worden?"
Christien keert zich naar den thermometer.
"'t Is 70 graden, mama!"
"Och Heertje! En ik weet, jij en papa zijn op dat punt onverbiddelijk
als het noodlot. Geef me dan maar gauw. een warm kop thee? En Trude,
wil je een stukje brood voor me roosteren, maar gloeiend, hoor!"
Mevrouw Van Son trekt het eenmaal elegant, maar nu verschoten morgengewaad
om de ronde schouders, nestelt het slank figuur in den eenigen fauteuil,
dien het vertrek rijk is, zet de kleine voetjes op de marmeren waterstoof
en begint, wat ze altijd begint en nooit eindigt, te babbelen.
"Trudelief, wat heb je me van nacht doen schrikken, 't is een
vreeselijke gewoonte van je om zoo 's avonds door het huis te zwerven."
"Mijn papillot papier was op, ma, en ik wou meteen Bernard naar
bed jagen, hij zat nog op... "
"Te studeeren, hoop ik?" vraagt mevrouw met alle teekenen
van afschuw. "Bernard, kind, hoe kun je toch zoo onverstandig
zijn? Je zult er je gezondheid nog bij
[18:]
in schieten. En dat om te kunnen voldoen aan de dwaze eischen van
die ellendige docenten..."
"Ma!"
De waarschuwende stem komt van Christina, die, bezig de eieren te
koken, even den blik van den zandlooper opheft, om dien berispend
op haar moeder te vestigen.
Mevrouw Van Son zwijgt verschrikt stil.
"Maar ma, u zoudt toch niet willen, dat ik de minste was op het
examen... u zult toch ook wel trotsch zijn," en de bleeke wang
kleurt zich hooger, "als ik, zooals verleden jaar, de eerste
ben van mijn klasse?"
"Het zou me niets kunnen schelen al was je de laatste,"
zegt mevrouw Van Son zeer bepaald. En zonder zich verder aan het berispende
"ma" van Christina te storen, gaat ze in één
adem voort: "En als je dan volstrekt de eerste van de klasse
zijn wilt, dan zijn daar nog wel andere middeltjes op, dan dat leeren
bij dag en bij nacht. Wacht maar, met het Casino zal ik die heeren
docenten wel eens à faire nemen. Als ik hun ieder een dans
geef en wat vriendelijk ben..."
"Och neen, ma! doe dat maar niet, ik vind het heel lief van u,
maar... waarlijk, ik heb het liever niet!"
Een pijnlijke blos bedekt het gelaat, van den knaap.
Heeft hij niet, toen er onlangs over den Sint Vitusdans werd gesproken,
een van de jongens der hoogste klasse hooren vragen, of het zoo iets
was als de danswoede van mevrouw Van Son?
Een bescheiden tikje op de kamerdeur kondigt den barbier aan.
"Uw dienaar, mijnheer, uw dienaar, dames!"
"Goeden morgen, mijnheer Man," zegt mevrouw, blijde
[19:]
iemand te hebben tot wien ze het woord kan richten, "wat is
het koud van morgen!"
Mevrouw Van Son en de heer Man zijn sints jaren verbonden door een
onverbreekbaren band. Man vertelt graag nieuwtjes, mevrouw kent geen
grooter genot dan ze aan te hooren. Mevrouw bemerkt dezen morgen dat
dit genot haar wacht, Man trekt een gelegenheidsgezicht, dat hij altijd
bij tragische gebeurtenissen aanneemt.
't Is iets akeligs, denkt mevrouw Van Son en wordt onrustig, maar
ze durft niets zeggen omdat mijnheer haar reeds herhaaldelijk beknorde
over haar ongepasten toon tegenover dien baardschrapper.
"Een kopje thee, mijnheer Man?" vraagt ze.
Maar Man laat zich niet verbidden. "Dank u mevrouw, dank u,"
antwoordt hij op een toon, alsof hij zeggen wil:
Het nieuws dat ik vernomen heb is van dien aard, dat ik van nu af
aan nat noch droog over mijn lippen zal kunnen brengen.
Mevrouw houdt het niet langer uit. "Iets nieuws, mijnheer Man?"
"Gelijk de bloeme des velds," declameert Man nu, "is
ons kortstondig leven." Dan vervolgt hij op zijn gewonen toon:
"Mijnheer en Mevrouw weten het natuurlijk al?"
