V.
MAAGDENROOF.
Fijne, wazige sluiers ragden over de ribben en valleien van het Tengergebergte, zachtkens losten
[117:]
zij zich in de
gulden zonnestralen op en alles lachte in het jonge morgenlicht.
De trotsche kruinen van den Ardjoeno en de machtige bergkolos van den
Kawi verheffen zich in het Westen, met den kegelvormigen, ruwen Penangongan,
de groene hellingen van den Tenger dalen als de ontzaglijke treden van
een gigantentrap af naar de verre, zilverglanzende zee, waarop de scheepjes
deinen als witte en zwarte vogels zacht op en neer.
Tusschen de bergen breidt zich het hoogvlak van Malang uit, met zijn
hoogliggende rijstvelden, grillig in donker en lichtgroen; de lichte
dampen, over de laagte zwevend, temperen de al te schelle kleuren; schitterende
banden flikkeren tusschen de zilvergrijze mistsluiers, dat zijn de .stroomen,
die van de bergen ruischend zich naar zee spoeden.
Tegen een der ruggen, die straalsgewijze uitgaan van den kraterrand
der Tengersche bergen, ligt het dorp Tosari, door het eigenaardige volk
der Tengereezen bewoond; links en rechts van de smalle vlakte, waarop
het dorp zich genesteld heeft, vallen de bergwanden bijna loodrecht
naar beneden; een frissche plantengroei, die niets tropisch heeft, vult
de ravijnen en berghellingen. De tjemarabosschen wuiven zacht heen en
weer, terwijl in hun schaduw geurige aardbeziën, thijm en vlier
naast reusachtige varenplanten bloeien. Onbeschrijfelijke frischheid
vervult de lucht, de nachten zijn hier koud en de dagen missen de verzengende
hitte, die de tropische zon uitstraalt; tuinen, waarin maïs en
uien verbouwd worden, hangen tegen de steile hellingen en vervangen
de rijstvelden, die hier ontbreken, terwijl de huizen, omstreeks veertig
in getal, alle in één richting gebouwd zijn, zoodat zij
uitzicht geven op den heiligen berg Bromo, en de kratertoppen van het
Tengergebergte.
Die huizen hebben een eigenaardig langen vorm en strekken tot woning
aan verscheidene gezinnen;
[118:]
aan het hoofdeinde
van het huis bevindt zich de heilige haard, waarin het vuur, uit den
berg Bromo afkomstig, onophoudelijk brandt en nimmer uitgedoofd mag
worden.
De offeranden van het gezin worden dagelijks op dit altaar neergelegd;
de eenvoudige lieden brengen hun bloemen en vruchten, de eerstelingen
hunner akkers, ten offer.
Heden echter zijn de tuinen en huizen verlaten, de nijvere landbouwers
hebben schop en spade laten rusten; een feestelijk aanzien ademt het
dorp, hoe stil en verlaten het ook schijne. Een enkele grijsaard zit
onder het afdak zijner woning; een enkele vrouw versiert met bloemen
den kalfskop, die heden boven het huisaltaar prijkt, terwijl eenige
kinderen aan het spelen zijn binnen de hooge pagger, rondom de huizen.
Het is de dag, bestemd voor het groote feest van Kasodo; alle bewoners,
op de afgeleefden van dagen, op de zieken en hun verpleegsters na, zijn
opgegaan naar boven, naar de ontzaglijke zandvlakte of Dasar, waarboven
de heilige Bromo zijn kruin verheft, om daar het groote offer aan hun
Oppergod en de mindere goden te brengen. Mannen, vrouwen en kinderen
hebben in alle vroegte den berg bestegen, om zich in de Dasar; een geheimzinnig
meer van zand tusschen de rotswanden en spitse steenblokken besloten,
te verzamelen. In die vlakte komen de bewoners van alle dorpen in de
valleien en op de bergtoppen bij elkander; de vrouwen blijven achter;
de mannen klimmen op naar den krater om onder het uitspreken van gebeden
en formulieren hunne offeranden in den af grond neer te werpen, waarin
zij meenen, dat de groote Batoro Goeroe zijn verblijf houdt.
Is de tocht volbracht, dan keeren zij terug, zetten zich gezamenlijk
aan den offermaaltijd en kee
[119:]
ren tegen het vallen
van den avond terug naar hun eigen dorpen.
