XV.
Men was in de laatste
week vóór St. Nicolaas, het feest dat nergens met zooveel
vuur en ijver gevierd wordt als in Amsterdam; de straten zijn vol van
's morgens vroeg tot 's avonds laat, alles uit den omtrek stroomt naar
de lievelingsstad van den goeden Heilige, alle buitenmenschen moeten
naar stad; 't is er ook zoo prettig; men gaat langs de winkels, als
langs de afdeelingen van een tentoonstelling.
Wat kunst en nijverheid, wat mechaniek en weverskunst in de laatste
maanden uitgevonden heeft, dringt zich nu uit de magazijnen naar voren
tot voor de groote spiegelruiten.
Alles is een voorwendsel tot St. Nicolaas-cadéaux, het zijden
toilet van fijne kleuren met schitterende weerglanzen, de wintermantel
in zijn diepen gloed van fluweel, omzet met het rijkste bont, en de
nieuwste uitvinding van koffiekannen, half geopende sigarenkistjes,
waarin zilverpapier en kleurige lintjes zelfs de dofbruine tabak nog
aantrekkelijk kunnen maken, en mooie kopjes in photographie- of porseleinschilderkunst,
bankethammetjes en gelatines, meesterstukken van den menschelijken geest
uit alle landen en tijden in de kostbaarste uitgaven, de bonte klaterpracht
der guldensbazars, geslepen glas, kleurige bouquetten, grof porselein,
staal en nieuw zilver naast de vonkelende facetten van het echte kristal,
de sterksprekende kleuren der goedkoope Japansche vazen en daartegenover
de fijne, matte tinten van het Boheemsch glas, het schreeuwende verguldsel
naast de bescheiden blinkende koperen in crustaties van Hongaarsch aardewerk,
Perzische tapijten, ,sierlijk gedrapeerd achter meubels van dofbruin
of glan
[138:]
zend zwart hout, Venetiaansche spiegels en Makartbouquetten,
waaierpalmen en frissche bloemen,diamanten tintelend in de stralen van
gas- en gloeilicht, keukengereedschap zoo artistiek geschikt dat men
zich: in ideale keukens waant, de schat der duizend en één
galanterieën en bibelots, prullen van pluche, brocaat, ivoor, chineesch,
majolica, biscuit, cloisonné, niellé, antiquiteiten met
verjongd voorkomen, speelgoed, van zoo kunstig mechaniek, zoo kostbaar
materiaal dat geen spelen er mee mogelijk is, alles staat daar te pronken
in de diepe winkelkasten, overstroomd door een zee van licht, alles
schijnt den voorbijganger toe te roepen:
"'t Is nu de tijd van koopen en hier zijn we om gekocht te worden,
koop nu, spoedig! spoedig! Alles is nu welkom, alles is nu mooi!"
En voor de ramen verdringt zich het volk uit alle rangen en standen;
eenigen genieten platonisch, alleen van het gezicht, en voelen geen
bekoring de volle beurs uit te halen, anderen overvalt een gewèldige
verzoeking, de kooplust bestormt hen uit elke vitrine met schier onweerstaanbare
kracht, maar de portemonnaie is juist bij hen ledig; o als zij gevuld
was! en wie zal zeggen hoeveel onmachtige spijt, hoeveel voorname geblaseerdheid,
hoeveel onvoldane verlangens en bittere nijd zich verdringen onder die
wandelaars in de overvolle straten.
Wie er niet zijn moet, vermijdt die straten, welke de hartader der groote
stad vormen; men gaat er niet anders door dan langzaam het trottoir
volgend, soms overstekend, waar een fraaie etalage krachtig en welsprekend
toelacht.
In het midden der straat liep Marie, de tweede meid van mevrouw Zandberg,
met vluggen, veerkrachtigen tred; zij was hier niet om te kijken maar
alleen omdat het de kortste weg was naar haar doel en zij zich veiliger
voelde in de goed gevulde drukke straat dan op een stille gracht.
