III.
OP DEN BERG LAWOE.
Een groepje ruiters
reed in gestrekten draf naar den voet van den berg Lawoe, welks hellingen
ten oosten van Soerakarta langzaam in de vruchtbare vlakte uitloopen.
De machtige vulkaan hult zich in wolken en rook, boven een donkergroen
voetstuk; de sawahs
[91:]
klimmen onmerkbaar
voort langs zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen, die zijn
hellingen bedekken, toen was alles nog woester en eenzamer.
De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de ruiters.
Zij stapten dan ook bij een vriendelijke, onder kokos- en andere palmen
half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de hoede van een gedeelte
der mannen, en zetten te voet den tocht voort.
De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een uitgestrekt
woud van tjemara's of casuarinen, een soort van lorken, wier fijne,
naaldvormige bladen, van de knoestige met witte paddestoelen bedekte
takken afhangen. De grond is droog, kaal, slechts met kort gras begroeid
en overdekt met de dorre naalden van het afgevallen loof; door het ijle,
doorzichtige groen schemart de blauwe hemel met zijn geheimzinnige diepte,
de zonnestralen zeven goudglans door den smaragdkleurigen sluier op
den bodem neer, en doen de sneeuwwitte baardmossen gloeien, die, als
waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, de takken tooien.
Een verkwikkende frissche koelte verraadt de hoogte van den berg, en
verdrijft alle herinnering aan tropische hitte. Zacht en teeder ruischen
de bladeren als klagende stemmen der berggeesten, die eenmaal hier vereerd
werden, maar sinds eeuwen hun tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd
zagen.
Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie aan hun hoofd,
de anderen volgden op eenigen afstand.
Van deze drie was er één vrij hoog in de jaren, de twee
anderen nog jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de
hand een javaansche lans of speer.
"Vermoeit u de tocht, vader?" vroeg Soerapati, de hoofdman
van den troep, aan den ouden Kiai Hemboong.
[92:]
"Neen, mijn
zoon, al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle, krachtige stappen,
uw jeugd eigen, bij te houden."
"'t Is uw eigen wil geweest, Kiai, dezen tocht mee te maken. Ik
heb u daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht."
"Ik weet het, mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom
zult gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderderd
gesIacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij
onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij
de onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken,
gaat raadplegen."
"Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar
straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil
mij dan verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten."
"Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen
niet heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen,
die opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!"
"Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust,
toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen, en onderzoeken welke
het zwaarste is."
"Maar," bracht Wirajoeda er tusschen, "zóó
gij terugschrikt voor het aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?"
"Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol
gevaren en avonturen opnieuw te beginnen."
"Dus in geen geval de slavernij der blanken?"
"Nimmer," antwoordde Soerapati vastberaden.
"Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt," verklaarde
Wirajoeda.
[93:]
"Daar reken
ik op!"
Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe, maar sprak niet.
Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld, die hun langen
en moeilijkken tocht, slechts door korte halten afgebroken, voortzetten.
De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de tjemaratakken
op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne gras met een
kantwerk van purperen tinten; - hier en daar grijnzen roode blokken
trachiet door het vale mos en de veelkleurige paddestoelen, verstrooid
in het bosch; uit de spleten wringen zich wonderschoone orchydeetakken
omhoog, die met hun rozenroode en paarse bloemen den verweerden, ouden
steen nog een schijn van jeugd en schoonheid verleenen.
Allengs komt er orde in de verspreide steenen,die zich voegen tot trappen
en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen bloeit voort.
Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische natuur nog
kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een wereld van parasieten
te omwoekeren.
Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, die de mannen
zwijgend opgaan, sierlijke lianen vallen langs de balustrades en bloemfestoenen
omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of ander feest.
De steenen zelf zijn met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en zinnebeeldige
figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden geworpen, versierd:
alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper, en vernieler tegelijk,
den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die later door Boeddha den
zachtzinnigen leermeester en boeteling, vervangen werd in zoovele zijner
heiligdommen. Hier echter was Shiwa uitsluitend vereerd geworden, vóórdat
de aanhangers
[94:]
van den Profeet
zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels hadden vernield.
