BATAVIA- 14 Augustus.
LIEVE DOLLY.
Mijn laatste dagen
lieten me geen kwartiertje overhouden voor een briefje aan je, zoo bezet
was ik, dan met dit en dan met dat.
Mijn garderobe heeft een paar veranderingen ondergaan, want 't bleek
me, dat ik toch nog te weinig rekening had gehouden met de temperatuur
te Batavia.
We gingen 's avonds veel toeren, dat blijft voor mij altijd een groot
genot, vooral als de maan helder schijnt; wat een eigenaardig licht
zoo wit en helder, en wat doen die klapperboomen en bamboe-boschjes
dan mooi tegen de met sterren bezaaide lucht.
We gingen ook nog een paar maal uit en van een van die uitgangen zal
ik je wat vertellen.
We waren geïnviteerd bij de familie van Dolden; hij is een collega
van Frits, ze studeerden
[27:]
samen in Leiden
en nu zien ze elkaar veel. Toevallig had ik ze nog nooit ontmoet, daar
mevrouw wat ongesteld was geweest, maar veel over hen hooren praten
en dan wel gemerkt, dat, bij hare vele lieve, goede eigenschappen, mevrouw
nu niet direct haar man een hemel op aarde bereidde, dank zij haar zenuwachtigheid.
Nu dan, we reden tegen 8 uur er heen en 't helder verlichte huis maakte
dadelijk een aangenamen indruk. Mijnheer van Dolden leidde mij den trap
op, dank zij mijn grijze haren genoot ik die eer, en begon mij dadelijk
zijn excuses te maken, dat zijn vrouw juist even naar de achtergalerij
was gegaan.
Frits keek me eens aan; hij begreep, dat in mijne schatting mijne gastvrouwe
al dadelijk eene aanteekening voor gedrag had opgeloopen.
Er waren veel menschen, enlrele oude kennissen trof ik er bij aan, en
juist stond ik even te praten met de jonge mevrouw Filsen, toen er haastig
een dame de voorgalerij kwam binnenloopen, die er vreeselijk warm uitzag.
Mijn gastheer bracht mij dadelijk in kennis met zijne vrouw, die mij
een koude hand toestak, (ze had ze blijkbaar pas even gewasschen) en
mij duizend excuses! maakte over hare te late verschijning - "maar
de jongens zijn ook zoo onbegrijplijk en ik werd even naar achteren
geroepen, ziet u."
Een tijdje lang bleef 't gesprek nog doorgonzen, totdat een jongen aankondigde,
dat de soep op tafel stond.'
Wij wandelden naar de achtergalerij, en ik zag zoo in 't voorbijgaan,
dat 't een mooi huis
[28:]
was, smaakvol gemeubeld.
Later hoorde ik, dat Mr. van Dolden de eer toekwam, dat iedereen zijn
huis om strijd prees, want dat hij 't smaakvolle element vertegenwoordigde
in zijn woning.
In de achtergalertj gekomen, die een tooverachtigen indruk maalcte,
door zijn vele bloemen, helder licht en fraaie palmen, keek ik onwillekeurig
naar de borden om mijn plaats te vinden.
Mis, er lagen geen naamkaartjes en helaas, mevrouw scheen vergeten te
zijn, hoe ze ons had willen plaatsen. Na eenige: "och lieve mevrouw
wil u daar gaan zitten" en "mijnheer toe, neemt u hier plaats,
of neen, een stoel verder", zaten we eindelijk en als ik mijn gastheer
gelooven mag, net waar we niet hadden moeten zitten.
Maar hij wilde zijn vrouw blijkbaar niet nog zenuwachtiger maken, dan
ze al was en liet haar stil haar gang gaan.
Ik zat vlak tegenover mijn gastvrouwen genoot dus ten volle van al haar
blikken en gestes.
Kindje, vóór de croquetjes had ik 't al warm, alleen door
haar aan te zien.
De soep was zóó zóó; ze gaf mij 't idée,
dat de kokki op Indische wijze, eerst de soep had laten verkoken, en
toen uit kassian met de gasten er een plomp water in had gegooid. Nu
was dat zoo erg niet geweest, als mevrouw niet dadelijk haar jeremiades
over kokki was begonnen, die, zooals ze zeide, haar altijd koopjes gaf,
als ze gasten had.