Terwijl alles daar boven vereenigd is en Tosari, het grootste der dorpen,
stil en uitgestorven schijnt, nadert een twintigtal mannen de in de
rots gekapte ruwe treden, die tot het dorp toegang geven.
"Zij zijn allen weg," sprak hij, die de aanvoerder van den
troep scheen, "het zal niet baten, of wij ons daarbinnen begeven.
Zij, die wij zoeken, is er toch niet."
"Men kan 't niet met zekerheid zeggen; haar vader is oud en zwak,
wellicht heeft zij hem niet verlaten."
"Het zou ons veel moeite besparen, zoo wij haar hier konden aantreffen;
de dwerg heeft toch gezegd, dat zij de anderen wellicht niet zou vergezellen."
Een jong meisje was intusschen uit een der huizen getreden door de eenige
deur, die toegang naar buiten verleende, zij bracht de hand voor de
oogen en staarde op naar boven, waar een glinsterende rookwolk, als
een reuzenpluim uit den bergtop steeg en zachtkens wegdoezelde in de
lucht.
Het was een mooi, slank meisje; haar dikke lokken vielen, nog vochtig
glanzend van het geurige water, waarin zij ze had gewasschen, los over
haar schouders, zij droeg een mand vol bloemen in de linkerhand; haar
groote zwarte oogen bleven met eerbied op den Bromo gevestigd en een
droevige uitdrukking gleed over haar gelaat, tegelijk met een zucht,
die haar lippen ontsnapte, maar dadelijk weer speelde er een glimlach
over, terwijl zij met haar bloemen plaats nam onder het afdak, naast
een ouden man, die zich in de zonnestralen zat te koesteren.
Zij zette zich aan zijn zijde neer, nam de melatiknoppen in haar hand,
ontdeed ze van de harige kelken en stak ze toen in de slangvormige bladen
van kenanga's, waardoor de eenvoudige bloem niet
[120:]
alleen versierd
werd, maar ook tevens de beide zoo verschillende geuren zich met elkander
vermengden.
"Betreurt mijn dochter het niet, dat zij hier alleen moet achterblijven,
terwijl haar bruidegom en al haar speelgenooten deelnemen aan het groote
offerfeest?" vroeg de grijsaard.
"Hoe kan ik iets betreuren, dat mij reden geeft tot vreugd, of
is het geen vreugde voor mij, dat mijn vader de volheid der jaren genieten
mag en ik bij hem mag blijven?"
"Het is een overbodige zorg van mijn lieve Siwangi, dat zij het
gezelschap offert van haar vriend en haar vriendinnen om mij dezen dag
gezelschap te houden. Niets zou mij heden ontbroken hebben; ik ware
stil op mijn plekje gebleven, een gedienstige buurvrouw had mij licht
eenige versnaperingen gebracht en zij zou mij bij uw terugkomst hier
weergevonden hebben, zooals zij mij verlaten had."
"En als weer een ongeval mijn armen vader treffen moest, als hem
de wereld opnieuw onzichtbaar werd, gelijk onlangs, toen ik met mijn
broeder en schoonzuster onzen tuin omspitte en wij hem bewegingloos
terugvonden op de bank binnenshuis? Neen vader, voor alle schatten,
die de goede Godin verleenen kan, zou ik u dezen dag niet alleen hebben
gelaten."
"Moge Batoro Goeroe, de algoede Schepper en Behouder van alles
wat bestaat, uw kinderlijke liefde zegenen, mijn dochter, en u naast
uw bruidegom Dorowadi, een lang en gelukkig leven schenken. Hij verleene
mij de gunst, uw bruiloft nog in persoon bij te wonen, en niet onder
de levenlooze beelden plaats te nemen, die de plechtigheid opluisteren."
"O, vader, uw sterfuur zal nog lang verwijderd zijn."
"Mijn kind, de tong spreekt zoo gaarne uit, wat het hart wenscht,
maar het lot der menschen hier beneden staat niet in de macht van den
sterve
[121:]
ling; het is de
onveranderlijke wil der heilige Godheid; wat eenmaal beschikt is, moet
gebeuren, er is geen ontwijken aan de bestellingen des Hemels. Dood
en leven behooren den grooten Albeschikker toe; hem te wederstreven
is groote zonde."
