VI.
IN TOSARI.
Pengantin knarsetandde van woede en spijt, toen hij zijn prooi zag ontsnappen; nog was zijn toestand niet benijdbaar. De schutter moest zich terzijde van
[130:]
den weg aan de
helling van het diepe ravijn verschuilen; maar wie was de man, die in
het hartje van de Tengersche bergen zich van Europeescne vuurwapens
bediende? De Prins kon deze vraag niet beantwoorden; hij hield er zich
ook nauwelijks mee bezig; al zijn gedachten waren gevestigd op het beste
middel, om zich uit zijn moeilijken toestand te redden.
"Ge hebt genoeg de lafaards gespeeld!" sprak hij tot zijn
kruipende, bevende gezellen, "we moeten bedacht zijn op tegenweer,
ik ben alleen en gewond, zoo kan ik niets uitrichten. Samen zullen wij
sterk zijn tegen de aanvallers. Staat op, gij, die ongedeerd bleeft;
en helpt mij den ellendeling te zoeken en naar verdienste te straffen."
"Heer, wie zegt u, dat gij met menschen te doen hebt en niet met
geesten?"
"Geesten zouden zich van kogels en pistolen bedienen. Ha, ha! Bijgeloovig
gebroed! Bedenk, hoe gevaarlijk onze toestand is, wanneer gij daar onbeweeglijk
blijft; we moeten vóór- of achteruit! Zullen wij den tocht
voortzetten naar de Dasar?"
"Neen, neen! De goden zijn te vertoornd, zij willen onze offers
niet."
"Ik dacht, dat gij slechts Allah aanbadt en zijn profeet gehoorzaamdet,
hoe kunt ge dan de goden der heidenen vreezen? In elk geval, wij mogen
geen tijd verliezen met lange reden, maar moeten eerst met den vijand
afrekenen."
"Wat zullen onze krissen vermogen tegen zijn vèrreikende
wapenen?"
"Laat ons naar de Dasar opstijgen, dan is tenminste onze terugtocht
verzekerd, zoo Mas Lembono, ons vergezelt."
In den somberen gloed, die uit Pengantins oogen lichtte, lazen zijn
mannen maar al te wel, dat hij zijn heilloos voornemen, om Siwangi te
ontvoeren, nog niet had laten varen.
[131:]
"Wellicht
is de geheimzinnige beschermer der deern langs die struiken teruggekeerd
naar Tosari en wacht ons daar af met nieuw geweervuur. In het opstijgen
is het minste gevaar te vreezen; daar boven weet men nog niets van 't
geen ons hier wedervoer."
"Maar de geesten zullen het reeds weten," waagde er een te
zeggen.
"En Amin, die gewond is?"
"Leg hem neer, straks vinden wij hem terug, ik ook ben gewond.
En Hassan verroert zich niet, hij is dood! Welnu, werp hem in den afgrond!"
Na deze wreede bevelen te hebben uitgedeeld, bond Pengantin zijn bloedenden
arm in een zijden doek, die zoo pas Siwangi het roepen had moeten beletten,
besteeg zijn paard en steeg opwaarts, schoorvoetend gevolgd door zijn
aanmerkelijk verminderd gevolg.
Siwangi zat intusschen snikkend en sidderend onder het afdak bij haar
vader; de weinigen, die achtergebleven waren in de dessa, omringden
het meisje en toonden haar de levendigste belangstelling.
Met wijd geopende oogen zag haar vader haar aan; zijn oude, gerimpelde
handen beefden sterk, maar geen woord ontsnapte zijn mond; telkens viel
zijn hoofd op zijn borst neer.
"Siwangi," riep een der vrouwen, zie naar uw vader!"
Onmiddellijk staakte het meisje haar door tranen en snikken afgebroken
verhaal en snelde naar den grijsaard, die het hoofd tegen haar schouder
liet vallen, diep zuchtte en stierf.
Te midden der verwarring kwam een vreemdeling nader.
"Daar is de ellendige roover, de moordenaar!" gilde een vrouw,
hem met den vinger aanwijzend, "O waren wij slechts mannen! Zijn
laatste uur had, geslagen."
[132:]
"Wees niet
zoo overijld, vrouw! Indien er een onder u gered werd uit de handen
van schandelijke misdadigers, dan heb ik er het mijne toe gedaan. Vraag
het meisje zelf, of ik haar schaker ben."
Siwangi was te overmand door smart, om het gelaat op te heffen en zich
om te keeren.