't Menu gaf mij grooter dunk van de gulheid mijner gastvrouw, dan van
haar tact en ondervinding op dit gebied, maar o, Dolly, wat eene bediening!
Telkens bij 't verwisselen der borden gleed een
[29:]
bruine hand langs
mij heen om mijn mes weg te nemen en daarbij werden de jongens steeds
in de war gebracht door de telegraphische teekenen van mevrouw. 't Goede
mensch at niets, sprak af en toe slechts met hare buren en deed niets
dan rechts en links angstig kijken naar de jongens, die dan teruggewenkt
werden, als ze een verkeerden schotel brachten, of bij de verkeerde
dame begonnen te dienen.
En wat waren de menschen grappig aan tafel geplaatst; en jong mensch
uit den handel zat aan mevrouws rechterhand, een oude rechterlijke ambtenaar,
wiens vrouw ongesteld was, aan haar linker; naast mij zat een verliefde
luitenant, die booze blikken toewierp op den grijzen heer, die 't voorwerp
van zijn hulde blijkbaar een beetje 't hof zat te maken.
't Gesprek vlotte dan ook niet erg en na dat we onze koffie, die zich
lang had laten wachten, uitgedronken hadden, was ik waarlijk blij naar
huis te kunnen gaan.
Hoe menigmaal had ik den tijd zien voorbijvliegen, en de menschen met
vroolijke gezichten aan een tafel zien zitten, telwijl 't menu lang
zoo schitterend niet was, en de omgeving zeker op verre na niet zoo
luxueus.
Dat kwam, doordat deze gastvrouw tegen de meeste regels der wellevendheid
had gezondigd zonder 't te willen of te weten.
Als gij, lieve Dolly later gasten vraagt, denk er dan omt dat je verantwoordelijk
bent voor hun amusement, zoolang ze onder je dak zijn; vraag ze dus
nooit of wees zeker, dat ze zich ook zullen amuseeren.
[30:]
Maak eerst zorgvuldig
een lijstje van de menschen, die je vragen wilt; denk eens na, of ze
harmonieeren, en kies dan hun plaatsen aan tafel zóó uit,
dat ten eerste niemand zich te kort voelt gedaan en er de meeste kans
bestaat, dat iedereen zich aangenaam gestemd voelt.
Aan de rechterhand van de gastvrouw behoort de voornaamste heer uit
't gezelschap te zitten; zijne vrouw zit naast den gastheer, jongelui
zet men naast elkaar en liefst zoo, dat een stil meisje in de nabijheid
van een vroolyken prater komt.
Leg dan de naamkaartjes op de borden, dan kunnen je gasten dadelijk
hun plaatsen vinden.
Kies een menu uit, dat de krachten van je kokki niet te boven gaat,
want ik veronderstel nu maar, dat er geen kok in je buurt woont, en
dat je daar dus je troost niet kunt zoeken.
Twijfel je er aan, of ze 't een of ander niet zal bederven, wel maak
dan 't meeste vooruit klaar, er valt heusch best een dinertje te geven,
waarvan 't grootste gedeelte van te voren klaar gemaakt is.
Geef heldere en duidelijke bevelen aan den jongen, maar niet te veel;
ze zijn zoo gauw in de war gebracht, en kijk, daar kom ik meteen op
een punt, dat ik al zoo vaak eens met je wilde bespreken.
Al is je huis je nog zoo klein, als is de dagelijksche maaltijd nog
zoo eenvoudig, laat 't altijd netjes opgediend worden; laat je tafel
er altijd keurig uitzien.
Dat je tafellaken van keper is, wel, dat beduidt niets, maar laat 't
helder zijn, leer den jongen, dat de tafel steeds netjes gedekt moet
zijn, zet
[31:]
eens een paar bloemen
op tafel, zorg dat glaswerk en servies, lepels en vorken, alles glimt
en schittert, en dan, hoe eenvoudig 't eten ook zij, 't zal er je des
te lekkerder om smaken. Is de jongen gewend nooit voor je heen te reiken,
kleine borden voor vruchten of 't toe schotelt je te geven, stil en
kalm borden en vorken te verwisselen, wel wees dan ook niet bang, dat
hij 't juist andersom zal doen als er gasten zijn
Zorg, dat je achtergalerij heelemaal klaar is vóór je
je kleeden gaat, kijk eens extra naar de lampen of ze goed branden,
bezie de gedekte tafel met een critisch oog, zet alles klaar voor den
minoeman vóór de koffie en 't likeurtje nà tafel,
schik zelf de bloemen, leg op je aanrechttafel al 't zilver en de flessen
zóó klaar, dat er geen vergissen mogelijk is, kijk nog
eens even in de keuken, en dan als je denkt, dat alles nu in orde is,
wel Dolly-lief, ga je dan rustig kleed en, en ga kalm in de voorgalerij
zitten om je gasten af te wachten.
