doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Tante Etiquette: In Optima Forma. Brieven over vormen in Indië
Bandoeng: G. Kolff & Co, 1904


SALATIGA, 15 October

LIEVE DOLLY.

t Was een prettige brief, die me hier te Salatiga verwelkomde bij je lieve ouders. Ja kind, ik ben uit wanhoop een maand eerder uit Bandoeng gegaan, dan mijn plan was. 't Weer was zoo regenachtig en koud, dat er niets van mijn voorgenomen uitstapjes kwam en ik elken dag in het heitel zat uit te kijken naar het zonnetje, dat niet kwam.
Nu later op mijn terugreis kom ik er toch terug en hoop het beter te treffen.

[66:]

't Weerzien kan je je voorstellen. Je lieve vader kwam mij te Toentang van den trein halen en ons ritje naar Salatiga was een waar genot voor mij; iedere bocht van den weg, ieder mooi puntje bracht mij de gelukkige jaren voor den geest, die ik hier heb doorgebracht. En nu logeer ik juist in de kamer, die vroeger ook de mijne was en zit daar ook nu een paar woordjes aan je te pennen, om je eens te antwoorden op alles wat je mij schrijft.
Hoe aardig heb je het getroffen met je pension bij die doktersfamilie; ik heb in Batavia heel toevallig den naam eens gehoord en toen werd mij niets dan goeds zoowel van mijnheer als van mevrouw verteld.
't Is een heel pak van mijn hart; zoo dikwijls al piekerde ik er over, of je wel goed slagen zou; menigmaal toch vallen de menschen tegen als men ze in hun huiselijk leven leert kennen.
Je schijnt het ook nog al te kunnen uithouden, wat je leegen tijd betreft: pic-nics, zangvereeniging en tennis-club; zachtjes aan Dolly, laat je werk er niet onder lijden.
Zie je kindje, je bent zoo lang mijn pleegdochtertje geweest, dat ik in gedachten nog altijd met je meeleef, en me dan soms bekommer over allerlei dingen, even alsof je werkelijk mijn eigen dochtertje was.
Je goede moeder kon me niet genoeg vertellen, hoe trotsch ze op je was, toen je na 10 jaar weg geweest te zijn, thuis was teruggekomen als een volwassen meisje en verbeeldde zich dit alles aan mij te danken te hebben.
Nu Dolly-lief, als ik in jou niet zulk een ijverig,

[67:]

lief leerlingetje had gehad, zou ik zeker niet nu nog durven aankomen met mijn wijze lessen; maar ik weet, dat iedere brief van je oude tante je welkom is, niet waar?
En nu à propos die pic-nics.
Ik heb er wel eens bijgewoond, die alles behalve in mijn smaak vielen; 't begin was wel aardig, maar de heele partij ontaardde dikwijls in een dolle, uitgelaten feestvreugde! En als dan het ongeluk wilde, dat er kalis moesten worden overgetrokken, was het heelemaal mis.
Je hebt nu eenmaal van die meisjes, die zich geen pleizier kunnen voorstellen zonder luidruchtigheid; hoe meer hard gelach en gepraat en gegiechel, des te liever, en wie er niet aan mee doet, kan verzekerd zijn met de noodige lieflijkheid besproken te worden. Volg dit slechte voorbeeld nooit na, Dolly-lief; laat je liever voor een nuf of voor een pretentieus nest uitmaken, dat zijn van die benamingen, die, door zulk een mond geuit, je heusch niet zullen benadeelen.
Jammer, er zijn van die leelijke aanwendsels, waar niet genoeg tegen gestreden kan worden en die zoo menig meisje ernstig afbreuk doen.
Daar heb je bijvoorbeeld, Emmy van Lentegem, je kent haar wel, een achternichtje van Jeanne, ik zag haar heel dikwijls in Batavia, waar zij tijdelijk aan een particuliere school werkzaam is.
Ze ziet er aardig uit, is bepaald zeer goed ontwikkeld, iedereen roemt haar oprechte, vroolijke karakter maar - nu komt de groote maar - ze is zoo vreeselijk slordig.
Als ze 's morgens voor de klasse staat; is 't een soort belangrijk vraagstuk voor de kinderen,