"Zijt gij mijn redder? Uw stem is niet die van mijn verderver?"
snikte zij, "o, waarom moest mijn vader juist nu sterven, vóór
dat hij u zijn dank gebracht heeft, wellicht zijt gij wel een afgezant
der machtige goden! Hoe 't ook zij, ik ben u dankbaar en ook mijn bruidegom
zal u op zijn knieën vereeren."
De vreemdeling schudde zacht het hoofd.
"Meisje, ik kom hier in treurige tijden, zie ik, gij omringt daar
een doode, maar toch, zoo ge meent mij eenigen dank verschuldigd te
zijn, geef mij de aalmoes van eenig voedsel. Sinds dagen dwaal ik tusschen
de bergen rond, zonder mijn bestemming te kunnen vinden, ik hoorde een
doordringend gillen - ik begreep, dat men een meisje met geweld ontvoerde
en schoot mijn pistolen in het wild af. Wien ik getroffen heb, weet
ik niet."
"Gij hebt mij meer gered dan het leven," zuchtte Siwangi,
"en nu ontnemen de almachtige goden mij mijn geliefden vader, maar
slecht is 't van mij, nu alleen aan mijzelf te denken en niet aan u,
mijn redder! Alles wat wij hebben, alles wat wij kunnen, is te uwer
beschikking! Buurvrouw, ik weet niet wat ik zeg, ik geloof dat ik krankzinnig
word. Geef den dappere rijst, vruchten, klappermelk en legèn
[Verfrsisschende drank.] laat hem uitrusten binnen ons huis!"
Zij viel weer op het levenlooze lichaam haars vaders neder; met betraande
oogen zag haar redder het arme meisje aan. Hij zag er uitgeput uit,
zijn
[133:]
kleederen, welke
die van een gewonen Javaan schenen, waren gescheurd en bemorst, zijn
voeten doorwond, ook zijn gelaat droeg sporen van de verwondingen, door
scherpe doornen veroorzaakt; de loopen zijner pistolen waren anders
door den breeden buikband verborgen, nu echter staken zij er duidelijk
zichtbaar uit. Zijn kleur was veel lichter dan die der overige Javanen,
ook de trekken waren te regelmatig en te kloek besneden, om aan een
Javaan van onvermengd ras toe te behooren. De vrouwen haastten zich
hem verfrisschende dranken en versterkend voedsel toe te dienen; een
andere trachtte Siwangi van 't lichaam haars vaders te verwijderen.
"Laat mij begaan, vriendin!" smeekte zij, "laat mij zoolang
ik kan mijn vader omhelzen! Morgen reeds zal ik hem moeten toevertrouwen
aan de kille aarde. Vervloekt de hartelooze indringer, die zijn laatste
oogenblikken zoo zwaar deed zijn!"
En langzaam keerde zij zich om en wendde het gelaat naar haar redder,
dien zij nog niet had aangezien, maar nauwelijks had zij hem aangestaard,
of zij deinsde ontzet terug. Gillend verborg zij het gelaat in de handen.
"Hij is het!" riep zij uit, "hij. . . . de prins!"
"Maar kind! de smart doet u verdwalen! Hoe kan hij dezelfde zijn,
die u aanviel? Niets vorstelijks is er in zijn kleeding, in zijn voorkomen.
Zie hem goed in 't gelaat!"
De twee vrouwen dwongen haar met zacht geweld, de handen van de oogen
weg te nemen en den vreemdeling, die haar vol deelneming beschouwde,
van meer nabij te bezien.
Huiverend naderde zij hem, al haar leden trilden, zij durfde de oogen
nauwelijks opheffen; maar toen hij vriendelijk sprak:
"Kom nader, arm meisje! Zie me aan, ik ben degene niet, die u zoo
wreed behandelde," begon zij meer moed te vatten.
[134:]
"Ik vergis
me," stamelde zij eindelijk, "uw trekken zijn bijna die van
Mas Pengantin, maar uw gelaatskleur is lichter en uw stem niet scherp
en barsch als de zijne, zelfs wanneer hij liefkoozen wil. Vergeef mij,
de smart maakte mij schier waanzinnig! Gij zoudt broeders kunnen zijn,
maar twee broeders geheel verschillend van inborst en neigingen."
Zij liet zich nu gedwee als een kind naar binnen leiden; vervolgens
droegen de vrouwen onder luid snikken en klagen ook het lijk van den
grijsaard in de hut, waar zij hem de laatste zorgen wijdden. Intusschen
was de vreemdeling, in wien wij Robert herkenden; op de baleh-baleh
rustig in slaap gevallen; toen hij ontwaakte stond de zon reeds hoog
aan den hemel, een verward gedruisch van aankomende mannen en vrouwen
deed zich hooren, vol vroolijke scherts en druk gepraat.
Groot was hun ontzetting, toen plotseling Siwangi met verwarde haren
en dik bekreten oogen hen tegemoet vloog.
"O broeders, o bruidegom! weent met mij, klaagt zoo luide, dat
de onsterfelijke goden het hooren! Onze vader is niet meer!"
"Hij is gestorven en op dezen vreugdedag? Wee ons, dat voorspelt
niets goeds!"
"En hoe is hij gestorven! Ach! bijna had nog grooter ramp ons getroffen,
uw zuster, uw bruid ware weggevoerd geworden door een gewetenlooze prins.
Schande en oneer ware haar deel geworden; en onze arme vader zou geschandvlekt
nederdalen in de koele aarde!"
"Meisje, ge spreekt koene taal! Zeg ons, wie heeft zich aan u vergrepen?
Wie verkortte het leven van onzen eerbiedwaardigen vader?"
"De zoon van onzen vorst, de onwaardige Mas Pengantin. Slechts
huichelarij deed zijn broeder u vergezellen op den heiligen tocht; een
voorwendsel zocht hij om mij te belagen. Hij wist, dat ik alleen
[135:]
zou achterblijven.
Hebt ge hem gezien in de Dasal met zijn gewonden arm?
"Inderdaad, we zagen hem, hij trof zijn broeder aan bij het feest:
Welk loon moet den verrader treffen?" "Zullen we onze bruiden,
onze zusters niet onbeschermd achterlaten in onze huizen?" riep
de vurige Dorowadi uit, "nooit hebben wij den strijd gezocht, nu
echter is 't onze plicht, ons te wreken op den ellendeling, die misbruik
maakt van zijn vorstenbloed."
"Maar wie heeft u gered, Siwangi?"
"Deze held," antwoordde het meisje en wees op Robert, die
met kalmen blik de verontwaardiging der Tengereezen beschouwde. "Hij
is mijn redder, Dorowadi, laat ons hem danken!"
En beiden knielden voor hem neer en kusten zijn voeten.
"Wonderlijk," fluisterde een der landlieden tot den andere,
"als ik het niet beter wist, zou ik zeggen, prins Pengantin in
eigen persoon."
"Ja, de gelijkenis is treffend- maar ook het verschil valt dadelijk
op."
Dien nacht werd er weinig geslapen in Tosari; de jongste broeder van
Siwangi en Dorowadi, gevolgd door verscheidene jongelingen, bleven waken.
Hun voorzorg was niet nutteloos; midden in den nacht hoorden zij de
tjemaraboomen, die den bergrug bedekten ruischen, de takken. der hooge
varens kraakten als werden zij vertrapt; alles deed een overval vermoeden,
de jonge mannen ijlden naar de paggers en stelden zich in staat van
tegenweer, hoewel zij zich nog schuil hielden. Uit de diepte stegen
de mannen op van Mas Lembono, vereenigd met Pengantins helden; behoedzaam
naderden zij het dorp, dat zij in diepe rust gedompeld waanden.
De door zijn hartstocht verblinde prins ging aan hun hoofd, hij toch
wist den weg naar het huis; hij
[136:]
vreesde de geweerschoten
niet meer, hij had alles vergeten, alles, behalve het voorwerp van zijn
brandend verlangen. Niets zou gemakkelijker zijn, meende hij, dan te
dringen in de woning, waar Siwangi sliep, het meisje in de verwarring
te rooven, terwijl de dessabewoners met zijn gevolg slaags raakten.
Als het inlanders gold, die zichtbaar waren bovendien, dan kon hij gerust
op hun moed vertrouwen; hij zou met Mas Lembono in allerijl wegvluchten,
de mannen bleven vechten, wellicht zouden de Tengereezen al zijn dienaren
vermoorden, wat nood? Hij en zijn broeder met het geroofde meisje waren
veilig, al moesten er velen geofferd worden, hij had zijn doel toch
bereikt.
Met dit plan naderde Mas Pengantin den pagger, toen plotseling het luide
geroep van: "Amok, Amok!" weerklonk, toortsen flikkerden van
alle kanten, een roodachtig licht gloeide boven de dessah, alles verliet
de huizen en snelde voorwaarts naar den pagger.
Ook Robert was opgestaan, hij laadde zijn pistolen en ijlde met de dorpelingen
de aanvallers tegemoet. Reeds bij de eerste schoten, die hij loste,
ontstond er verwarring in het kamp, niemand durfde nog een stap voorwaarts
doen, want zij misten allen vuurwapenen.
Die met los kruit in het wilde schoot werd hun aller meester, de beide
prinsen zagen, dat hier niets te doen viel en volgden weldra de vluchtelingen,
die in allerijl tusschen de bosschen verdwenen.