De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara's, die hen
van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen
aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke
bedehuizen dan één grootsch bouwwerk door één
enkele gedachte in het leven geroepen.
Op het hoogste plat gekomen, wierpen zich allen vermoeid op de trappen
neer, overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati
alleen bleef staan.
"Het is hier goed rusten, vrienden!" zoo sprak hij, "doch
mijn tocht is niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de
lucht mij nog te zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk
zijn vrij te ademen."
Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed, om
niet te weten dat het vergeefs zou zijn, hem van zijn voornemen af te
brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking.
"Mijn zoon!" sprak hij, "de nacht valt, wat gij boven
u ziet is de top van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen
zich daarachter. En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet
bereikt hebt, zult gij nog steeds willen stijgen. Volbreng morgen dien
tocht en strek uw moede leden uit op deze steenen, waar rondom nog steeds
de geesten der machtige Dewahs waren. Hier zullen zij u in den nacht
verschijnen, twijfel er niet aan!"
Maar Soerapati schudde het hoofd, wuifde met de hand tot afscheidsgroet
en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden, blijde te kunnen
rusten en een sober avondmaal te nemen uit den voorraad mondbehoeften,
dien zij hadden mede gebracht.
Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een
vierkante opening in de rots
[95:]
bevond, omgeven
door een vervallen kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal
en doodsch werd alles rondom hem, slechts weinige tjemaraboompjes spichtten
hier en daar op; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets
hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde.
De bodem was met niets dan gras begroeid, maar ging weldra over in een
ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die zich haastig
naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te vermengen met die
van de beheerscheres der wateren in deze streken, de breede Solorivier.
In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen alleen
glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati
in de diepte af; wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die
hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes,
dat hij in plaats van zijn speer hanteerde.
Weldra stond hij op den tweeden top, maar Kiai Hemboong had waarheid
gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij zich naar
boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde rotswanden,
totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de middelste der
drie bergkruinen bleek te zijn.
Hier was de grond bedekt met lange struiken, in hun schaduw bedekte
de thelemytra orchydee den grond; de gloeiende zonnestralen deden de
rozeroode bloemen schitteren als een uit robijnen samengevoegd mozaïek.
Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden hadden
hem verlaten, hij was alleen, omringd door de bergen en door den blauwen
hemel, die in het westen in de kleuren van alle edelgesteenten opvlamde.
Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den
derden en hoogsten top, vlak
[96:]
tegenover hem,
een oogenblik weifelde hij en vroeg zich af of het niet beter zoude
zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn krachten
weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op een rotsvlakte
uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile spleet; de zwerver
vond weldra een weg, die. zelfs kunstmatig aangelegd scheen en uit ruw
opeengestapelde steenblokken bestond, eenige terrassen aan elkander
verbindend.
Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste
kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner
wenschen.
De uitkomst loonde zijn pogingen. Van alle zijden omringde hem de heerlijkheid
der bergen, aan zijn voet de rotsgevaarten van den Lawoe. Op de noordelijke
helling malsche grasvelden, frissche oasen tusschen de tjemarabosschen.
Ten zuiden de kale, geelachtig bruine vlakte van een troebel, stilstaand
water, zich verliezend in wouden en ravijnen, waaruit eenzaam een rotszuil
scherp en hoekig opstijgt tegen de reeds donkere lucht.
En verder dan de berg ontrolt zich in het westen grootsch en heerlijk
de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare sawahs en bloeiende
dorpen, haar tallooze rivieren, allen haar schatting brengend aan den
reusachtigen stroom, als een ontzaglijke staalblauwe slang zich kronkelend
langs paleizen en kampongs, langs bosschen en tuinen om eindelijk langzaam
weg te deinen in de schaduwen van den nacht. En tot achtergrond de Merapi
en Merbaboe, geduchte vuurbergen, achter zich nog de flauwe omtrekken
vertoonend van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en
zelfs den verwijderden Slamat.