"Siwangi weet het, vader, en daarom heeft zij het vuur hoog doen
opvlammen en het versierd met kransen van bloemen en vruchten, nog een
kroon van deze welriekende kenanga's en melati's wil zij samenvoegen
om ze aan den verheven geest van den Bromo ten offer te brengen. Morgen
zal zij met Dorowadi nogmaals den berg beklimmen en de zandzee doorwaden,
om haar gaven neer te werpen in den eerbiedwaardigen vuurmond. Zij zal
het doen om den zegen te vragen voor onze echtverbintenis en tevens
om een lang en gezond leven voor haar vader af te bidden."
"Laat uw hart geen wantrouwen koesteren, Siwangi, jegens de raadsbesluiten
der Godheid; wanneer zij bepaald heeft, dat de dagen van haar dienaar
zullen eindigen, vóórdat uw vereeniging met Dorowadi gesloten
is in een der gunstige maanden, dan zullen uw vrome offers, mijn arm
kind, dit lot niet afwenden van mijn hoofd. Oorlog en dood, leven en
lijden, dit alles hang af van de wil der verhevene hemelmachten, het
is met mogelijk daaraan te ontkomen! En wat zou ik ook nog meer wenschen
op deze aarde? Zijn mijne zonen niet gelukkig met de vrouwen hunner
keuze, heeft mijn dochter niet haar woord gegeven aan den man, wien
ik haar gaarne vertrouwde? En bovenal mag ik niet tevreden zijn, daar
thans uit mijn land de goddelooze volgelingen van den Islam verdreven
zijn en onze vorst, evenals wij, eenvoudige bergbewoners, den almachtigen
Batoro Goeroe, als zijn Opperheer erkent en vereert?"
"Radhen Wiro Negoro heeft hem een heerlijken tempel toegewijd."
[122:]
"En zijn zoon
heeft. zich bij ons volk gevoegd om de geesten der Dewahs in hun verblijfplaats
te vereeren."
Men zegt immers, dat Mas Lembono zich ook naar ie Dasar heeft begeven.
De groote Bromo vergelde het den machtigen der aarde, als zij hem ootmoedig
vereeren."
"Moge het waarlijk ootmoed en godsvrucht zijn, die den prins deden
besluiten deel te nemen aan ons feest."
"En wat zou het anders kunnen zijn, Siwangi?"
Het meisje antwoordde niet, zij hoorde stappen de woning naderen.
"Het zal onze buurvrouw zijn," sprak zij en stond op - het
was echter geen vrouw, die plotseling voor vader en dochter verscheen,
maar een man, nog in den eersten bloei des levens; zijn kleeding was
van fijne stof, maar bijna geheel onder een lang afhangend jak verborgen.
"Wees gegroet, jonge dochter," sprak hij en met de handen
op de borst gekruist, boog hij zich eerbiedig voor de schoone Siwangi,
"veroorloof een armen verdwaalde, dat hij het nederig verzoek tot
u richt, hem den weg te wijzen naar de grijze zandzee."
"Niets zal haar aangenamer wezen, Heer, dan u op het goede pad
te voeren," antwoordde Siwangi vrijmoedig en zich tot haar vader
wendend, vroeg zij: "veroorlooft gij uw dochter, vader, dat zij
dezen vreemdeling een eind begeleide?"
"Wie zijt gij?" vroeg de grijsaard, en richtte zijn doordringende
oogen op den nieuwaangekomene.
"Ik ben niet alleen, oude vader!" hernam deze, "daar
komen mijn gezellen. Wij behooren tot het gevolg van prins Lembono,
die opwaarts gestegen is, om aan den heiligen berg zijn hulde te brengen,
doch in de duisternis van den nacht verloren wij hem uit het oog, dwaalden
door de bosschen en
[123:]
zegenen liet toeval,
dat ons op dit bekoorlijk plekje bracht."
"Wanneer gij een vriend zijt van den zoon van onzen edelmoedigen
en dapperen vorst, dan roepen wij u van harte welkom toe. Had de ouderdom
mijn beenen niet stram en stijf gemaakt, ik zou opstaan van mijn zitplaats,
om u nederig te begroeten en u tevens te verzoeken aan uw oppermeester
te zeggen, hoe dankbaar de harten van ons, Tengereezen, voor hem kloppen.
