II.
ROBERT VAN REIJN.
Op den laten avond
van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vader, voor diens
schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing, wierp haar
licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met
hooge leuning, waarin de overledene een groot deel' van zijn leven placht
door te brengen en die nu ledig stond.
Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd, terwijl de armen op
tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken
oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.
Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen
het vroolijke feest daarginds en de droefheid hier in het sterfhuis,
de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart, was al te groot,
de oude heer Van Reijn toch was altijd een goed vader geweest voor den
wilden, ongezeggelijken jongen, in wien de meesten moeite hadden zijn
zoon te erkennen.
Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar,
wat den heer Van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon
was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam,
tuk op vermaak, hartelijk voor hen, die hij
[158:]
liefhad, norsch
tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe,
afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in één woord,
zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche
kringen, waarvan den oude heer Van Reijn, die een hooge betrekking bij
de O.-I.-Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind
lid was. Ook van zijn reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert
deze eigenschappen niet geërfd hebben.
Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van haar echtgenoot in zooverre
als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer
in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden
man van zaken gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.
Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie
afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken
vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd, maar hun echt was
kinderloos gebleven.
Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert
mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, innig gehecht
aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde
met woeker teruggaf.
Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over
het raadselachtige jongske gedaan, maar mijnheer, noch mevrouw van Reijn
bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te
behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand. De naaste
familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden
zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst, maar de jaren
gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoote
hechtte de oude heer zich zelfs nog inniger aan zijn zoon.
[159:]
Met een dikwijls
al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn
luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor
alle grillen, hoe kostbaar ook van den jongen, en ieder was er thans
geheel van overtuigd, dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam.
Zijn zonderling karakter en oostersch voorkomen werden algemeen op rekening
gesteld van een speling der natuur, als een gevolg van den invloed,
door de tropische omgeving, waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn
karakter en uiterlijk.
De zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had toegang
in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen
met verjangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar
dochters.
Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de
jaren luwen, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor
allerlei indrukken, zoo kwade als goede maar hij had een goed, gevoelig
hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij
onder flinke leiding kwam, zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk
man ontwikkelen.
Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk
koopman, geplaatst; hij hoopte Robert lust te doen krijgen in het vak,
dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel.
Robert kon het maar niet vinden, noch met zijn oom, noch met het kantoor;
de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste
plaats zijn bestaan niet vergeven kon, want zelf was hij met een achttal
kinderen gezegend, en het uitzicht op oom's aanzienlijke erfenis was
te aanlokkelijk geweest, dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks
zou betreuren.
Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde
de grootste verachting
[160:]
voor dukaat en
rijksdaalder; had hij ze in zijn zak, dan wist hij niet hoe zich zoo
spoedig mogelijk van hun onaangename tegenwoordigheid te bevrijden.
Oom daarentegen aanbad met meer dan driekwart Amsterdam deze machtige
afgoden. Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer
van de kantoren.
Zoo gebeurde het dikwijls, dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen,
om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf
klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar
lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die liefkoozend vergiffenis
vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, spoedig voor nieuwe vergrijpen
plaats makend. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen
was Robert's hart eensklaps - om de taal te gebruiken van de toenmalige
dichters of rijmelaars - gewond geworden door Amor's scherpste pijlen.
Op een speelavondje zag hij eensklaps uit geheel andere oogen de stiefdochter
van den heer van Starenwijck, Digna Tak, aan. Haar moeder was de weduwe
geweest van den in Karta Soera in 1686 vermoorden Commissaris Tak; met
haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar
een tweede huwelijk gesloten met den heer Starenwijck, zwager van Roberts
oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld
en hevig getwist, tenminste het zachte, lieve meisje had het soms hard
te verantwoorden gehad van den wilden jongen, en nu, zij wisten niet
hoe, was plots alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander
lief elk op hun wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs,
als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst
niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende
Digna een invloed ten goede uit; wat noch de liefderijke vermaningen,
noch
[161:]
de bitse opmerkingen
van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna's vriendelijken,
soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.
Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een
dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden, bleef hij dagen
lang ingespannen werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden
blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover
den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap
zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taveerne meer, waar hij in
den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest.
Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna
was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen
zoowel oom Gerard van Reijn als Digna's stiefvader de verhouding tusschen
beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend, den Raad
van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren
geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige
Digna.
Weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa
terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk
zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk
te laten dwingen, terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot
een anderen.
Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw
van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden, en vóór alles,
haar dochter had hem lief; de illusiën, welke zij tijdens haar
korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven,
waren bij haar tweeden echt lang niet in vervulling gekomen, en nu wilde
zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame, maar
[162:]
daarom niet genoeg
te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man
harer vrije keuze.
Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over, dat
er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij liet den knaap
de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte,
stemde hem tevreden en dankbaar.
Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert's en Digna's liefde;
juist toen deze ontstond, was hij voor 't eerst van zijn leven een weinig
ongesteld geweest. De ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn
werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke
kleinigheid op. In zijn zucht om steeds gezonder te schijnen dan hij
werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben, of hij voor
de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer
dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden
tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen
toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid
van trouwen dacht.
"Waartoe dient zulk een haast," zoo stoof de anders zoo bezadigde
en verstandige man op. "Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik
het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk . . .
"
Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:
"Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben
immers nog den tijd; ik ben zoo welvarend als ooit te voren, als men
u hoorde zou men denken, dat ik in gevaar was van sterven."
"O foei, vader!" riep Robert verontwaardigd uit en er werd
over de zaak niet meer gesproken. De oude heer trachtte ieder wijs te
maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij ver
[163:]
zwakte zichtbaar,
het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld
in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.
Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats. Robert, die
twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden
tot laat in den nacht gezwierd, en minder gunstig bekende taveernen
bezocht had, bood vrijwillig aan t'huis te blijven, maar de oude man
wilde hiervan niets weten.
Gelukkig was hem Robert's laatste misslag onbekend gebleven, en dit
spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze
te boeten door Digna dien dag niet te zien.
"Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal 't u kwalijk nemen als gij
niet gaat. Oom vindt het immers goed."
Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem,
dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenbosje had hij haar
vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor
hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik
hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.
Het viel Robert hard, zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan, in
zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen.
Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met het dagelijksch
sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor
de schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij
juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt
was, hing slap langs zijn lichaam, en zoo had Robert zijn vader niet
meer levend mogen terugzien.
Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keer en
om alle zaken te regelen.
[164:]
Robert had zich
voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven,
te dieper daar zij zoo onverwacht tot hem kwam.
"Belieft u niets, mijnheer!" vroeg de oude kamerdienaar, die
reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding,
aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekomend.
"Dank u, Johan, dank u!"
"Een beker wijn zal u goed doen jonge. . . . mijnheer bedoel ik.
UEd. weet, wat er geschreven staat: "Geef den treurenden wijn!"
Onze goede meester is, nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn
deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet, jongeheer!"
"Ik weet het genoeg, Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook
mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles
tot voorbeeld te nemen."
"Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! 't Is waar, u gelijkt niets
op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen
houden veel van u, meer dan van heer Gerard. Als de wilde haren er eens
afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd,
zal u zien, dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan
die gluiperige jongens - vergeef mij, dat ik het zoo ronduit zeg, wat
mij voor den mond komt van mijnheer uw.oom."
"Ik hoop u met teleur te stellen, Johan," antwoordde Robert
ootmoedig, "maar 't is zulk een groote last, die op mij valt, dit
ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders te beheeren in
den stand, dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik
er van terug als voor een zwaren plicht; en mijn vader heeft geen beslissingen
genomen, schonk mij geen leiddraad, waaraan ik mij houden kon tot vervulling
zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?"
[165:]
"Helaas! neen
mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar, dat ik bij den Heer en Mevrouw
van Reijn gediend heb; 't is waar, zes jaar moet ik er afrekenen, toen
mijn meesters naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hun
een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen, niets zonder
mij, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het
moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was."
"Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder.
Had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten! Wist ik maar, wat hij
van mij wenschte, wat hij verlangde, dat ik met zijn geld doen moest.
O Johan, ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel
er van!"
Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van
den. ouden, trouwen knecht.
"Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw
geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen, dan zat u niet
meer bang wezen voor uw fortuin." Ook Robert's gelaat klaarde op.
"Ware ik maar zoover, Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank,
dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven,
hoe treurig ik ben."
"En mag ik u dan een beker wijn brengen?"
"Ja, 't is goed!"
En met de bewegelijkheid van zijn geest vergat Robert voor een poos
zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte,
het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.
"Johan," vroeg hij, toen deze den wijn binnenbracht, "mijn
vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is,
dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn,
maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken."
[166:]
"Het moet
daar nog liggen, u begrijpt hoe ontsteld wij waren. Ziet u niets, misschien
heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer
geweest nadat nadat alles afgeloopen was."
"Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal 't hem terugvragen. Mij
komt dit stuk toch in de eerste plaats toe."
Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier
daarin had bewaard, toen zijn aandacht werd getrokken door een verzegelden
brief, die het opschrift droeg:
"Aan Robert,
Te openen als hij 21 jaar oud is.
"Goddank! daar
is nog een woord uit het graf," riep hij snikkend uit, en drukte
het dierbare schrift aan zijn lippen, "mijn vader is niet geheel
dood. Ik zal nu weten, wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten
moet. Toen ge leefdet, beste vader, heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen
versmaad; deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik
toch reeds een en twintig jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn.
Hoe lang nog!"