AMBARAWA, 1 December.
MIJN LIEVE DOLLY.
Wat eene verrassing
was de brief voor mij, dien ik eergisteren kreeg, begeleid door een
paar lettertjes van je moeder. Wel, wel, kind wie had kunnen denken,
toen ik je den laatsten keer schreef, dat het aan een aanstaand bruidje
was, dat ik mijn woorden richtte.
Welk een toevallige samenloop van omstandigheden, dat je op Makasser
den broeder van je
[74:]
beste vriendin uit
den Haag moest terug vinden; was dat toen niet de jeugdige luitenant,
die zoo gul was met zijn bloemen eh die mij, onergdenkende ziel, altijd
zoo trouw kwam opzoeken!
Nu kindje, ik wil je wel zeggen, dat ik toen een zeer gunstigen indruk
gekregen heb van dien blozenden flinken zoon van Mars, en ook later
met genoegen hoorde, dat het hem in Indië zoo goed ging.
Nu heb je elkaar teruggezien en heeft mijn Dolly haar hartje verloren,
of was je er al een stukje van kwijt?
Dat ik me innig en oprecht verheug in je geluk, behoef ik je wel niet
te zeggen, en dat ik vurig hoop, dat al je illusies bewaarheid mogen
worden, geloof je zeker wel.
Ik ben erg verlangend nader kennis te maken met mijn nieuwen neef; ik
kijk hem nu met heele andere oogen aan, dan toen ik hem in den Haag
bij me een kopje thee zag drinken.
Zijn brief aan je vader heeft een hoogst aangenamen indruk gemaakt,
ik heb dadelijk moeten vertellen of ik hem kende en toen met één
zijn portret gegeven; of het gelijkend was, moeten ze later maar eens
zien.
Jammer dat hij geen ouders meer heeft; zijn mama stierf verleden jaar
is 't niet; je zult hem veel moeten vergoeden Dolly-lief.
Ik ben nu weer voor eenige dagen te Ambarawa geweest, ga vóór
St. Nicolaas terug naar Salatiga, en blijf daar tot. . . . ja wanneer,
dat zal nog wel een poosje wezen. Ik hoop er te zijn, wanneer het eerste
huwelijksfeest in de familie wordt voltrokken, want nu je met Kerstmis
thuis komt,
[75:]
zal 't wel niet
lang zijn, dat we je bij ons mogen houden, vrees ik.
Lange engagementen zijn in Indië in den ban gedaan; nu, de omstandigheden
werken daar ook dikwijls toe meê, vooral in de ambtenaars- en
officiers-wereld, waar men zoo vaak aan overplaatsing onderhevig is.
Ik heb dadelijk naar Holland geschreven over enkele zaakjes, die je
te pas zullen komen; de rest koop je zeker liever zelf; dan gaan we
samen eens boodschappen doen te Semarang of te Soerabaja, en je moedertje,
die niet van huis kan, heeft me vriendelijk verzocht dan als je zachtzinnige
chaperonne alias draak op te treden.
't Is gelukkig, dat je uitverkorene nog niet zoolang geleden te Macasser
is geplaatst; nu heb je alle kans, dat hij er voorloopig blijft, totdat
hij met verlof naar Java gaat om zijn vrouwtje te halen.
En wordt hij eens als post-commandant op den een of anderen post geplaatst;
dan vindt ge beiden 't er toch zeker wel aardig;'t postenleven is voor
een paar jeugdige tortelduiven nog zoo kwaad niet.
Wanneer je verloving publiek is geworden, zal er zeker wel ten huize
van den dokter receptie zijn; tegenwoordig worden die engagement-recepties
wel een beetje opgevoerd, vooral wat de bloemen betreft. Nu kind ik
zal in gedachten dan zeker bij je zijn. Wat zal het je vreemd temoede
zijn, daar tusschen al die onbekende menschen zulk een gewichtigen dag
te vieren.
Vraag een der huisgenooten de namen op te schrijven van al de lui, die
gekomen zijn; je moet
[76:]
daar later je contra-bezoek
brengen met je bruigom in spe.
Ik denk, dat je dan wel een paar visites op een avond kunt maken, behalve
misschien bij de autoriteiten; je cher ami zal dat wel het beste kunnen
informeeren.
Hij zal je wel den weg wijzen in die nieuwe wereld, die hem nu zoo vreemd
niet meer is.