Toen onze groote stamvader Kiai Dadap Poetih door het zwaard van den
Islam uit zijn paleis van Modjopahit verdreven werd, vluchtte hij naar
dit schier ontoegankelijk gebergte, en deed zijn kinderen en volgelingen
zweren trouw te blijven aan de leeringen en voorschriften van onzen
godsdienst, nimmer zich te voegen naar de al te verleidelijke lessen
van den Arabischen profeet en zoo zijn wij hier gebleven en vormden
een hoogst gelukkig volk, en ik mag gerust zeggen met rechtmatigen trots,
de reinheid onzer zeden vormt een heerlijke tegenstelling met de diepe
verdorvenheid, aan gindsche zijden der bergen."
"Ja, de deugden der Tengereezen zijn overal bekend en beroemd,"
sprak de andere min of meer spottend en ongeduldig.
"Aan het hof van Radhen Wiro Negoro worden onze voorschriften opnieuw
in eere gebracht. Veelwijverij is in zijn naaste omgeving ongeoorloofd,
heeft men mij gezegd en door deze wet heeft hij tusschen de Mahomedanen
en zichzelf een afgrond gegraven. Is dat waar?"
"Gij zijt wel onderricht."
"Batoro Goeroe zij geprezen! Sinds jaren ben ik hier in dit dorp
de oudste, ziekte en ouderdom beletten mij deel te nemen aan den feestelijken
tocht, welken ik zoo dikwijls aanvaardde. Vele dingen heb ik gezien
in mijn lang leven en over vele zaken dacht ik rijpelijk na en zoo kwam
ik tot de over
[124:]
tuiging, dat er
twee oorzaken zijn, die een volk opheffen of te gronde richten; de godsdienst
en de vrouw!"
"Vergeef mij, goede vader! Een volgenden keer zal uw zoon gaarne
naar uw wijze taal luisteren, maar wij moeten ons haasten onzen tocht
te vervolgen. Zie slechts, hoe hoog de zon reeds boven gindsche bergtoppen
staat, wij moeten ons haasten, willen wij onzen meester nog in de Zandzee
ontmoeten. Wellicht wil de schoone jonkvrouw ons wel op den goeden weg
helpen."
"Mijn dochter is een eenvoudig landmeisje, Heer en niet gewend
aan de hoofsche spreektaal der grooten en edelen. Verschoon haar bescheidenheid
en prijs geene gaven, die zij aan de goedheid der goden dankt en waarop
zij dus geen roem mag dragen. Vergezel de heeren een eind weegs, Siwangi,
totdat zij zonder verdwalen den bergtop kunnen bereiken en kom dan ijlings
terug!"
Siwangi wenkte den jongen man en zijn makkers, die op kleine zwarte
paarden gezeten waren, haar te volgen en zij hadden weldra het dorp
achter zich; de vreemdeling liet zijn paard onder de hoede der andere
ruiters en ging naast het jonge meisje voort, dat met het grootste gemak
den steilen weg volgde.
"Uw leven moet hier toch zeer doodsch en eentonig wezen,"
sprak de reiziger, "elke dag is gelijk aan den andere."
"Wat deert mij dat?" antwoordde Siwangi, "indien elke
dag door den Hemel met kalmte en vrede gezegend is."
"Hoe brengt gij uw dagen dan door?"
"Tot nu toe hielp ik mijn broeders hun tuinen beplanten en verzorgen,
weldra zal ik in dien van mijn echtgenoot mogen werken!"
"Hoe, ge zijt verloofd en uw bruidegom zal u hard laten arbeiden
in den ondankbaren grond?"
[125:]
"De grond
is niet ondankbaar, Heer! Integendeel, hij beloont onze pogingen met
rijke vruchten, en is dat niet de grootste zegen, voor zichzelf en zijn
gezin te mogen arbeiden?"
"Maar uwe handen, schoon kind! zijn niet geschapen om den patjol
[Spade.] te hanteeren; evenmin als uw voeten, om zich te verwondon op
de hoekige punten der rotsen. Een beter lot heeft Batoro Goeroe, de
rechtvaardige, u beschoren."
"Ik verlang geen beter lot," hernam het meisje eenvoudig,
"ik ben tevreden met mijn leven, vooral wanneer ik Dorowadi mijn
echtgenoot zal mogen noemen."
"Gij stelt niet veel eischen! Weet gij, dat prinsessen u dat heerlijke
haar zouden benijden?"
Verlegen bond Siwangi haar lokken op in een lossen wrong.
"Waarom martelt gij ze? De sterren schamen zich als zij den glans
van uw hoofd aanschouwen. De vogels zijn in onrust, als zij uw stem
hooren, want gij overtreft hen allen. Waar zou ik uw gelijke vinden?
Gij zijt zoo schoon, vooral omdat gij niet weet wat schoonheid is. O,
kon ik 't u zeggen! Ware ik de kristalheldere beek, om de regelmaat
uwer trekken, het vuur uwer oogen te weerkaatsen, want andere spiegels
kent gij niet, o schoonste der vrouwen!"
"Heer! Gij schertst met mij! Van hieruit zal 't u gemakkelijk vallen
den weg naar de Dasar te vinden; vergun, dat ik terugkeere naar mijn
huis en naar mijn vader."
"Waarom wilt gij mij verlaten? Gij straft mij door het afwenden
der zwarte diamanten van uw oogen. Waaraan heb ik zooveel wreedheid
verdiend? Schoot ik te kort in eerbied jegens u? Zeide ik iets, dat
u met angst vervullen :moet? Zeg mij, wat ge verlangt,
[126:]
maar ontneem mij
het onuitsprekelijke geluk niet van uw bijzijn!"
"Heer, laat me gaan! Ik versta niet, wat ge mij zegt, en ik wil
het ook niet verstaan, want ik geloof, dat het niet voegzaam is, naar
u te luisteren. Laat uw dienares terugkeeren, Heer! haar taak is geëindigd,
zij deed wat zij beloofde en wees u den rechten weg."
"En nog ben ik niet tevreden! Nog verlang ik meer van u. Word mijn
vrouw, Siwangi, mijn geliefde!"
"Hoe, gij kent mijn naam!"
"Ik kende dien reeds sinds lang. De wensch, om u te zien en te
spreken voerde mij hierheen."
"Op den dag, dat niemand mij beschermen kon, dat slechts een grijsaard
mijn gezelschap was, gij hebt mij verraden, bedrogen! Laat me terugkeeren,
Heer! ik smeek het u!"
Hij was nader en nader tot haar gekomen, op slechts korten afstand volgden
zijn gezellen en sloten haar den weg tot terugkeer af; zij zag om en
schrikte terug. Geheel en al bevond zij zich in de macht der vreemdelingen;
haar vervolger strekte den arm uit om haar te grijpen, zij sidderde
en ontvluchtte hem, doch met groote behendigheid wist hij haar te bereiken
en dwong haar stil te staan.
"Luister naar mij, geliefde! Ik heb vele schoone vrouwen gezien;
op mijn wenk vallen prinsessen in mijn armen, want ik ben een vorsten
zoon, en zie, sinds ik u zag - weet ge nog wel, toen gij in den kraton
mijns vaders verscheent, om hem uw hulde van vruchten en bloemen te
brengen - kende ik slechts één wensch, u de mijne te mogen
noemen. Uw schoonheid heeft het vuur der begeerte in mijn hart ontstoken,
ik slaap niet meer, want uw beeld vervolgt mij zelfs in den droom. Ik
neem het met mij mede op mijn tochten. Op de hoffeesten, overal zie
ik u, zoetste der vrouwen, ster, die alle ster
[127:]
ren doet verbleeken.
Al daalde een widadaran [Engel.] op aarde neder, zij zou zich moeten
verschuilen, om niet overwonnen te worden door uw bekoorlijkheden. Zelfs
Bromo's gemalin moet voor u onderdoen. Ge zijt een koningin, in schoonheid
en in zachtheid, in lieftalligheid, in trots, gij zult het ook zijn
in macht, want ik zal u kronen met bloemen en juweelen als mijn wettige
gemalin, als mijn vorstin, ik zal de volkeren dwingen, u hulde te betuigen,
als gij toestemt de mijne te worden.
"Hoe kan dat, daar gij een prinses tot vrouw hebt, Mas Pengantin!"
"Als honig zoo zoet, klinkt mijn naam van uw lippen, al trilt uw
stem ook van toorn! Ge zijt in mijn macht, Siwangi, die geuriger zijt
dan uw welriekende naam, ik kan geweld gebruiken, maar ik versmaad allen
dwang, zoolang ik nog overreding gebruiken mag. Zeg één
woord, kan ik hopen op uw liefde?"