Maar niet lang rustten Soerapati's oogen op de bloeiende vlakte van
Karta-Soera, hij keerde zich om en blikte ten oosten, waar zich het
dal van Madioen, niet minder vruchtbaar, uitstrekt, om
[97:]
sloten door de Willis
en den Kloet, met de kruinen van den Smeroe en den Ardjoeno, Java's
hoogste bergreuzen, in de wolken verloren, achter zich.
De schaduwen van den avond, reeds in de vlakte neergedaald, vaagden
alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het nog helder dag. Het gelaat
afgekeerd van de zon, die in een gouden glorie achter de bergen wegzonk,
staarde, verzonken in biddend gedroom, Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno
aan, toen een stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en
hem toefluisterde:
"Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah's
onnavorschbaar raadsbesluit."
Soerapati zag verschikt om zich heen; maar niets scheen de nabijheid
te verraden van een menschelijk wezen. De grond, waarop zijn voeten
rustten, was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak, omgeven door
een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande kolen en verdorde
bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van wierook en bloemen
vereerde.
Nergens eenig spoor van een levend schepsel; het gehoorde kon dus niets
zijn dan een zinsbegoocheling, en onafgewend bleven zijn oogen rusten
op de verbleekende bergtoppen, maar de woorden weerklonken nog in zijn
geest.
"Koning zult gij zijn, een krachtig koning!" zoo klonk het
weer, "indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert
aan de blanke overheerschers."
Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep onwillekeurig
naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de opeengestapelde steenen,
in de rotskloven, vergeefs!
"Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener
Dewa zijn, die tot mij spreekt?" zoo vroeg hij zich andermaal af,
"dan past het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid."
[98:]
Hij wierp zich
plat ter aarde en riep uit:
"O Batoro-Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der
volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft,
en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden. Al noem ik u
met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde,
die de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen aanbidden.
Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij den weg aan,
dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te leeren, wat
ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de ketenen verguld,
het zijn toch ketenen, die mij voortaan zullen hechten aan Matarams
hof!"
"Gij zult koning zijn!" herhaalde de stem alweer, "de
blanke zal beven op het hoor en van uw naam, zijn wrok en zijn haat
zullen langer duren dan uw leven!"
Soerapati hief zich op.
"En is dat de eerste stap tot de koningskroon, het huwelijk met
Pangeran Adipati's dochter?"
"Liefde en roem worden uw deel, al is het ook na harden strijd."
"Ik vrees geen strijd," zeide hij trotsch, "ik vrees
slechts slavernij!"
"En die wordt ontwijfelbaar uw lot zoo gij u onttrekt aan de bestemming
door God u voorbeschikt. Gij zult koning zijn, koning."
En het was of alle echo's van de bergen en het woud weerkaatsten: "Koning,
koning!"
Soerapati duizelde, met het gelaat in de handen verscholen, zakte hij
op een knie en zag dus niet, hoe een mannelijke gestalte, die zich in
een spleet tusschen twee rotsen verscholen had, behoedzaam naar buiten
kroop en zich onhoorbaar tusschen de steenblokken verwijderde totdat
hij geheel in de woeste bergkloof verdween, die naar den eenzamen pijler
afdaalde.
[99:]
Toen Soerapati
weer rondom zich staarde was het geheel nacht geworden; slechts een
lichtgele gloed in het Westen verlichtte de laatste rustplaats van den
zonnekoning.
Myriaden van lichten ontgloeiden in het luchtruim, en reusachtig rood
lichtte de volle maan achter de bergen; het werd koud en kil op den
rotsachtigen bergtop. Soerapati legde zich huiverend neer in het vervallen
bedehuisje en trachtte den slaap te vatten. Vergeefsche moeite! Zijn
gedachten wijlden in de toekomst, maar meer nog in het verledene; opnieuw
doorleefde hij de felle smart, die hem in het Gedehgebergte ter aarde
had geslingerd.
Suzanna's ontrouw bleef nog steeds een gapende wonde in zijn hart; hij
kon in het gewoel van den strijd, in de dagelijks terugkeerende zorgen
en beslommeringen, in de hartstochtelijke liefkoozingen van Kousouma
de geleden smart voor een oogenblik vergeten, maar dadelijk weer keerde
zij heftiger dan ooit terug.