Zij liep flink door, had haar regenmantel aan en haar
[139:]
eenvoudig
hoedje op. Niemand lette op haar en zij lette op niets en niemand, slechts
zelden wierp zij een blik naar de winkels links en rechts; 't was zoolang
niet geleden dat zij niet slapen kon van genot door de gedachte alleen
aan die prachtige uitstallingen en dat gewoel in de straten; dan had
zij een gevoel gehad of zij wel dansen kon op het asphalt. Zij vond
het zoo prettig dat alles zoo blank en mooi was om haar heen, zij verlangde
niets, zij zag maar rond en voelde zich reeds gelukkig. Een kleinigheid
kocht zij voor Jansje, en dat was haar heele St. Nicolaas, maar toch
telde zij toen de maanden vóór het feest weer in aantocht
kwam en nu vond zij alles zoo kinderachtIg, zoo ledig.
Wat deerde het haar of die poppen met haar krullende haren en blauwe
oogen de handen uitstrekten naar haar, of zij coquette hoedjes droegen,
mofjes of boa's; wat voor belang had zij bij al dat glinsterend kristal,
bij die delicatessen, bij die verleidelijke stoffen, die bijouterieën,
die meubels en spiegels?
't Glinsterde en vonkelde, maar niet voor haar, voor anderen, die zij
niet kende, anderen, die niets om haar gaven. Zij was alleen onder al
deze menschen; één stond zij in den weg, maar anders bekommerde
zich niemand meer om haar.
Die arme vrouw voor den banketbakkerswinkel, met een kind in een doek
gewikkeld op den arm, en twee in verscheurde kleederen en op klompen,
hangend aan haar boezelaar, was ten minste nog noodig voor die stumpers;
zij hechtten nog aan haar, maar zij? Wat deed zij hier, zij voelde zich
nog eenzamer en meer verlaten dan ooit; zij had een gevoel alsof haar
hart op straat lag en allen er overheen liepen, zonder het op te merken;
al die stappen van die vroolijk pratende eh roepende vreemden, stompten
onbarmhartig luid en pijnlijk in haar ziel, zij had het uit kunnen schreien.
Wie zou 't aan haar zeggen dat zij uitging voor een rendez-vous, een
rendez-vous met haar eigen man?
"Hé, is dat Marie niet?" vroeg een oude vrouw met
[140:]
een wollen muts op aan een jongere, die, omringd door eenige kinderen,
haar vergezelde.
"Marie uit de Plantage?" vroeg de andere.
"Ja, je weet wel, die trotsche madam? Waar gaat ze nu heen? Ik
dacht, dat uitgaan te min voor haar was."
Marie was echter in het gedrang verdwenen, zij liep voort, den Dam over,
tusschen de van alle kanten toeschietende trams en rijtuigen naar den
Nieuwendijk.
Hier was 't iets kalmer, al trokken de eigenaardige bloem- en veerversieringen
voor de hoedenwinkels - de schitterende cour vàn dames achter
de ramen van Bahlman, de gedekte tafel bij SinkeI en St. Nicolaas in
een kleerenwinkel - ophoopingen van kijkers.
Voorbij de groote magazijnen was het betrekkelijk stil, vóór
de melkinrichting bleef Marie staan en wierp een blik naar binnen. Frank
van Haeren was er niet; zij ademde diep en sloot even de oogen. Zij
beefde over haar geheele lichaam van zenuwachtigheid, van angst over
hetgeen komen moest; het carillon van het PaleIs op den Dam deed zijn
voorspel hooren.
"Dat was zeker voor zeven uur!"
Langer bedacht zij zich niet en trad in den winkel; de juffrouw met
haar Noord-Hollandsch kapje zat achter de groote, hel geschuurde melkkannen,
in welks koper het licht zich sterk weerkaatste.
Vroeger was zij dikwijls met Jans hier geweest, als het meisje moe werd
van het loopen op haar krukken; een hevig verlangen vervulde haar plotseling
naar het doode kind, dat eigenlijk oorzaak was van al naar ellende.
Haar stem beefdé toen zij een glas melk bestelde.
Men bracht het haar; zij ging aan een tafeltje zitten en keek voor zich
uit met tranen in de oogen, op dit oogenblik aan niets anders denkend
dan aan haar zusje.
Zij zag de menschen op en neer gaan, meiden en mannen uit het volk meestal;
de deftigen zijn op dit uur nog thuis, eten hun dessert of drinken hun
thee.
Frank zat zeker nog aan de tafel zijner moeder; hij lachte met de deftige
dames, zijne zusters en haar
[141:]
vriendinnen en die trotsche vrouw,
zijn mama, die niets leek op haar broer, den goeden dokter van Duinwijk,
en niemand vermoedde dat zij hier op hem zat te wachten, zij, de meid
van zijn zuster, en toch zijn wettige vrouw.