"Schande, Heer! zulke woorden tot mij te richten, als ge weet,
dat ik ze niet mag aanhooren, evenmin als gij ze moogt uitspreken. Ik
ben verloofd en gij zijt getrouwd."
"Ik zal mijn vrouw verstooten, zoo gij mij wilt liefhebben! en
ik zal me aan u wijden met een liefde, die door niets wordt overtroffen,
tot in de verste eeuwigheid. U wil ik bezitten, u zal ik behouden, hier
en ginds. Steeds mijn geliefde, blijven we vereenigd! Waart gij een
bloem, o dierbare, ik zou de bij zijn, die u volgde en zich verzadigde
aan den zoeten geur, die uit uw kelk opstijgt; waart gij een boom, ik
zou de liane worden, die zich om u rankte! Wees niet wreed, luister
naar mij, geef mij eenige hoop!"
"Nimmer! Laat me los! Ik haat, ik veracht u!"
"Meisje, wees voorzichtig, die haat kan u duur
[128:]
te staan komen.
Ik heb gesmeekt en gevleid, maar bedenk, dat ik u bevelen, ja zelfs
dwingen kan!"
"Mij dwingen! Nog liever stort ik mij in den afgrond."
Zij rukte zich met geweld los, doch op een wenk van Pengantin omringden
zijn makkers het meisje; zij slaakte een doordringenden kreet:
"Vader, Dorowadi, komt mij te hulp!"
Maar snel als de bliksem vielen zij op het arme kind aan; een hield
haar handen vast, een ander stak haar een zijden doek in den mond, Pengantin
drukte haar tengere leden vast tegen zich aan; er was geen middel voor
haar om te ontkomen, toen er plotseling iets tusschen het hooge struikgewas
siste en een der gezellen van den prins bloedend inéénstortte.
De anderen zagen verbijsterd rond en lieten de handen zakken; Pengantin
alleen liet zijn prooi niet los; de doek viel ter aarde en opnieuw deed
het meisje een scherpen gil hooren.
"Batoro Goeroe, help mij!"
Een tweede schot viel; en niemand kon nog zien, wie het gelost had;
de schrik sloeg echter den makkers van Pengantin om het hart; kermend
wierpen zij zich naast hun paarden op den grond, eenigen bestegen snel
hun dieren en trachtten weg te rijden, enkelen lieten zelfs deze in
den steek en kozen het hazenpad.
"Lafaards," krijschte de prins, "laat ge mij nu alleen!"
"O prins, het was niet goed den verheven berg te ontheiligen door
vrouwenroof," riep een der mannen uit; "we hebben u genoeg
gewaarschuwd, toen het nog tijd was, maar uw hartstocht sleepte u mee;
thans treft u de toorn van de machtige beschermgeesten der Tengersche
bergen."
Met een rauwen kreet liet Pengantin den linkerarm vallen, die het meisje
nog omvat hield; ook deze arm was door een kogel doorboord. Juichend
[129:]
wilde het meisje,
dat zich reeds bevrijd waande, voorwaarts snellen, maar de rechterhand
van haar belager omklemde nog steeds haar dunnen pols.
"U vrij laten, nimmer! Ik tart Batoro Goeroe en alle goden, die
hem vergezellen. De mijne zult gij worden!" riep hij met heesche
stem; "kom te voorschijn, mensch of duivel, wie ge zijt en val
mij aan met open vizier! Helpt mij, mannen, houdt het meisje vast!"
Maar niemand verweerde zich; een vierde kogel werd afgeschoten, doch
raakte hem niet, daar hij snel het hoofd boog. Het vreemde geluid der
schoten schrikte echter de stille echo's der wouden uit haar rust op;
en Pengantin voelde, dat hij weerloos stond tegenover den vijand, daar
hij van het gebruik zijner beide armen beroofd was; hij droeg geen vuurwapen
bij zich, niets dan, evenals zijn makkers, statiekrissen, verborgen
in den gordel. De mannen, die opgingen naar den Bromo, moesten ongewapend
zijn en op deze omstandigheid had hij gerekend door zich niet sterker
te voorzien.
Instinctmatig greep hij naar zijn kris en zoo was Siwangi eindelijk
vrij; in een oogwenk was zij tusschen de neergevallen en vluchtende
mannen heengesneld en daalde af naar Tosari, waar haar vader vol angst
haar hulp geschreeuw en het knallen der schoten had gehoord.