In Tosari echter bleef men den nacht doorwaken, en bewees schier godsdienstige
eer aan den ridderlijken beschermer hunner woningen.
Den volgenden morgen werd het lijk van Siwangi's vader in linnen gewikkeld,
en de geheele familie, gevolgd door alle dorpelingen, vergezelde het
onder luid gejammer naar de begraafplaats. Daar was een graf van drie
voeten diep gegraven; men legde er het lijk in, zorg dragende, dat het
hoofd naar den
[137:]
Bromo gekeerd werd;
zijn zonen bedekten het toen met bamboes, waarvan een holle bamboe ter
hoogte van den mond overeind werd gestoken; daarin moest Siwangi gedurende
zeven dagen een verkwikkenden drank gieten, om haar vader den dorst
te lesschen; andere spijzen werden dicht bij het graf geplaatst.
Nu keerden de familieleden zich tot elkander en vroegen op schreienden
toon:
"Ontbreekt er ook een uwer?"
En allen antwoordden jammerend en klagend:
"Ja, één ontbreekt. De oudste, de beste onder ons;
onze veelgeliefde vader!"
Eindelijk namen zij met gebogen hoofden en vol teekenen van rouw den
terugweg aan.
Zeven dagen lang moest den doode spijs en drank gebracht worden, daarop
maakte men de bamboe dicht en staakte het brengen van eten; uit den
stam van een pisangboom werd een soort van pop gevormd, waarvan hoofd
en armen rijk met bloemen werden behangen. Deze plaatste men bij de
heilige haardstede, waar haar eten aangeboden werd onder het opzeggen
van gebedformulieren, het besprenkelen met water en het branden van
wierook.
De oudste zoon nam eindelijk met grooten eerbied de pop in de armen
en ging naar buiten, door de anderen gevolgd.
"Ach," weeklaagden allen, "waarom verlaat gij ons? Waren
wij niet goed voor u? Hebben wij u niet opgepast met alle zorg en liefde?
En nu gaat gij heen!"
Met veel plechtigheid werd dat zoogenaamde beeld van den afgestorvene
eindelijk verbrand.
Deze zeven dagen bracht Robert bij de goede, eenvoudige menschen door
en deed nieuwe krachten op voor de moeilijke en gevaarlijke taak, die
hem opgedragen was.
Tot nu toe had hij nog zeer weinig daarvoor kunnen verrichten, want
toen hij in Pasoeroean aan
[138:]
kwam, werd hem gezegd,
dat Radhen Wiro Negoro in zijn buitenverblijf te Kotta Malang verblijf
hield.
Robert droeg allerlei Hollandsche snuisterijen bij zich, die hij van
plan was, aan het hof te verkoopen, om zich aldus ongezocht den toegang
tot het paleis te verwerven; voorloopig had hij onder het volk verkeerd
en uit hun gesprekken zooveel mogelijk bijzonderheden opgevangen van
de regeering van Soerapati. Zijn koopwaren, kleine spiegeltjes, miniatuur
huishoudelijke voorwerpen van gedreven zilver, platen en vrouwensierselen
werden bewonderd en veel gekocht.
"Waarlijk, als ik hier geen ander doel had dan te verkoopen, zou
ik kans hebben gauw rijk te worden," dacht Robert, maar het verkoopen
was bijzaak en hij moest zorgen, dat zijn voorraad niet uitgeput raakte.
Hij had een paar prachtige oorknoppen meegekregen, die voor de vorstin
Radhen Goesik Kousouma bestemd waren en die hij dan ook haar alleen
wilde laten zien; hij vroeg om den weg naar Malang en het toeval beschikte,
dat hij met eenige Tengereezen, die hem spoedig als de eerlijkste en
meest vertrouwbare Javanen voorkwamen, een gedeelte van den weg kon
maken; de bergbewoners hadden echter haast om het groot feest bij te
wonen.
Na hem den weg zoo goed mogelijk te hebben uitgelegd, verlieten zij
hem aan den voet van den berg en nu raakte hij aan het dwalen; ondanks
zijn kompas, was 't hem onmogelijk zich door deze wildernis een weg
te banen. Hij besloot toen op te stijgen, in de hoop een dorp aan te
treffen, of ten minste een gedeelte van de feestelingen op hun terugtocht
van de Dasar; in plaats daarvan was 't hem gegund den roof van Mas Pengantin
te beletten en de dankbaarheid te verwerven der eenvoudige landlieden,
die hem niet wilden laten gaan,
[139:]
vóór dat hij geheel hersteld was van zijn vermoeienissen.