Als je kennis maakt met zijn verschillende chefs en collega's moet je
maar eens opletten hoe ze betiteld worden door de andere dames.
De eene spreekt hen aan als "majoor overste, kapitein, ritmeester"
een andere noemt hen allen "mijnheer."
Ik hoorde eens een vinnig mevrouwtje zeggen, met den neus in den wind,
dat zij nooit de hooger in rang zijnde officieren bij hun titel noemde,
dat behoefde niet, zij diende niet meê en voelde zich volstrekt
niet de ondergeschikte van den chef van haar man. Zie je, dat klonk
zoo onafhankelijk, als iedereen majoor zeide en zij sprak hem aan met
mijnheer.
Nu begreep ik niet, wat voor een enorm verschil er was in die titulatuur,
waarom het "mijnheer", zooveel onafhankelijker klonk dan "majoor"
of "overste", en als het nu einmaal de gewoonte is, vind ik
't veel gewoner er kalm aan mede te doen.
Ik ontmoette ook eens een officier, die verklaarde, dat hij niet verkoos
dat zijn vrouw zich ooit ergens mee bemoeide; voor haar bestonden geen
kapiteins, majoors etc., 't waren allemaal mijnheeren voor haar, dat
meedienen was bespottelijk en zij mocht nooit over dienstzaken praten.
[77:]
Nu Dolly, die mijnheer
hield 't zoo goed vol, dat zijn vrouw precies wist, wanneer hij iets
onaangenaams in de kazerne had gehad, want dan had hij thuis een humeur
als een draak en snauwde en grauwde tegen iedereen. Zie je, zoo diende
ze wèl mee.
Ach ze dienen onwillekeurig allen meê, de officiersdames; of zijn
de etensuren dikwijls niet totaal afhankelijk van den duur een er oefening,
brengen avond-velddienst en manoeuvre niet 't heele huishouden in de
war, wordt de jongen niet op de onmogelijkste uren van zijn werk geroepen
om gauw nog eens voor de zooveelste maal dien dag de sabel of de schoenen
te poetsen, heeft in menig druk garnizoen mevrouw werkelijk geen rekening
te houden met den dienst?
Dat is ook niets, ik wil 't niet eens de schaduwzijde noemen, want,
't komt er maar op aan, met wat handigheid zich te schikken in die kleine
inbreuken op ons vasthouden aan een geregelde wijze van werken.
't Kost een flinke en goede vrouw totaal geen moeite of opoffering,
te zorgen dat alles voor haar man klaar staat, als hij moede thuis komt
en een enkel kwartiertje soms heeft om even te eten en zich te verkleeden;
eens meetedenken om 't het hierin of daarin gemakkelijk te maken, hem
thuis wat afleiding' te bezorgen als zijn werk hem drukt; ja laat zóó
iedere vrouw meedienen, stil, en bescheiden en door hare beschaving
zorgen, dat; thuis de goede, vriendelijke toon gehanhaafd blijft.
Dan zal zij een voorbeeld zijn, en ze een zegen wezen voor haar man.
[78:]
Ja er zijn er helaas, die, 't zij door zwakheid
van den echtgenoot, 't zij door nieuwsgierigheid
en bemoeialachtigheid gedreven, een woordje mee
gaan praten en zoo'n bèetje den dienst helpen
uitmaken.
Ze hebben door vragen (niet altijd even discreet) 't soms erg ver gebracht
in de wetenschap van 't geen er al zoo omgaat in de huis houdentjes
rondom haar en zoo ontstaat langzamerhand 't onpleizierige soort mevrouw,
dat de lakens uitgeeft.
Een werkelijk welopgevoede vrouw doét zoo niet, ze toont 't ten
minste nooit, wanneer ze eens tot vertrouwde wordt gekozen door haar
beteren helft; 't zijn ook meestal de vrouwen, die uit een minder beschaafden
kring als't ware opklommen tot haar tegenwoordig standpunt en nu geen
weerstand kunnen bieden aan 't gevoel van ook eens wat te zeggen te
hebben.
't Is al vele jaren geleden, dät er op een der posten op Atjeh
een kapiteinsvrouw was, die er zóó voor bekend was, dat,
zij vrijwel den dienst uit maakte, dat op een dag het telephonisch bericht
kwam (zij telephoneerde ook altijd zelf), dat het den gouverneur behaagd
had haar over te plaatsen.
Het was natuurlijk een ondeugend streekje van den adjudant, maar wel
verdiend. Ik geloof tusschen twee haakjes nu juist niet, dat de dame
in quaestie een zegen is geweest voor de carrière van haar man.
O, als je later je echtvriend helpt collationeeren, vooral die beroemde
menage-rekeningen, dan doe je niets verkeerds, ook al lach je inwendig
[79:]
om de typische omsohrijvrng van sommige dingen.
Maar spreek er niet over, laat voor de buitenwereld elk woord, dat met
de kazerne in verband staat, nooit over je lippen komen; je zult zien,
dat je er des te hooger om wordt geschat door je omgeving.
Welke vrouw hielp wel niet eens haar man bij zijn arbeid, 't zij dat
ze brieven copieerde, iets voor hem vertaalde, wat aanteekeningen maakte,
ja al was het alleen door met belangstelling te luisteren naar hetgeen
hij haar vertelde van zijn werk; ook waar ze er lang niet alles van
begreep en 't soms ergen drogen kost vond.
Het gebeurde wel eens, dat juist haar onbevangen oordeel een nieuw gezichtspunt
voor hem opende, dat hare vragen hem een ander kijkje op de dingen gaven
en zoo hielp zij hem dan toch zeker wel. Ja, wat kan 't een jong meisje
eigenlijk schelen, hoe 't leger in elkaar zit; maar laat ze eens getrouwd
zijn met een landsverdediger, dan interesseert het haar wel, en ze voelt
zich deel uitmaken van die wereld in het klein.
En juist dat gevoel van tot dien kring te behooren, er voor te voelen,
er zich aan gehecht weten en trotsch er op te zijn er deel van uit te
maken, zal haar door zooveel heen helpen.
't Zal haar vingers handig en vlug en haar gezichtje opgeruimd maken
als een plotselinge overplaatsing haar wegvoert uit eene lief geworden
omgeving; het zal haar allerlei kleine misères flink 't hoofd
doen bieden en doen lachen over moeilijke reizen, slechte huizen en
vreemdsoortige toestanden.
[80:]
Het zal haar leeren
berusten als Atjeh, Djambi, Borneo of welke streek ook haar maanden
lang beroofd van hem, zonder wien ze dacht geen dag te kunnen leven;
het zal misschien ook haar 't ontzettende leed. doen dragen als hij
nooit meer terugkeert van daar-ginds.
En het heeft zooveel goeds dat leven onder gelijk gestemde menschen;
men staat allen aan dezelfde wederwaardigheden bloot, de levens-omstandigheden
zijn vrijwel voor allen dezelfde, en dat geeft ontegenzeggelijk een
soort band.
Over 't algemeen is dan ook de geest onder de officieren vriendelijk
en hartelijk; men heeft wat voor elkaar over en deelt in elkanders lief
en leed.
En men kan perfect buiten twist en tweedracht blijven; 't recept hiervoor
is heel eenvoudig; men heeft noodig een beetje tact, een beetje voorzichtigheid
bij 't aanknoopen van vriendschap, een beetje angst om zich tegen iedereen
uit te spreken, 't absoluut in den ban doen van ochtendvisites en babbelpraatjes
en bovenal den vasten wil om zijn geluk en levensdoel in huis en nooit
daarbuiten te zoeken.
't Is overal wel zoo in eIken kring, maar vergeet niet, dat men nergens
zóó in de gelegenheid is alles van elkander te hooren
en te zien als juist in de kampementen, waar de huizen zoo gehoorig
en de afstanden zoo klein zijn.
Je gaat een onrustig leven tegemoet: heden hier, morgen daar, een leven
met veel goeds, veel eigenaardigs en in veel opzichten zoo anders, dan
al wat je tot nu toe zag.
Ook zijn eigen vormen heeft het en je doet
[81:]
verstandig je daar
zoo gauw mogelijk van op de hoogte te stellen.
Vooreerst moet je èr om denken, dat je altijd zorgt, dat de vrouw
van een officier, die hooger in de ranglijst staat dan je man, alttjd
aan je rechterhand loopt of zit, en dus ook bij het ontvangen van je
contra-visites zit bijvoorbeeld mevrouw majoor aan je rechterhand, mevrouw
kapitein aan je linkerhand, mevrouw 1e luitenant naast mevrouw roajool'
en mevrouw 2e luitenant naast mevrouw kapitein.