Nog vóór zij het verwachtte stond hij eensklaps voor haar.
"Laten we naar achteren gaan, daar zijn we alleen," zei de
hij.
Zij stond op; hij legde geld op de toonbank en zonder iets te bestellen
volgde hij haar naar achteren, waar een ander jong paar vertrouwelijk
naast elkander zat, hun chocolade met smaak lepelend.
"We zijn hier niet vrij," mompelde hij.
"Waar zouden wij nu vrijer kunnen zijn?" vroeg zij.
Hij nam tegenover haar plaats en sprak hortend, zooals zijn gewoonte
was, wanneer hij zich geërgerd voelde.
"Zal je mij nu eindelijk vertellen wat dat alles beteekent?"
"Ik heb 't immers geschreven."
"Die malle brief! Wat bezielde je toen toch? Waarom moest je wegloopen?"
"'t Stond er immers in."
"Hoe dwaas, hoe mal. Weet je wel, dat ik je met de politie had
kunnen laten terughalen?"
Zij zweeg.
"En wat heb je daarna gedaan? Hoe kreeg je in 't hoofd bij mijn
zuster voor meid te komen spelen?"
"Ik wist niet dat het je zuster was, ik ken niet eens de namen
van je familieleden, evenmin als je mijn naam kende toen je mij vroeg,"
en haar stem klonk bitter.
"Ik heb dadelijk een dienst gezocht, en was voorloopig in het "Te
Huis" op de Prinsengracht gelogeerd. Ik kan me voor niets anders
uitgeven en ik moest toch leven, eerlijk, fatsoenlijk leven. Mevrouw
Zandberg heeft mij genomen zonder getuigen, zonder te vragen waar ik
vandaan kwam. Toen ik merkte dat zij je zuster was, vond ik 't onnoodig
mijn ontslag te vragen. Ik
[142:]
dacht niet je zoo spoedig te zien,
ook niet dat je zou verlangen mij te spreken."
"Wel zeker verlang ik dat! Ik heb er ook 't recht toe, Langer verdraag
ik die malle verhouding niet, en nu kom ik je vragen of je met mij meegaat.
Ik vertrek spoedig naar het buitenland en die kuren wil ik niet langer.
Je volgt me."
"Als je vrouw of als je model?"
"Schei toch uit met die dwaze taal! Zeker zal ik je vragen eens
weer voor mij te zitten. Je bent mooier geworden; alleen maak je je
gezicht wat stijf door het tot een bepaalde plooi te dwingen, maar als
je er niet aan denkt, dan is 't weer hetzelfde vuurwerk van expressies,
dat mij zoo in je heeft aangetrokken."
"En waarvoor je mij nu weer noodig hebt. Neen, Frank, onder die
voorwaarde kom ik niet meer bij je! Dat heb ik me vast voorgenomen."
"Weet je dan niet, dat het je plicht is bij je man te blijven,
hem te gehoorzamen? Je hebt het altijd over plichten, toon dat je ze
vervullen kunt."
"En wat is jou plicht, Frank? Mij liefde en bescherming te verleenen,
en je laat mij alleen, je trouwt mij zonder liefde, alleen omdat het
't eenige middel is je model altijd bij de hand te hebben."
"Maar wat wil je dan in duivelsnaam?"
"Wat ik wil? Dat je mij als je vrouw erkent, dat je mij aan je
familie voorstelt, dat je mij toestaat een huishouden op te richten,
waar ik mijn werk kan doen, en is er dan tijd over dan wil ik voor je
zitten zooveel je wilt, We moeten ons huwelijk voortaan als een ernstige
zaak beschouwen. Als je mij dat belooft, dan zal ik je volgen!"
"Maar dat wil ik niet. Je bent nu toch al bedorven door de conventioneele
wereld, waarin je verkeert, die je dagelijks ziet, al is 't ook van
beneden, Als je met mijn zusters omgaat, wordt jij een dame als elk
ander, en dat verkies ik niet."
"Je wilt,mij een dom kind laten blijven, en daarom
[143:]
niet
tot je vrouw, je gelijke verheffen, je levensgezellin."
"Kind, je praat boekentaal. Ik vind je zóó onuitstaanbaar."