En loopt er iets mis, wel doe dan of je 't niet ziet.
Ja, ik weet 't wel, een pudding, die inzakt is vreeselijk; maar als
hij lekker is, zal niemand er verder over denken, mits de gastvrouw
niet zelve tien maal herhaalt, dat ze er zoo verlegen mede is en dat
't haar heusch anders nooit gebeurt.
Zulke dingen gebeuren. overal wel eens, geloof me, en 't beste is er
zelf maar om te lachen.
't Is eens voorgekomen, dat er een groot diner bij een hooggeplaatst
ambtenaar gegeven werd.
Hij was gezegend met een lieve, zachte vrouw en drie der stoutste jongens,
die men zich denken kan, brandals van 't ergste water.
[32:]
Nu, de soep was
genuttigd en pasteitjes werden voorgediend; mevrouw ving wel hier en
daar een grappigen, verbaasden blik op, maar niemand zeide wat, tot
de gastheer eensklaps uitriep: "Vrouw, die dingen zijn leeg."
Ja, dat hadden de lui ook wel gezien, en ook, dat ze blijkbaar vol waren
geweest.
De hoopvolle zoontjes hadden ze stilletjes even in de spenkamer leeggelikt!
Tableau!
Iedereen lachte er eigenlijk om, maar de gasthéer was zóó
boos (hij was nu eenmaal wat driftig uitgevallen) dat de stemming totaal
bedorven was.
Zie je Dolly, dat waren die leege pastei-korstjes toch met waard geweest,
en 't ongelukkige was, dat nu natuurlijk iedereen er over sprak en de
leege pasteitjes 't onderwerp van heel wat babbelpraatjes waren.
Toen ik als jong meisje in Holland eens een diner bijwoonde, zag ik
een voorbeeld van kalmte en savoir vivre bij de gastvrouw, dat mij steeds
bijgebleven is.
De koffie en 't likeurtje waren afgeloopen, er werd wat muziek gemaakt
en in een suite was een theetafel door den knecht klaargezet.
Ik kende al dat fijne blauwe porselein, en wist van hoeveel waarde ieder
kopje was. Nu, zooals gewoonlijk, beijverden de jongelui zich om de
dames een lcopje thee te geven, toen eensklaps een hunner (hij had den
bijnaam van Jan Ongeluk) hoe, weet nog niemand, tegen de theetafel liep
of stootte, en plotseling kantelde de tafel en lag alles op den grond,
in gruzelementen. Je begrijpt de consternatie, 't jonge mensch, dood
verlegen
[33:]
en zich mijlen onder
den grond wenschende, en mevrouw, wel Dolly, ze was even bleek geworden,
maar ze zei niets anders dan -"o 't is niets, heusch niet,"
en ze glimlachte even. Wat die glimlach haar kostte, weet zij alleen.
Ze liet vlug alles opruimen, een ander theeservies komen en 10 minuten
later was 't àlsof eI' niets gebeurd was, en was 't gesprek weêr
in vollen gang.
Ik heb haar toen zóó bewonderd als ooit te voren, en begrepen
hoe 't kwam, dat zij, die lieve, beschaafde vrouw beroemd was als eene
volmaakte gastvrouw; 't was voor allen een lesje geweest.
Als je bij me komt logeeren zal ik je haar portret eens laten zien.
O ja, nu zou ik je nog even wat vertellen van een jongelui's diner,
dat we l.l. Vrijdag bijwoonden bij den zwager van Jeanne, je weet hij
heeft zijn zusjes bij zich gelogeerd en dan is er voortdurend wat te
doen.
