[172:] XIX.
Als te voren bestraalde
een vriendelijk zonnetje de controleurswoning, als te voren geurden
en bloeiden de rozen in den tuin, maar daarbinnen was een zonnetje opgegaan,
daarbinnen bloeiden bloesems van hoop en vreugd zoo schoon als nooit
voor dezen.
Toch had de geboorte van den eersteling hun een kleine teleurstelling
geschonken.
Het jeugdig echtpaar namelijk, geheel onbekend met dat veelbelovend,
maar daarom niet minder leelijk artikel: - pasgeboren kinderen - verwachtte
iets heel beeldigs; iets als een wassen popje met roode wangen en blonde
krullen en groote heldere kijkers; ook konden ze, terwijl Niam en mevrouw
Broks met het kleintje bezig waren, haast hun ongeduld niet bedwingen,
zoo verlangden ze om het "beeldige" te zien.
"Een meisje," riep de dokter, "en een heerlijk, dik kind!"
Weinige oogenblikken later legde mevrouw Broks het Emile in de armen.
Emile kuste het paarschroode klompje vleesch met de toegeknepen oogjes,
Dora deed hetzelfde, daar mevrouw
173:]
Broks dit klaarblijkelijk
van hen verwachtte; toen keek Emile Dora en Dora Emile aan en - - -
keken beiden een anderen kant uit.
"'t Is net dat oude vrouwtje uit het gasthuis te Delft," dacht
de jeugdige vader en was boos op zichzelf om die gedachte.
"Een meisje!" zei Dora, " juist mijn wensch! En niet
waar, dokter, ze zal wel opknappen?"
"Astágà, per là!" riep mevrouw Broks
en voor het eerst zagen ze de goede ziel boos. "Opknappen, wel
ja! Broks! Broks! als je toch denkt dat zulke kijk in de werelds een
kind krijgen, alsof het maar zoo niets is, en dan nog durven praten
van opknappen!"
Niam stelde haar mevrouw gerust, zoodra de dokter die, de omstandigheden
in aanmerking genomen, zijn vrouw wel wat druk vond, haar met een zacht
lijntje verwijderd had. Kleine kinderen leken nooit mooi, beweerde zij,
als de oogharen en wenkbrauwen er maar eens waren en de neus wat in
zijn fatsoen was gebracht, dan zou mevrouw eens zien; het was net mijnheer!
- - - -
Nu lachten ze om die vrees. Het oudsch gezichtje had zich ontrimpeld
en ontplooid; het paarschrood was in een zacht rose overgegaan; de groote
kijkers staarden in de van weelde tintelende oogen der verrukte moeder
en nu en dan waagde. Emile reeds te beweren, dat mevrouw Broks volkomen
gelijk had en het een pracht van een kind was.
Heden was het de dag der dagen. Bij het bezoek van den dokter had Dora
gevraagd of ze haar kamer niet zou mogen verlaten, het was zoo zacht
buiten en ze be
[174:]
gon zich zoo te
vervelen. De dokter had gaarne zijn toestemming gegeven en toen Emile
thuis kwam om te rijsttafelen, vond hij zijn vrouw op haar oude plaats
zitten en 't was hem of hij nu eerst ten volle gevoelde welk een schat
hij had mogen behouden; haar, of ze in al die dagen nog niet vurig genoeg
had gedankt voor haar geluk.
"Njonja misti makan," zei Niam, die heel goed bemerkte hoe
Dora het eten vergat om haar man, de duizend kleine liefdeblijken te
schenken, die ze hem zoo lang had moeten onthouden.
Het gerammel en geraas van een reiswagen deed zich op den grooten weg
hooren; het klappen van de zweep, het geroep der loopers scheen Dora
luider dan gewoonlijk, een oogenblik later zagen man en vrouw elkander
verbaasd aan: de reiswagen reed hun erf op.
"Hou je maar bedaard, kind," zei Emile, "ik zal even
gaan zien en je dadelijk bericht brengen."
Maar vooreerst had hij geen gelegenheid tot het nakomen van die belofte.
Uit den grooten wagen steeg, na heel veel voorbereidende maatregelen,
een breede plompe figuur, die met een plof op den grond neer kwam; Emile
voelde twee zware handen op zijn schouders en een diepe basstem bromde:
"Wel kerel, wat doet me dat een plezier! Ja, dat had je niet gedacht
dat je mij hier zoo op eens voor je zoudt zien, maar weet je, wat ik
zeg tegen mijn goed wijf: "Als het kalf niet bij de koe wil komen,
zeg ik, dan moet de koe maar naar het kalf toegaan. En zoo zie je me
hier nu, en als ik mag, dan blijf ik acht dagen.
"Ajo jonges bawa masok barang! Jullie kunt me toch logeeren, ja?"
[175:]
Emile was eerst
alleen verbaasd geweest over den onverwachten gast, maar langzamerhand
bekroop hem een geheime angst, dat die gast of een ontsnapte krankzinnige,
of iemand in zwaar beschonken toestand zijn moest.
"Zeker mijnheer," bracht hij eindelijk uit, "als ik weten
mag, wie u zijt?"
"Wie ik ben?" vroeg de gast, zijn trouwe, bruine oogen wijd
opensperrend van verbazing. "Heb ik je dat nog niet gezegd? Weer
net een streek voor mij! Wel, ik ben oom Jan!"
"Oom Jan? Bent u oom Jan. Welkom, hier! Dora, hier is oom Jan!"