"Dat zal je voortaan altijd vinden. Laten wij dus niet weer elkander
zoeken; de wereld is immers groot genoeg, wij zullen elkander vermijden.
Ik zal een anderen dienst zoeken en jij gaat toch reizen, of wil je
liever hertrouwen met juffrouw Van Loenen?"
Hij zag haar aan met verbeten toorn.
"Rose, als je wist hoe je mij tergt," zeide hij met trillende
stem. "Ik heb je zoo noodig..."
"Voor Magdalena of voor Bacchante?" vroeg zij.
"Neen, voor mijn groot werk, dat ik in mij draag, voor mijn Rosa
Marina, dat mijn ziel vervult, mijn geest soms tot barstens toe overweldigt.
Ik moet er aan werken en daartoe heb ik je noodig. Ik zal je alles geven
wat je wenscht."
"Wat ik wensch wil je mij niet geven. Je hebt me noodig, al het
andere wat niet je kunst is, laat je onverschillig; of ik mij eenzaam
voel en verlaten, of je zuster mij onrechtvaardig beknort, of je neef
mij ongepaste dingen zegt, dat laat je koud. Ik besta alleen voor je
als geschikt model. Ik moet maar op jou bevel boos of verdrietig worden,
lachen of huilen, alleen om je doek te vullen, en dan moet de heele
wereld mijn gezicht beoordeelen en jou knapheid bewonderen? Neen, Frank,
ik wil 't 'niet meer!"
"Had mij qat dan eer gezegd vóór we trouwden. Het
tientje heb je afgewezen, mijn hand heb je aangenomen."
Zij zuchtte diep.
"'t Was voor Jans."
"En aan Jans heb je mij opgeofferd. Is dat mooi? Is dat edel? Je
kon toch toen immers al begrijpen, dat ik geen ander doel had om met
je te trouwen, dan wat je nu telkens herhaalt?"
"'t Is ook zoo, ik had schuld, maar ik begreep het nog niet zoo
goed als later. O Frank!" en zij zag hem
[144:]
smeekend aan, "laat
je kunst toch wat rusten; laten wij probeeren te doen als gewone menschen."
"Ik zou niet weten hoe 't anders aan te leggen. Ik ben niet van
plan te leven als mijn broer en zwager, ik ben artist en handel ook
zoo."
"Laten wij dan niet verder den tijd verliezen met praten, maar
nu spoedig heengaan," en zij stond op.
"Rose, wees toch verstandig! Waarom wil je niet eenvoudig mijn
wil doen? Is je leven nu zoo prettig? Was het vroeger zoo aangenaam
bij je vader aan huis? Zal je 't niet beter hebben bij mij?"
Zij schudde het hoofd.
"Dat is de vraag niet. Je wilde mij spreken over onze toekomst,
nu denk ik ook alleen daaraan. Ik moet je tot model dienen voor je groot
schilderij en ook voor kleinere, je wilt geld slaan uit mijn gezicht,
uit mijn gevoelens. Ik weet hoe dat gaat, maar op den duur zal ik mij
diep ongelukkig en vernederd gevoelen. Als meid ben ik onafhankelijk,
ik weet dat ik mijn plicht doe; ik verdraag wat er te verdragen valt,
maar ik ben tevreden over mijzelf. Ik schaam mij niet over mijn lot."
Hij streek langs zijn knevels en beet zich op de lippen.
"Rose, ik zou je kunnen bedriegen," zeide hij na een poos,
"maar dat wil ik niet. Wanneer je mij volgt naar het buitenland,
dan zal ik je dagelijks vragen om voor mij te poseeren. Mijn Zigeunerin
is met goud bekroond, mijn Magdalena heb ik verkocht voor.heel veel
geld, en als nu mijn Rosa Marina klaar is, de droom van mijn leven,
dan heb ik mijn doel bereikt. Ik kon je nu wel beloven dat, wanneer
't eens klaar is, ik je niet meer lastig zal vallen, maar dat kan ik
niet. ik zou mijn beloften zeker niet houden."
"Dan is er niets aan te doen, Frank. Wij gaan elk onzen weg!"
Zij ging naar buiten; hij volgde haar. Het regende; de geheele straat
was overdekt met parapluies, Frank stak de zijne op.
[145:]
"Geef mij den arm, Rose!" zeide hij, "dan gaan
we samen. Ik zal je naar de tram brengen."