Bittere haat vervulde hem tegen haar vader, tegen haar echtgenoot, tegen
haar volk; hij vervloekte het oogenblik, waarop de Hollanders aan Java's
kusten geland .waren om alles onder hun machtige hiel te verpletteren,
maar een oogenblik later smolt die haat weg om plaats te maken voor
een smachtend verlangen naar de dagen van weleer, toen hij zich bijna
de gelijke durfde wanen van de blanke Westerlingen, toen hij hoop koesterde
eens een der hunnen te worden; dan was het weer zich zelf dien hij vervloekte,
zijn afkomst, zijn geboorte, zijn kleur, dan kromp hij inéén
van wanhopige moedeloosheid omdat niets ooit in staat zou zijn hem terug
te voeren in het midden der Hollanders, hem te vereenigen met Suzanna
en hun zoon.
Haat en liefde streden in zijn borst, maar zijn haat was niet diep geworteld;
met weinig moeite was het der Compagnie gelukt hem als een trouw
[100:]
bondgenoot en onverschrokken
vriend te behouden; omstandigheden alleen hadden tot twee malen hem
haar vijand gemaakt. Slechts uit nood had hij de wapens tegen Suzanna's
landgenooten opgevat en nu was het misschien nog alleen een geheime
vrees van voor goed met hen te moeten breken, die hem huiveren deed
in 's keizers dienst over te gaan.
Hij gevoelde weinig sympathie voor de javaansche grooten, hij kon ruw
zijn en zelfs wreed, maar steeds trachtte hij strikt rechtvaardig te
blijyen. Schromelijke willekeur heerschte in de kratons; noodelooze
gruwelen hadden eIken dag plaats; de vorsten heerschten over een volk
van slaven. Als de koningen bij de veel beschaafder vreemdelingen lessen
wilden nemen in de kunst van regeer en, als zij zich aan elkander verbonden
en de een zijn stoffelijke bezittingen, de andere zijn geestelijke meerderheid
ten offer bracht.
Hij droomde als van ouds, toen hij nog hoop had op Suzanna's bezit,
en weer klonk het hem in de ooren:
"Gij zult koning zijn, koning!"
"Koning? dan zal ik mijn koningschap gebruiken, zooals mij het
beste dunkt, koning zal ik zijn om hen te doen vallen die vreemde overheerschers;
zij hebben mijn vriendschap versmaad ik zal hun bitterste vijand worden.
. . ."
En hij wendde zich weer naar de vlakten thans door de maan met zilverglans
overtogen, liefelijk en vredig aan den voet van den berg uitgespreid;
lang staarde hij er op neer, totdat zijn oogen zich sloten en hij in
den droom zijn gedachten voortzette. Hij zag niets dan kronen en koninkrijken;
Kousouma naast hem zetelend, schoon en trotsch gelijk het een Ratoe
past, maar in de verte wenkte hem Suzanna, met droevigen glimlach. Hij
liet zijn kroon vallen en verliet den troon om naar haar
[101:]
te snellen, daar
scheidde hen plotseling een diepe kloof.
Dat waren de droomen, die Soerapati's slaap bezochten op den top van
den Lawoe, en in den vroegen morgen omgaven hem juichend zijn makkers
reeds toen de eerste zonnestralen zijn harde legerstede verguldden.
Hij begroette hen vriendelijk en tot zijn vertrouwelingen den Kiai en
Wirajoeda sprak hij:
"Laat ons terugkeeren naar Kartoe-Soera, ik weet genoeg; de Dewahs
hebben mij mijn toekomstig levenslot onthuld!"
Kiai Hemboong's gelaat straalde, men nam den terugweg aan en niemand
dacht aan een kluizenaar, die in het dichte woud, afgezonderd van de
wereld, leefde en eenige dagen geleden op verzoek der prinses, voor
weinige uren in de hofstad was neergedaald om daar met Soerapati's pleegvader
een ernstig onderhoud te voeren.