't Zijn aardige meisjes, net zoo als ik mij mijn dochters zou wenschen,
als ik ze had. De oudste Jetty, kwam dadelijk bij me zitten babbelen
en vertelde vol trots, dat zij dapper had meegeholpen om alles in orde
te maken, en dat ik eens moest kijken of ze niet goed mijn raad had
opgevolgd niet de tafelversiering. Ik had nl. haar verteld, dat ik uit
Holland gaande, daar bij al de afscheidsfeestjes zoo getroffen was door
't mooie effect van slechts één soort bloemen te gebruiken,
of alles rose rozen, of heliothrope, of een klein mooi soort begonia's,
of alleen gele rozen, enfin wat ge maar wilt, met chevelures of asparagus
als groen. De kappen van de lampen moeten dan in overeenstemmende kleur
zijn en gebruikt
[34:]
men soms crèpe
bloemenpapier onder de vruchten, dan moet dat ook in dezelfde tint wezen.
Nu, hier was alles rose, de lampenkappen, de beeldige la France's op
tafel en de aardig geschikte omhulsels overal om de bloempotten heen.
De naamkaartjes lagen op de servetten en 't was een alleraardigst gezicht
al dat jonge, vroolijke goedje.
Ik had de meesten reeds meer gezien, twee meisjes waren mij echter totaal
vreemd, ik had haar namen bij de voorstelling onduidelijk gehoord, en
alleen even kunnen verstaan, dat ze voor haar pleizier te Batavia waren
en ergens op een koffieland in 't Kedirische woonden.
Ze zaten schuin over me aan tafel en waren ze me eerst reeds opgevallen
door haar weinig smaakvolle, opzichtige toiletten, spoedig kon ik niet
laten, telkens naar dat tweetal te kijken.
De eene, blijkbaar de jongste, sprak niet veel, maar at des te meer,
en Dolly-lief haar wijze van eten deed mij rillen.
Haar soep werd opgeslurpt, in plaats van onhoorbaar naar binnen te glijden,
ze hield bij 't vleesch snijden haar vork recht in haar linkervuist,
en liet haar mes heerlijk erlangs schuren, zoodat de vork af en toe
uitgleed en een stukje vleesch over de tafel vloog.
Als ze drinken wilde, veegde ze niet eerst haar mond af, zoodat haar
glas weldra een mooi vetrandje had; ze sprak af en toe met een vollen
mond en, o hemel, als ze onder 't eten sprak, ging de rechterhand, met
de vork als een zwaard er in geklemd, de hoogte in en werd zelfs heen
en weer bewogen, om iets met klem te beweren.
[35:]
Frits, die naast
haar zat, hield later vol, dat hij doodmoe was van al de snelle bewegingen,
die hij met zijn hoofd had moeten maken om een zijner oogen niet onbarmhartig
uitgepikt te zien worden.
Aan 't dessert schilde ze haar manga, en Dolly, schrik niet! ze zoog
dien af, zoodat de heerlijke, zwartachtige druppels langs hare handen
op 't tafelkleed en haar japon terecht kwamen. Ik had nog nooit zulk
een ongemanierd schepseltje gezien en zag ook heel goed hoe angstig
Jetty naar dien kant zat te kijken.
Haar zuster at minder; maar praatte zonder ophouden, lachte om de minste
kleinigheid schaterend, en haar luide stem klonk onafgebroken over de
tafel heen. Daarbij keek ze haar cavalier soms zoo overmoedig aan, dat
't iedereen opviel en haar gedrag reeds veroordeeld was voor de tafél
afgeloopen was.
Vraag je mij nu of ze er eenige notie van had, dat de menschen haar
heelemaal niet aardig vonden, dan zeg ik neen..
Sommige meisjes denken een indruk te geven van volkomen op haar gemak
zijn, door zich zoo aan te stellen...:
Jetty's buurman was een jongmensch, dat ook blijkbaar nog een politoert
je noodig had; hij wist zeker ook niet, dat men zijn mes in de rechter,
de vork in de linkerhand houdt; dat men nooit voor zijn dame heen praat,
en dat 't al 't toppunt van onbeleefdheid is zoo druk met zijn eene
tafeldame te praten, dat men de andere den rug toe keert.
Ja ja, de jongelui,tegenwoordig lachen dikwijls
[36:]
om al die kleinigheden en toch, hoe-veel onaan gename oogenblikken kon
men zich besparen door eens wat meer om de goede vormen te denken.