De begroeting was zoo hartelijk, dat oom Jan er de tranen van in de
oogen kreeg; spoedig zat hij tusschen man en vrouw aan de rijsttafel,
en de jongelui hadden gelegenheid den veel besproken oom, eens nauwkeurig
op te nemen.
Er was iets ruws in zijn voorkomen, in den klank van zijn stem, ja,
zelfs in de keus zijner woorden, maar het was de ruwheid van den zeeman,
de ruwheid, die, te midden van de gemaaktheden en onnatuur rondom ons,
het hart weldadig aandoet; de ruwheid, die zacht en week wordt, zoodra
ze te doen heeft met kinderen of vrouwen. Men zag het aan zijn manieren,
dat hij een beschaafde opvoeding genoten had, maar ook, dat hij zijn
leven niet altijd had doorgebracht in de beste kringen der lndische
samenleving. Zijn rug was gekromd, zijn handen waren vereelt, zijn gelaat
was verweerd als van iemand, voor wien het leven niet is voorbijgegaan,
zonder veel werk en veel ontbering; er was echter iets in zijn hartelijken
lach, in zijn krachtigen handdruk, in zijn vriendelijke oogen, dat getuigde,
hoe die strijd
[176:]
des levens, zijn
warm hart trouwen goed had gelaten.
"Wat kijk je me aan, nichtje," vroeg oom Jan, toen ze dien
middag aan de thee zaten, "ben je nog niet gewoon aan dien raren
oom?"
"Neen, dat niet," zei Dora, niet weinig verlegen, "maar
ik zit er telkens over te denken, hoe hat mogelijk is, dat u een broêr
zijt van... papa Van Son!" Het "papa" Van Son kwam er
bij Dora altijd eenigszins aarzelend uit.
"Ja, er is altijd een groot verschil tusschen ons beiden geweest,"
zei de heer Van Son, terwijl een donkere wolk over zijn straks zoo vroolijk
gelaat trok.
"Arnold was een geheel ander mensch; en 't is geen wonder dat hij
zooveel voorspoediger en gelukkiger is in de wereld dan ik."
"O, oom, u begrijpt Dora verkeerd. Zij en papa hebben nooit veel
sympathie voor elkaar gehad en ze heeft me daar straks nog gezegd, dat
uw rond, open gezicht haar zooveel meer aantrok, dan papa's koude trekken."
"Jullie bent een paar lieve, goede kinderen," zei oom Jan
met een dankbaar knikje, "maar je hoeft om mij niet te jokken;
dat Arnold in alle opzichten boven me stond, heb ik altijd geweten en
als ik het niet geweten had, dan zou Lala's gedrag - - - jullie weet
dat toch zeker? - - - ik bedoel, Emile, van je moeder en mij - - -"
"Neen."
"Weet je dat niet? Dat wij een blauwen maandag geëngageerd
geweest zijn - in stilte natuurlijk, omdat ze nog te jong was - en dat,
toen Arnold thuis kwam van de académie - - - enfin, we zullen
maar zeggen, dat ze hem toen verkozen heeft boven mij. Ik dacht, dat
je dat alles wel gehoord zoudt hebben, thuis."
[177:]
"Neen oom,
daar weten we niets van. Zooals ik u van middag reeds vertelde, pa spreekt
heel weinig in den huiselijken kring - en dan nog noemde hij zelden
uw naam.."
"Niet? Maar mijn brieven kwamen toch?"
Een donkerrood overtoog Eijlile's gelaat. "Uw brieven
?"
"Ja, mijn jongen, ik schreef altijd tweemaal 's jaars, en je vader
beantwoordde mijn épistels met een kort maar hartelijk woord.
Heb je nooit iets gehoord van die correspondentie?"
"Om u de waarheid te zeggen, neen," zeide Emile oprecht. "Er
kwamen wel eens brieven, maar papa zei, dat ze alleen over geldzaken
handelden."
"Geldzaken? Wel jongen, als men geen geld heeft, kan men moeielijk
correspondeeren over geldzaken. Maar ik begrijp het wel. Het zal nog
zijn, zooals vroeger. Arnold is me nooit genegen geweest! Nooit! En
dat mijn eenige broêr!" Oom Jan verzonk in droef gepeins
en boog het grijze hoofd dieper en dieper op de breede borst.
Emile legde de hand op zijn schouder. "Al sprak papa niet dikwerf
over u, oom, wij allen hebben steeds in liefde aan u gedacht."
Weldra begonnen de jongelui den eenvoudigen, hartelijken man lief te
krijgen, en hoewel hij zijn verblijf reeds tot veertien dagen gerekt
had, schrikten zij er van toen hij van heengaan sprak.
"U gaat in geen geval weg, vóór u ons uw levensgeschiedenis
verteld hebt," zei Emile.
"Ja oom, dat hebt u ons beloofd, en we rekenen er stellig op,"
riep Dora. "Kom, waarom zoudt u het nog
[178:]
langer uitstellen?
we zitten er nu juist goed voor; zoo echt knusjes."
Knusjes was het in het vriendelijk binnengalerijtje 's avonds na den
eten met Dora aan het theeblad, oom en neef in hun luierstoelen. Oom
Jan, die graag praatte, liet zich dan ook spoedig overhalen, klopte
zijn pijp uit, stopte die op nieuw en begon: "Ik zou het jullie
lang verteld hebben, kinderen, maar ik ben bang dat je misschien minder
goed over je armen oom zult gaan denken, als je alles weet."
"Neen, oom, neen zeker niet!" riepen neef en nicht tegelijk,
"dat beloven we u al vooruit."