[68:]

wat er vandaag nu eens aan haar kleeding zal ontbreken.
Je zult zeggen, dat is geen aanwendsel, maar een gebrek; neen kindje, ze weet heel goed dat ze zoo is, maar ze heeft zich systematisch aangewend er niet om te geven. Ze vindt, dat 't uiterlijk er niets toe doet, maar alleen het innerlijk er op aan komt; de kleeren maken de waarde van den mensch niet uit, etc. etc.
Maar dit zijn allemaal drogredenen om haar grove fout goed te praten; is het echter niet tegenstrijdig, een slordige opvoedster der jeugd, zij, die toch niet alleen geroepen is, kennis, maar ook beschaving toe te brengen bij de haar toevertrouwde leerlingen?
En dan de meisjes, die er een eer in stellen zich zoo onparlementair mogelijk uit te drukken; ze praten van een " beroerd geval", vertellen met ophef van een "lollige fuif' waar 't zoo "allemachtig leuk" was en geneeren zich volstrekt niet woorden als "lammeling" "gladakker" etc. af en toe in het gesprek te pas te brengen.
't Woord ladylike kennen ze niet dan uit haar boeken misschien en ze zouden het belachelijk vinden als dat woord op haar van toepassing moest wezen.
Er komt zoo dikwijls aanstellerij bij; ze hooren het van anderen en doen het na, omdat ze denken, dat men het aardig vindt.
Dat ze zich er een brevet mêe uitreiken van gemis aan beschaving, zouden ze ongaarne toegeven en je misschien nog uitlachen op den koop toe, totdat ze wat ouder en wijzer worden, maar dan hebben ze hun reputatie al gevestigd en ziet men

[69:]

de goede kern van haar karakter over 't hoofd om alleen op den ruwen bolster te letten.
Zoo heb je van die meisjes, die nu nooit eens flink rechtop staan of zitten, maar altijd een steuntje noodig hebben; of ze staan tegen de tafel of tegen de deur te leunen, of ze zitten in een stoel te hangen à la zoutzak, soms nog met de ellebogen op de tafel, of met de beenen over elkaar geslagen.
Konden ze eens in den spiegel kijken en zien welk een malgracieus, ongelukkig figuur ze op die wijze maken, misschien zouden ze hun houding wel veranderen. Zulke meisje hebben als kinderen zich dat alles al aangewend, soms uit verlegenheid, soms uit onverschilligheid of luiheid, misschien lette er niemand op en zoo was 't ook hier" wat Jantje niet leert, kan Jan niet weten".
Ach er zijn zoo tal van die kleinigheden, die met een beetje moeite best verbeterd konden worden, maar die men op het laatst niet eens meer ziet.
Zoo hindert het mij altijd, als ik ergens kom, dat de gastvrouw met een der gasten een poosje fluistert, of het voortdurend heeft over personen, die de meesten onbekend zijn. Het is onbeleefd, en een dame of meisje, die zoo doet, kan zeker geen aanspraak, maken op den naam welopgevoed te zijn.
Dat fluisteren vooral en dan soms nog liefst achter de hand als er eens ineen clubje een vreemde eend in de bijt komt! Let maar eens op welk een twijfelachtig pleizier de nieuwe gast heeft, die toevallig in het kringetje verzeild is geraakt. Het werkelijk welopgevoede meisje zal haar best doen, 't nieuwelingetje zoo aangenaam

[70:]

mogelijk te zijn, ondanks de spottende - blikken van haar minder beschaafde clubgellootjes, wier schoolmeisjes-aardigheden en - aanwendseis weer boven komen.
Soms spruiten allerlei typische bewegingen voort uit zenuwachtigheid, en dit geldt dan ook als excuus er voor. Wie kent ze niet, die verschillende manieren om een gevoel van spanning of onrust te verbergen. De een wrijft zijn neus, tot hij zoo rood als een radijsje ziet, een ander strijkt voortdurend met de handen door 't haar, een derde knipt met de oogen of bijt zich op de lippen. Ik verbeeld me, dat men met een vasten wil er zich wel tegen verzetten kan, Dergelijke kleine hebbelijkheden zijn echter niet zoo erg, men lacht er eens om en daarmeê uit.
Ernstiger zijn de leelijke gewoonten, die voortspruiten uit gemis aan gevoel of liefde jegens onzen naaste, daar lacht men niet om, integendeel, ze zijn dikwijls de oorzaak van onze tranen.
Zoo zijn er van die pleizierige menschen in onze omgeving, die zich beroemen op een der meest onaangename eigenaardigheden, n.i. om altijd te zeggen wat ze denken.
Nu moet je niet dadelijk je gaan verbeelden, dat ik geen bewonderaarster ben van alles wat waar en eerlijk is - integendeel, ik huldig ook den stelregel altijd en overal oprecht te zijn.
Maar er is een groot verschil tuschen te zeggen wat men denkt en te denken wat men zegt. Ik ontmoette eens zulk een beminnelijk lid van onze samenleving, een dame van circa veertig jaar, gade van een der ambtenaren aan het