't Is niet belachelijk om beleefd te zijn, behoor lijk aan tafel te
zitten, met zijn buurvrouw een gesprek aan te knoopen over een onderwerp,
dat haar interesseert, en die enkele regels in acht te nemen, die de
wellevendheid voorschrijft.
Bij zich zelve thuis aan de rijsttafel een kippepootje afkluiven, wel
dat doet iedereen, maar als er gasten zijn, zou ik 't toch liever maar
laten.
En zoo zijn er tal van kleine vormen, die een ieder wel kent en weet,
maar dikwijls niet in acht neemt, of uit een zucht tot zoogenaamde onafhankelijkheid,
of doodeenvoudig uit onver schilligheid en gemakzucht.
Ziezoo Dolly lief, nu is mijn brief lang genoeg en heb je alweer een
preekje van je liefhebbende
tante ETIQUETTE.
BATAVIA, 1 Sept.
LIEVE DOLLY.
Ach, wat een verdriet, en dat nog wel terwijl er een groote wensch van
je vervuld is. Geplaatst bij het Gouvernement en benoemd tot hulponderwijzeres
; maar kindje ik dacht, dat ik een jubelbrief zou krijgen in plaats
van de enkele droevige regels, die je mij zondt. 't Is waar, Makasser
iseen heel eind van Salatiga, en't zal je zeker hard vallen, na drie
jaar zoo gelukkig samen te zijn
[37:]
geweest opnieuw afscheid te moeten nemen van je lieve ouders.
Maar ik begrijp zoo goed, dat je langzamerhand tot 't besluit kwam,
zelve de handen aan den ploeg te slaan nu na de laatste drie slechte
jaren 't inkomen van je braven vader zoo achteruit is gegaan. Er valt
iedere maand zooveel te betalen nu de drie broers ook in Holland zijn
en Lientje nog een jaar moet studeeren voor ze klaar is.
't Hoofdje maar moedig omhoog, Dolly lief, je zult eens zien hoe rijk
je je zult gevoelen, als dat eerste verdiende geld voor je ligt en met
welk een trots je dien eersten keer in je kasboek zult opschrijven:
"ontvangen traktement."
Makasser is een prettige plaats, wel warmer dan Salatiga, dat is zeker,
maar frisch en indertijd heel gezellig.
Ik heb direct naar mijn oude vrienden Frinker geschreven en hun gevraagd
je bij aankomst van boord te willen halen en je bij hen te willen ontvangen.
Het zijn erg gastvrije opgewekte luidjes, ze bleven in Makasser wonen
omdat hun beide kinderen er voor goed gevestigd zijn. Je bent dan voorloopig
prettig onderdak en kunt dan eens uitzien naar een geschikt pension.
Ik zou je niet raden in een hotel te gaan, als 't eenigszins anders
kon; licht vindt je een aardige familie, bij wie je kunt inwonen je
bent nog zoo jong en 't is voor den eersten keer, dat je geheel zelfstandig
zult zijn, en de wereld is voor zulke jeugdige bloempjes van 21 lentes
vol gevaren.
Je zult nu dikwijls alleen uitgaan, visites maken en ontvangen, alleen
moeten décideeren welke
[38:]
kant de beste is,
je zult vele en velerlei soorten menschen ontmoeten en heel veel zal
er afhangen van je optreden in deze nieuwe wereld.
Je vraagt mij in je brief je nog eens uitvoerig te schrijven wat je
alzoo doen moet, wat betreft bezoeken brengen en ontvangen, daar je
in de laatste jaren op het koffieland zoo weinig menschen ontmoet hebt.
Nu kind, ik ga eens recht op mijn praatstoel zitten om dit hoog ernstige
onderwerp à fond met je te behandelen.
Ik wil eerst eens beginnen met je reis naar Soerabaja, die je denkelijk
wel alleen zult doen. Wel kindje, stuur al je goed vooruit als vrachtgoed,
of heb je daar geen tijd meer voor dan als bestelgoed; je hebt nog een
paar dagen rust in Soerabaija, immers; want je blijft zeker een paar
dagen bij je vriendin Coba logeeren.
Pak zooveel mogelijk alles en alles in die koffers en zorg dat je in
den trein niets bij je houdt dan een mandje met wat eterij, voor onderweg
en wat kleinigheden. De kleeren, die je bij aankomst direct noodig hebt,
kan je als bagage meenemen.
Je gaat zeker in één dag door, 't is wel een heele zit,
maar je komt, als je uit Toentang 's morgens om 7 uur vertrekt, 's avonds
tegen 7 uur te Soerabaija, juist een prettig uurtje om je lekker te
malcen en uit te rusten.
In Madioen kan je zeker wel wat eten krijgen, zorg er voor wat djeroeks,
een paar sandwiches, wat chocolade en wat wijn met water bij je te hebben.
Kleedt je zoo luchtig mogelijk, in een linnen japon bijv.; je kunt in
den trein best je hoed afzetten; als je bang bent voor rugpijn, neem
dan een klein kussentje mee.
[39:]
Zorg voor een boeiend
boek; 't kort de reis zoo op, af en toe eens een uurtje te kunnen lezen.
Zoodra je in Toentang in den trein bent gestapt, zoek je een prettig
plaatsje uit, knoopt liefst geen gesprek aan met je medereizigers; wordt
je wat gevraagd, dan geef je een kort, beleefd antwoord en kijkt weer
in je boek als teeken, dat je 't gesprek liever niet vervolgt.
Voorstellen doet men zich niet in den trein;
't is nu wel eenmaal, vooral hier in Indië een ingeworteld idee,
dat men niemand een woord kan toevoegen zonder in optima forma gepresenteerd
te zijn, maar in den vorm is 't toch niet.
Overkomt 't je dan ook, dat de een of andere medereiziger zich aan die
fout schuldig maakt wees dan niet erg toeschietelijk, want hij weet
heusch niet hoe 't hoort. Trouwens, op reis, als men met volkomen onbekende
menschen in den wagon zit, is en blijft het gevaarlijk te voorkomend
te zijn; 't blijkt later menigmaal dat men zich in het uiterlijk der
menschen vergist heeft en een korystondie,venschte kennismaking heeft
aangeknoopt.
Daarom zorg, dat je alles bij je hebt, wat je noodig kunt hebben: klein
geld, eau de cologne of iets dergelijks, dan behoef je niemand om hulp
te vragen.
Je zult ook in Europa dadelijk merken of de reizigers ondervinding hebben
op dat punt; die tot de rubriek bereisde menschen behooren, praten weinig
of niet onderweg, en nooit over intieme onderwerpen; ze gaan kalm hun
gang, vragen niet bij ieder station, waar ze nu zijn, en eten geen groote
cadetjes uit vette papiertjes, uit angst zich zelf een paar vlekken
te bezorgen.
[40:]
Ik heb wel eens
met menschen in een coupé gezeten, die voortdurend praten wilden,
mij uithoorden over 't doel van mijn reis en me binnen 't half uur geheel
op de hoogte hadden gebracht van al hun familierelaties; zie je Dolly,
dat waren misschien uitstekende brave menschen, maar bereisd en werkelijk
beschaafd waren ze niet erg.
Hier in Indië loopt men zeker vrij wat minder kans met gevaarlijke
sujetten onderweg in aanraking te komen, wat zoo dikwijls in Europa
't geval kan zijn, maar toch zou ik ieder alleen reizend jong meisje
aanraden zoo stil en teruggetrokken mogelijk te zijn.
In Soerabaija zal Coba je zeker wel van den trein komen halen; informeer
dan tevens eens naar je goed, en geef je duidelijk adres op; het bespaart
je een gang naar het station, wat ook weer iets voor heeft als men logeert
bij iemand die rijtuig houdt; onwillekeurig is men bevreesd misbruik
van zijn gastvrtjheid te maken op 't punt van den wagen te vragen.
Nu je zult dan zeker nog een paar aardige dagen te Soerabaija hebben
voor je naar Makasser oversteekt met een der booten van de Pakketvaart.
De reis duurt niet lang, een paar dagen slechts, maar je kunt op dat
korte traject geducht schommelen, reken daarop, als je last van zeeziekte
hebt.
Neem voor 't dek een makkelijken rottanstoel mee, de krossi malas aan
boord leveren geen geschikte zitplaats op voor jonge meisjes, en doe,
wat ik je in mijn eersten brief reeds schreef en zorg, dat je een goed
uurtje vóór 't vertrek aan boord bent, om je hut een beetje
op orde te maken.
[41:]
Je zult zelve wel
zien, dat 't veel huiselijker toegaat op een pakketboot, dan op de groote
mailboot, en Dolly lief, neem 't goede hiervan aan en vermijd 't minder
goede.