Kom je ergens op een concert of uitvoering, ga dan in de pauze even
de dames der hoofd-officieren en kapiteins aanspreken; is er soms een
dame bij, die je nog niet kent, laat je dan even voorstellen.
Ik spreek hier voornamelijk van een kleine garnizoensplaats; op Batavia
zou het ondoenlijk zijn; bepaal je daar dan tot het bataljon waar je
echtvriend toe behoort.
Kom jeluitjes pas aan in een nieuwe plaats, dan beginnen de visites
weer van voren af aan en 't lijstje wordt volgens de ranglijst opgemaakt
- dat is 't eenvoudigste en zoo voelt niemand zich te kort gedaan in
zijne waardigheid.
Het briefje om belet te vragen moet vóór een uur bezorgd
zijn; als er een receptie-dag is uitgeschreven, wordt er geen belet
gevraagd.
Je zorgt om 7 uur er te zijn en wat den duur der visites betreft, die
was vroeger van 7-8 of tot 8 1/2 uur; nu is er eene strooming, die ten
doel heeft meer visites op een avond te maken, dat doe je dus zooals
de meesten het doen.
Als je zoo behoorlijk het lijstje hebt door
[82:]
gewerkt en er tusschen
in de een of andere civiele ambtenaar gelukkig is gemaakt met je bezoek,
komen de contra-visites aanzetten, soms vijf of zes op een avond.
Zorg dan dat alles in de puntjes is, want Dollylief, je wordt van alle
kanten bekeken en gecritiseerd, als je zoo zegevierend als jong mevrouwtje
je eerste schreden zet in de nieuwe wereld.
Bij overplaatsing krijgt men gewoonlijk wel eene invitatie van vrienden
om daar te komen logeeren; bij zulke gelegenheid zijn vooral luitenantswoningen
van elastiek. Als jij eens op die manier gasten krijgt, denk er dan
om, dat je ze presenteert eene afscheidsreceptie bij je aan huis te
geven.
Wordt dit aangenomen, dan breng je alles keurig in orde, alsof je vele
gasten verwacht; je zorgt dus voor ijs, minoeman, sigaren en bedienden,
(je leent wel een paar jongens er voor bij je beste kennissen en geeft
ze een fooi er voor, want bij een luitenantsvrouw vooral is 't aantal
bedienden meestal zeer beperkt).
En als dan de lampen opgestoken zijn, en je vertrekkende vrienden in
de voorgalerij heel netjes aangedaan zitten, verdwijn je met je man
van 't tooneel en vertoont je niet aan de bezoekers.
Je blijft stil in de achtergalerij en illustreert zoo de oude indische
gastvrijheid, door in waarheid je huis af te staan aan je vrienden.
Ken je whisten of hombre spelen Dolly? Neen, nu kindje, zie dan, dat
je het nog leert, want je zult heel dikwijls worden gevraagd, op een
speel-avondje en dan is het erg vervelend, als je niet mee kunt doen.
[83:]
In Holland gaat
de niet-kaartende dame gewoonlijk wat piano spelen of photographiën
en albums kijken, maar piano's zijn in kleinere plaatsen erg dun gezaaid
en photo's houdt ook niet iedereen er zoo op na.
Als je er dus geen gewetensbezwaren tegen hebt, zie dan zoo spoedig
mogelijk achter de geheimenissen van spadille, manille en zooveel aan
trek te komen.
Het is ook erg dienstig als je kunt opteekenen bij 't whisten; wordt
je dan ingedeeld bij andere dames, dan brengt de beleefdheid mede, dat
je aanbiedt voor 't opschrijven te zorgen. Is er een heer aan 't tafeltje,
dan wordt deze met de administratie belast. En nu nog een laatste woordje,
mijn lieve kind, tot besluit.
Als ik je terug zie, zal 't weldra zijn om weer afscheid te nemen. Jij
volgt je bestemming als vrouw, ik keer dan weer terug naar Holland.
Dit zal mijn laatste preekjes-brief zijn; nu moet de practijk maar eens
uitmaken of tante Etiquette 't bij het rechte einde had.
Laat je 'motto zijn: "vrouw te wezen" in de hoogste, beste
beteekenis van het woord, dan zal je een zegen voor je omgeving, het
verwarmende en licht-brengende zonnetje in huis zijn. En met dit afscheidswoord
eindigt de laatste brief van je
oude tante ETIQUETTE.