Zij stak haar arm door den zijne; juist terwijl het volle licht uit
een winkel op haar gelaat viel, zag Rika de schoonmaakster haar aan
den arm van een heer voorbijgaan. Hem herkende zij niet, maar haar des
te beter.
"Daar heb je 't! Die fijne zus met een mijnheer, een heusche mijnheer,
hé Trien? Wie had dat kunnen denken!"
"Ja, je moet die kwezels nooit vertrouwen, moeder!"
"Wat zal Daatje er van ophooren!' Als zij 't doet, doet zij 't
goed."
Frank en Rose-Marie gingen snel voort.
"Zal ik een rijtuig nemen?" vroeg Frank.
"Dank je!" antwoordde zij, "ik ga met de tram."
"Bedenk je je niet?"
Een rijtuig kwam snel op hen af, het was een verwarring van parapluies
en tramwagens; even drukte Rose-Marie zich tegen hem aan als om bescherming
te zoeken; hij rukte haar weg uit het gedrang en was voor een oogenblik
weer onder den indruk van haar hulpeloosheid; zij was zoo jong, zoo
mooi, zoo lieftallig, en zij was toch zijn vrouw. Moest hij haar nu
weer van zich afstooten?
Waarom sloot hij haar niet in zijn armen, waarom schonk hij haar niet
wat zij wenschte?
"Rose," drong hij aan, "blijf je je houden aan die voorwaarde?"
Zij trok haar arm weg en antwoordde:
"Ja," en na een oogenblik: "Frank, je behoeft je niet
te schamen voor mij. Ik zal zoo bescheiden zijn en zoo eenvoudig tegenover
de dames van je familie, en we behoeven hier niet lang te blijven."
"Neen, je moet genoegen nemen met mijn wensch."
Zijn ontroering was weer voorbij; hij had Rose-Marie vergeten, hij zag
en voelde niets anders dan zijn Rosa Marina.
"Als je mij waarlijk liefhadt, zou je het mij niet weigeren,"
sprak hij.
[146:]
"Liefhebben? Och, Frank, waarom praat je nu daarover? Je
hebt mij immers nooit naar mijn gevoelens gevraagd."
Zij stonden voor de tram van de Linnaeusstraat; zij ging op de trede
staan en groette hem, hij bood haar de hand niet.
"Over een paar dagen kom ik je antwoord halen," zeide hij.
Zij maakte een beweging met het hoofd, die hij zeer goed begreep, er
was niets aan te doen, zij bleef onverzettelijk.
Het regende steeds harder, het was koud, morsig, guur, de lantaarns
spiegelden zich somber af in de natte straatsteenen, het heen en weer
schuiven der druipende parapluies tusschen de tramwagens, die hier en
daar bestormd werden, was. alles wat van de vroegere levendigheid overbleef,
en Frank overviel plotseling een heimwee naar licht, naar menschen,
naar gezelligheid.
Hij reed weg naar de Vondelstraat en voor zijn moeders huis stapte hij
uit. In het salon hoorde hij muziek en lachen, hij trad binnen tot verbazing
van zijn moeder en de meisjes. Anders vermeed hij alle gezelschappen;
hij nam een kop thee, Eugenie van Loenen zong uit Schubert; zij had
een lief stemmetje.
Met gesloten oogen luisterde Frank. toe:
"Haideröslein, Röslein suf der Haide" klonk het,
en toen diep weemoedig: "Röslein sprach, lch steche Dich,
dasz Du ewig denkst an mich!"
Hij huiverde, hij zag dien tramwagen terug vol vreemde menscben en het
meisje in haar regenmantel, zich een klein plaatsje daarin veroverende,
en toen reed de wagen weg in het donker, in den regen.
"lch steche Dich", herhaalde hij, "ja, zij heeft mij
gestoken, maar ik, ik, wat heb ik gedaan? Heb ik niet moedwillig haar
van den stengel gerukt? Arm, arm Roosje!"
Hij sprong op en ging naar buiten. Vergeefs riep hij de onbestemde vormen
van zijn Rosa Marina in den
[147:]
geest terug; hij zag het niet meer, maar in zijn ooren klonk het: Röslein, Röslein roth... en toen het "Dasz Du ewig denkst an mich!" en voor zijn oogen zweefde niets anders dan het droevige, maar vast besloten gezichtje zijner vrouw, zooals hij het 't laatst had gezien achter de beregende rijtuigglazen.