Kleed je in bébé of reform, nooit in sarong en kabaija,
je weet trouwens, hoe ik er tegen ben dat iemand anders dan de huisgenooten
een jong meisje in die kleederdracht ziet.
Houdt je maar heel kalm aan boord, je zult het er zeker uitstekend hebben,
want bijna zonder uitzondering zijn de booten keurig netjes, de officieren
beschaafde hulpvaardige lui, is 't eten uitmuntend en zijn de jongens
goed gedresseerd; zelve deed ik zoo menig reisje in onze archipel, en
weet er van mee te praten.
Het is volstrekt niet noodig als de boot vol is, dat je kennis maakt
met alle passagiers; is er een getrouwde dame aan boord, die je aardig
lijkt, sluit je dan wat meer aan. Licht vindt je er iemand die je kent.
En nu stel ik me maar voor dat je rustig een nachtje bij de Frinkers
geslapen hebt en je er over denkt waar je eerste schreden heen moeten
gedaan worden.
Natuurlijk begin je bij 't hoofd van de school, waaraan je geplaatst
bent, de meisjesschool, niet waar?
De hoofdonderwijzeres komt na éénen thuis, zorg, dat haar
dan je briefje wacht, waarin je belet vraagt. 't gemakkelijkste is je
briefje in enveloppe te sluiten met een schoon leitje; daar kan dan
dadelijk 't antwoord op geschreven worden.
De vorm ken je wel: "Geachte mevrouw of Geachte Juffrouw met de
naam er achter."
[42:]
Indien het U gelegen
komt, zoude ik gaarne heden in den vooravond u een bezoek komen brengen.
Beleefd groetend blijft ik achtend uw Dienstw. en dan je naam.
Je hebt van te voren reeds geinformeerd hoever de hoofdonderwijzeres
van je vandaan woont en je zorgt dan precies ten 7 Ure bij haar te zijn.
De volgende dagen komen je collega's aan de beurt, en dan de autoriteiten
op de plaats. 't Beste is aan de hoofdonderwijzeres een lijstje te vragen
van de personen, aan wie je een bezoek schuldig bent; zij is reeds sedert
eenigen tijd op de plaats en kan je het beste raden.
Als je ergens een bezoek brengt, waar zich reeds getrouwde of oudere
dames bevinden, vraag je beleefd aan de gastvrouw om je eens voorte
stellen. Zij doet dit door eerst jou naam te noemen en dan die der oudere
dame.
Een heer, oud of jong wordt daarentegen aan jou voorgesteld; zijn naam
wordt dus eerst genoemd dan die van je zelve.
Bij 't voorstellen worden tallooze malen fouten gemaakt, hoe dikwijls
hoorde ik niet oude dames aan jeugdige deerntjes voorstellen of jonge
meisjes aan heeren. 't Is dikwijls een gevolg van zenuwachtigheid of
onbekendheid met vormen en 't is toch zoo gemakkelijk te onthouden.
Spreek de beide namen altijd duidelijk uit, 't geeft zoo'n gedwongen
conversatie, als men voorgesteld zijnde, nog niet weet met wien men
spreekt.
Ongelukkig treft men het, als degene, die ons voorstellen moet, onze
naam vergeten is, wees dan niet beleedigd, Dolly, geloof me 't is voor
[43:]
haar veel pijnlijker;
doch kom met een vriendelijk lachje of een grapje te hulp; de memorie
gaat bij ons allen in Indië achteruit en 't is heusch niet iets
om kwalijk te nemen.
Ik woonde vele jaren geleden eens een typische scène bij, die
ik je even wil vertellen.
In een der garnizoensplaatsen op Java zou de generaal der afdeeling
komen inspecteeren; hij logeerde bij den assistent-resident en in den
vooravond was er receptie "met dames" zoo als het in de garnizgensorders
heette.
Om 7 uur was het een heele file voor de voorgalerij, de bataljons adjudant
stond naast den generaal om hem de officieren en hun dames te presenteeren.
Twee luitenants met hun jeugdige echtvriendinnen waren samen opgewandeld,
en bij het opgaan der trappen, had mijnheer A aan mevrouw B de arm geboden,
terwijl zijne vrouw met mijnheer B daarachter aan kwam. De adjudant
kende natuurlijk beide families heel goed, doch, hoe 't kwam weet niemand,
misschien was hij ook een beetje zenuwachtig, maar hij noemde heel kalm
op "mevrouw en mijnheer A," en toen "mevrouw en mijnheer
B."
Vier paar oogen kelcen even verbaasd op, doch, om den plotseling vuurrood
uitzienden adjudant geen koopje te geven, werd zwijgend voor den generaal
gebogen en doorgeloopen.
Op dit oogenblik was het zeker een blijk van goede opvoeding, de vergissing
niet te releveeren, maar ach, wat werd de arme voorsteller geplaagd
met zijn "changez de dames" en hoeveel malen moest hij niet
hooren dat de heeren nog geen
[44:]
altruisme genoeg
bezaten om eene dergelijke verwisseling van echtgenoote goed te keuren.
Denk er om Dolly, als je visite ontvangt, de dames dadelijk te vragen
hare handschoenen uit te trekken, mocht er eens een officier bij zijn,
dan verzoek je beleefd zijn sabel af te willen doen.
Tracht 't gesprek die richting uit te brengen, dat het zoo min mogelijk
persoonlijk blijft; probeer eens wat andere zaken op het tapijt te brengen,
je zult zien het gesprek wordt er zooveel te levendiger door.
Als je zelve ergens een visite maakt zullen de andere de richting wel
aanwijzen, dan heb je gewoonlijk veel te luisteren en weinig te praten.
En goed luisteren is een heele kunst, die lang niet iedereen verstaat;
de meesten praten liever zelf en hebben geen geduld een ander aan te
hooren.
Spreek liefst nooit over personen, als je niet heel goed de menschen
kent, tegen wie je praat, 't is nu eenmaal een treurige waarheid, dat
men door het verkeerd overbrengen van zijn woorden het slachtoffer kan
worden van te veel openhartig vertrouwen.
Als je met vreemden in gezelschap bent, zet dan een driedubbele wacht
voor je lippen; akelig hé Dolly al die waarschuwingen, maar kindje
de wereld is niet altijd even mooi.
Op een receptie gaan de jongelui dikwijls à part in een zijkamer
of in de achtergalerij zitten, die dan ook daarvoor wat gezellig is
gemaakt, de getrouwde dames en heeren blijven in de voorgalerij.
Zelden wordt gebroken met de oude indische
[45:]
gewoonte de dames
en heeren à part te zetten en toch zou menige receptie minder
vervelend zijn, als men voor goed die stijve manier van ontvangen afschafte.
Ik ben nu een oude vrouw, en durf het gerust te zeggen, maar ik amuseer
me veel beter als het gezelschap een bonte rij vormt, dan op die geiten
partijtjes.
Dames hebben elkaar dikwijls zoo weinig te zeggen, als ze elkaar voor
't eerst ontmoeten en dan hier in ons zonneland is een visite en vooral
eene receptie voor menige huismoeder een plaag.
Gewoon zich niet dikwijls te kleeden, heeft ze 't heel warm in de mooie
japon, ze piekert over de kinderen, en voelt zich absoluut ongenoeglijk,
allemaal dingen die nu niet direct animeerend op het gesprek werken.
Zit ze nu naast een dergelijk slachtoffer, dan kan je verzekerd zijn,
dat er geen twintig woorden worden gesproken, en de waaiers alleen druk
in de weer zijn.
Maar laat er eens een prettige prater naast haar zitten, die zijn wereld
en zijn menschen kent, dan spant zich al meer en meer 't straks nog
zoo ernstige gelaat; ze vergeet de warmte, de nauwe japon en de kinderen
en als 't 8 uur slaat, begrijpt ze zelve niet, waar dat uur gebleven
is.
En ten spijt van al mijn achtbare zusters feministen, superieure vrouwen
etc. dun ik met mijn grijze haren best bekennen, dat ik in een groot
gezelschap van vreemde of bijna vreemde menschen liever tusschen twee
heeren dan tusschen twee dames zit.
[46:]
Zou 't niet komen,
omdat de meesten zich ook dikwijls weinig moeite geven eens aan 'tgesprek
mee te doen?
En nu is dit een heele lange brief geworden en neem ik afscheid van
je. Tot spoedig lieve Dolly, wees in gedachte de hand gedrukt door
je tante E.