"Neen! Wat?"
"Weet u het niet?" vraagt Man en geniet ten volle van de
zegepraal de eerste brenger eener zoo belangrijke tijding te wezen.
"Van meneer De Raat? Weet u daar niets van?"
"Van morgen schel ik aan, - mijn diensten overbodig! Een goede
klant minder, mevrouw. Er viel weinig te scheren en altijd een prompte
betaling."
"Dood?" vraagt mevrouw en huivert.
[20:]
"Dood mevrouw; als het niet oneerbiedig was om zoo over een
goeden klant te spreken, dan zou ik zeggen: dood als een pier!"
"Arme Dora! ze hield zoo innig veel van hem," roept Gertrude
ontsteld. -
"Pa hoort u dat? mijnheer De Raat is dood," vraagt Bernard.
"Ja kind," zegt de heer Van Son ontwakend uit zijn gepeins.
"'t Is zeker heel onverwacht. Waar is Emile?"
"De jonge mijnheer was aan het sterfhuis," bericht Man.
"O zoo? Nu, we zullen van hem wel nadere bizonderheden hooren.
Bernard,'t wordt je tijd. Meneer Man, ik ben gereed."
Er is niets aan te doen; ongevoelig voor de smeekende blikken zijner
echtgenoot, gaat de heer Van Son den barbier voor naar zijn slaapvertrek;
deze heeft nog even den tijd met een plechtig gebaar te mompelen:
"Gelijk een bloem" en de zware deur valt achter hen toe.
Ternauwernood kon de heer Man met zijn kunstbewerking begonnen zijn,
toen er in de donkere binnenkamer een plotselinge verwarring ontstond.
"Eau de Cologne! Spiritus! Water!'
leder der huisgenooten kent de beteekenis van dezen kreet; als de
oorlogsklaroen het strijdros, roept hij allen tot handelen op; Christien
vergeet haar afgemeten tred, terwijl ze naar een kast snelt om den
gevraagden spiritus te krijgen. Bernard legt zijn boeken weer neder
en hoort niet als het schooluur slaat, zoo ijverig besprenkelt hij
zijn mama met Eau de Cologne. -
Mevrouw heeft een van haar kuren, zoo als de meid het zeer oneerbiedig
noemt; ze gilt met kleine korte gilletjes, ze lacht, ze snikt... tot
Christien eensklaps
[21:]
op haar eigenaardigen, koelen toon vraagt: "Is het nu over,
mama?"
"Ja, lieve, ja," fluistert mevrouw gedwee en opent langzaam
de oogen.
Wat maar zeer zelden het geval was bij de zenuwaanvallen van mevrouw
Van Son, het is geen comedie, maar werkelijkheid. Zij beeft over het
geheele lichaam en is doodsbleek, als ze klappertandend vraagt: "Christine,
is het hier niet vreeselijk koud?"
"Neen, mama!"
Christien spreekt de wsarheid; 't is niet kouder dan een oogenblik
te voren, maar mevrouw Van Son blijft huiveren en beven, dien geheelen
langen morgen. -
Er is weinig dat haar treft, weinig dat haar tot ernstig nadenken
stemt, maar zoo'n plotseling sterfgeval,
hu! ze kan er koud
van worden.
Mevrouw Van Son is in geheel Delft bekend om haar vroolijkheid; er
is haast nog geen rimpel te zien op haar blanke voorhoofd, de helderblauwe
oogen schijnen nooit geweend te hebben, en als de leeftijd harer kinderen
niet had uitgewezen hoe oud ze was, zou men haar waarlijk voor een
nog jonge vrouw kunnen houden, maar dan moest er geen sprake zijn
van den dood; dáárvoor had ze een vrees als een kind
voor het donker. Sterven, begraven worden, geheel alleen blijven liggen,
daar buiten op het stille, vervelende kerkhof, terwijl uw vrienden
en kennissen pret maken, terwijl er bals en comedies zijn; terwijl
er nieuwve zomertoiletjes of keurige wintercostumen uitkomen, daar
te moeten blijven liggen in dat akelige doodshemd:..'"brrr"
mevrouw vroeg nog een kop thee, maar vooral gloeiend warm.