[71:]

ministerie van financiên. Wij maakten toevallig samen eene visite bij een mijner liefste kennissen, een vroolijk, opgewekt moedertje van zes gezonde, aardige kinderen, die mij juist zoo aantrekkelijk voorkwamen door hun goede manieren en vriendelijke gezichten.
Voordat we tien minuten gezeten waren, had de waarheidlievende dame alle zes kinders eens even behandeld. "Jan liep zoo voorover, erg leelijk voor een jongen, ze zag hem alle dagen als hij naar school ging; Nelly zag ze dikwijls voorbij vliegen, ze werd toch wel een beetje groot er voor; enne, had ze goed gezien laatst, stonden de voetjes van kleine Mien niet erg naar binnen? En Suusje had ze zien wandelen met dat kind van Baldens, dat was toch geen omgang voor haar, etc. etc. Iedere opmerking werd gewoonlijk besloten met de woorden. "Ja, ja, lieve mevrouw, u weet, ik zeg altijd wat ik denk".
Ik keek 't aardige moedertje eens aan, dat heel kalm toeluisterde en niet veel terug zeide, af en toe gleed er zelfs een ondeugend glimlachje over haar gezicht, toen de lieflijke critiek in ruimer kring werd overgebracht. Toen het toonbeeld van oprechtheid afscheid had genomen en vertrokken was, kon ik niet nalaten nu eens te zeggen, wat i k van h a a r dacht en vroeg mijne gastvrouw, hoe 't kwam dat ze zoo dood bedaard al die onaardige dingen over haar kinderen geslikt had.
"Ach," antwoordde ze "vroeger was ik er zoo kalm niet onder en heeft 't me heel wat moeite gekost niet eens tegen haar uit de varen. Ze is als kind in geen lieven kring groot gebracht,

[72:]

had weinig kennisjes, moest veel ontberen en toen is uit jaloezie misschien die zucht ontstaan om anderen ook eens onaangenaam te zijn. Onze echtgenooten zijn collega's en ze moet werkelijk veel goeds hebben; ik beschouw haar nu maar op dat punt als een zieke en heb een beetje geduld met haar. Vroeger heeft ze niet gestreden tegen dat onaangename trekje en nu kan ze het niet meer laten.
Kinderen kunnen ook op dat punt zoo onbarmhartig zijn; een "hé wat een leelijke jurk" of "wat een malle hoed" verstoort de illusie der kleine draagster, die juist zoo trotsch was op het nieuwe kleedingstuk en treft haar minstens net zoo diep, als wanneer tegen een volwassen persoon wordt gezegd, dat ze er heelemaal geen smaak op na houdt.
Neen, laten we nooit onwaar zijn, en wordt onze opinie gevraagd, dan moeten we die ook eerlijk geven; weten we vooruit, dat ze pijn zal doen, wel dan zijn er nog tallooze manieren, om de pil een beetje te vergulden: "C'est le ton' qui fait la chanson".
Maar noodeloos iemand krenken, menschen en dingen af te breken, zonder dat er naar ons oordeel gevraagd was, feitelijk alleen om onaangenaam te kunnen zijn, is heel leelijk, ongemanierd.
En het eigenaardige van het geval is, dat al de geestverwanten van vriend Robertus Nurks nooit 't mooie, goede en edele schijnen te zien, maar alleen oog hebben voor de schaduw-kanten van 't leven.
Geen leelijke aanwendsel en slechte ge

[73:]

woonten je eigen gemaakt, maar streven naar 't goede overal in.
Leer een kind de trappelende beentjes stil houder, leer 't meisje beschaafd Hollandsch spreken, leer den jongen behoorlijk op zijn taal en manieren letten; plaats nagels bijten, verwarde haarbossen, rouwrandjes om de nagels, fluiten, gillen en schreeuwen op den index en, grooter geworden, behoeven ze geen slechte gewoonten af te leeren.
En iets afwennen is moeilijk, geloof je ook niet?
En nu Dolly lief - neem ik voor eenigen tijd afscheid van je; ik ga een paar dagen eens rond kijken op Ambarawa en Magelang, en dan zal er van schrijven wel niet veel inkomen. Stuur je brieven maar naar Salatiga, dan krijg ik ze wel. Houdt je maar goed, doe mijne vriendelijke groeten aan de familie Funker, als je ze eens opzoekt en schrijf eens spoedig
aan je tante E.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina