XII.
In het Nieuws van
den Dag en in een paar andere kranten stond bijna geregeld een paar
maal in het een advertentie; waarbij nu eens een keukenmeid, dan weer
een tweede meid gevraagd werd, Plantage Middellaan No. zooveel en zooveel.
Dit perceel werd bewoond door Mr. Zandberg, advocaat en procureur, die
getrouwd was met Charlotte van Haeren, oudste zuster van Frank.
Mevrouw Zandberg had in de huishoudsters- en meidenwereld den naam van
moeilijk booien te kunnen houden.
Waaraan was dit toe te schrijven? Aan zeker gebrek van tact bij de jonge
vrouw, aan het drietal bedienden die zij noodig had voor haar ruim huis,
misschien ook
[110:]
aan den kwaden naam, dien haar dienst door deze
langdurige verwisseling reeds gekregen had en waardoor het gehalte van
haar meidenpersoneel steeds meer en meer daalde.
Haar moeder en schoonzusters lachten er dikwijls om of schudden bedenkelijk
het hoofd; de oude mevrouw Van Haeren had al sinds twintig jaren dezelfde
meiden, en ook de keukenmeid van haar schoondochter Louise had haar
koperen feest reeds gevierd:
"Lotje maakt zich te familiaar in het begin, en als de meiden daar
misbruik van maken, wordt zij ongenaakbaar," meende Meta; haar
moeder zuchtte en zeide dat zij de meiden verwende, terwijl Louise verzekerde
dat Charlotte niet wist wat een fatsoenlijke meid toekwam, en dat zij
allerlei tuig in huis haalde.
Hoe 't ook zij, Charlotte klaagde en jammerde steeds over de dienstbodenplaag;
altijd had zij of een meid, die pas in dienst trad en die dan alle deugden
bezat, of wel eene die op vertrekken stond en het uitvaagsel van het
meidendom scheen.
Zoodra die welbekende advertentie weer in de courant verscheen, hield
zij 's avonds tusschen 7 en 9 uur audientie, tot wanhoop van haar man,
die dan slappe thee kreeg en geen oogenblik tijd had om een verstandig
woordje met zijn vrouw te spreken, alleen door die verwenschte meidenhistorie.
Op zekeren avond in het laatst van Februari waren er verscheidene geweest;
dames met hoeden vol veeren, pony hoofden of wel ware vogelverschriksters.
Met eIken keer dat de advertentie verscheen werd het gehalte slechter,
en Charlotte's ooren tuitten van al die zelfde praatjes, welke zij had
moeten aanhooren, en toch kon zij geen keuze doen; nadat zij de laatste
afscheid gegeven had, keerde zij in geen best humeur naar haar huiskamer
terug.
"Ben je geslaagd?" vroeg Mr. Zandberg.
"Dat kan je denken. Dat gaat zoo gauw niet!" was haar knorrig
antwoord. "Ik geloof nooit dat ik dezen
[111:]
keer klaarkom. En
ik kan het niet zoo volhouden. De schoonmaakster gaat overmorgen heen
en dan zit ik alleen met Daatje."
"Maar vrouw, waarom heb je dan die vorige, hoe heet ze ook weer,
zoo op stel en sprong laten vertrekken?"
"Ik zou je danken, die brutale slons nog een uur langer in huis
te houden. Ze bedierf me alles en zou me ziek maken bovendien. Ik tref
't altijd even slecht, en wat vandaag verscheen, is ook bitter weinig
zaaks. Ik had 't kunnen weten. Wat tusschentijds vrij komt is nooit
veel bijzonders."
"O, die meiden, die meiden! Ik wou dat het toch eens uit was."
"Je hebt makkelijk praten; ik moet er mee optrekken, jij niet."
"Maar 't is juist voor jou..."
Er werd zacht en bescheiden gebeld.
"O ja, daar is er weer één. Men kan geen oogenblik
rusten."
Inderdaad kwam de werkster aandienen:
"Een meissie om mevrouw te spreken!"
"Lottie, ik bid je," zeide mijnheer, "als het eenigszins
gaat, neem dan dit meisje, dan is ten minste voor vandaag 't gezanik
uit."
"Ja, voor vandaag, maar wie zegt je wat voor schepsel je dan weer
in huis haalt?"
Mevrouw ging met statigen gang het spreekkamertje binnen, waar een jong
meisje, doodeenvoudig gekleed in een donkerblauwen regenmantel met een
hoedje op zonder veeren, haar stond te wachten.
Mevrouw ging zitten en zag de nieuw aangekomene van het hoofd tot de
voeten oplettend aan; al doende leert men, en mevrouw Zandberg wist
precies hoe sollicitanten te behandelen.
"Ik kom op uwe advertentie," sprak het meisje met gepaste
vrijmoedigheid en met zulk een beschaafde uitspraak, dat mevrouw haar
verwonderd aanzag.
"Zoo, en hoe heet je?"
[112:]
"Marie Doorman," verstond mevrouw Zandberg.
"En heb je al gediend "
"Neen, mevrouw, maar ik heb thuis goed moeten werken."
"Hm, hm! Dat is hetzelfde niet; kan je tafel dienen?"
"Ik denk het wel, mevrouw!"
"En de wasch doen?"
"O ja, dat kan ik heel goed."
"Stoppen, naaien?" Mevrouw deed nog eenige vragen naar haar
kundigheden, welke steeds op denzelfden beschaafden toon beantwoord
werden; het meisje maakte bepaald een gunstigen indruk.
"En waar kan ik getuigen halen?"
"Ik heb nog nergens gediend, mevrouw."
"Maar waar wonen je ouders?"
"Mijn ouders zijn dood, mevrouw!"
"Je hebt toch wel familie?"
"Geen die mij kent."
"Dat is raar, heel raar! Ik moet toch ergens informaties inwinnen
vóór ik je in dienst neem."
"Ik zou niet weten bij wie, mevrouw! Wanneer u het met mij wil
probeeren, dan beloof ik u een trouwe gehoorzame dienstbode te zijn.
U zal geen reden hebben over mij te klagen, in geen opzicht. Ik beloof
't u."
"Zij drukt zich uit als een echte dame," dacht Charlotte,
en hardop sprak zij: "maar kind, ik geloof dat je nooit bestemd
waart om te dienen."
Zij glimlachte droevig.
"Dat kan wel zijn, mevrouw! Maar 't is geen schande eerlijk zijn
brood te verdienen. Och toe, mevrouw, waag u het maar mij op proef te
nemen. 't Zal u wel bevallen!"
Mevrouw Zandberg dacht na; zij had reeds zoo dikwijls getuigen gehaald
in alle hoeken der stad; zij moest telkens zooveel moois hooren en was
later telkens weer teleurgesteld, dat zij het nu zoo'n groot waagstuk
niet vond, geen andere getuigen te vertrouwen dan haar eigen oogen en
ooren. Het meisje zag er door en door
[113:]
fatsoenlijk uit, zij sprak
zoo netjes en beschaafd, en vooral mevrouw was bang niet klaar te komen.
"Wanneer kan je in dienst komen?" vroeg zij.
"Liefst dadelijk, mevrouw!"
"En kan je mij nu niet zeggen, waarom je nu zoo alleen op de wereld
staat en niemand mij over je kan inlichten? Dat klinkt verdacht."
"Zeker, mevrouw, dat doet het ook, maar ik kan u niets zeggen.
Het komt door omstandigheden. Als mevrouw mij verdenkt, dan moet zij
mij niet nemen. 't Zou me spijten, want ik had mevrouw gaarne gediend."
Na wat over en weer praten besloot mevrouw Zandberg het toch met het
meisje te probeeren; over het loon, waschgeld en uitgaan waren zij het
dadelijk eens, en toen Charlotte bij haar man terugkwam had zij toch
weer spijt.
"Ik hoop dat het mij niet berouwen zal zoo te goeder trouw te hebben
gehandeld," zeide zij met een zucht.
"Nu, het zal wel gaan," troostte haar man.
De familie sloeg de handen in mekaar; juist iets voor Charlotte, een
meisje te nemen, zonder getuigen, dat niet eens kon vertellen waar zij
vandaan kwam; wie weet wat voor schepsel zij onder dak kreeg, wie weet
hoe bitter het haar zou berouwen!
Maar Charlotte berouwde het volstrekt niet; zij had er een eerlijk,
keurig, en durfde het gerust zeggen, een braaf meisje aan.
Sophie en Meta zagen verbaasd naar de nieuwe meid.
"Precies een verkleede prinses," zeiden zij.
Inderdaad, zij trok ieders opmerkzaamheid in haar helder blauw katoenen
japonnetje, met het tulen mutsje op het hoofd; er was niets opzichtigs
aan haar en toch zeide ieder tot Charlotte:
"Hoe kom je toch aan die dame? Bepaald, zij is geen gewone meid."
Maar er viel niets, letterlijk niets, op haar aan te merken; ze deed
haar plicht stil, bedaard, nauwgezet; of mevrouw te veel eischte of
te weinig, zij gehoor
[114:]
zaamde; zij ging nooit uit dan naar de kerk,
en geene andere afleiding kende zij dan te lezen of te schrijven op
haar kamer. Tegen de andere bedienden was zij vriendelijk, voorkomend,
maar zij maakte zich niet gemeenzaam met hen; gemeenzaam was zij trouwens
met niemand, en zelfw mevrouw wist zij op een afstand te houden. Charlotte
wist dat zij niet mooi, niet geestig zelfs, niet knap was; zij troostte
zich over al deze tekortkomingen met de wetenschap dat zij lief was.
Lief, maar zoo lief, als men 't zich maar voorstellen kon; de lieve
mevrouw Zandberg heette zij overal, en die liefheid liet zij zich door
haar omgeving soms duur betalen. Zelfs tegen haar meiden trachtte zij
altijd even lief te zijn, en wee hen, zoo zij die liefheid niet waardeerden
of niet erkenden. Tegen Marie, de nieuwe meid, was mevrouw liever dan
ooit; zij had er behoefte aan deze geheel onder den indruk te brengen
van haar lieftalligheid, maar 't gelukte niet.
Het was onmogelijk ooit aan Marie te zien of zij haar meesteres lief
vond of niet; mevrouw was haar meesteres, meer niet, en zij vervulde
haar wenschen, hetzij deze haar op vriendelijken of minder vriendelijken
toon werden overgebracht, altijd even nauwkeurig en stipt, maar altijd
even zwijgend.
"Maar valt er nu niets op dat meisje aan te merken?" vroeg
men haar
"Neen, niets! Ik zou niets kunnen opnoemen; 't zou alleen wezen
dat zij wat stug is, maar dat kan ik toch ook niet zeggen; zij is wat
teruggetrokken, wat op zichzelf, en toch vriendelijk, voorkomend, vol
attenties voor mij. Praatjes houdt ze niet. Neen, zoo'n meid krijg ik
nooit meer."
"Ja, 't is een juweel; maar weet je nu niets van haar familie?
Gaat zij nooit uit? Heeft zij geen vrijer?"
"Volstrekt niet; zij heeft in niets pleizier dan in haar werk.
Hoe dikwijls heb ik 't niet gedacht en gezegd: Ik begrijp niet hoe die
meiden toch altijd zoo vol, gebreken zitten, me dunkt als ik meid was,
zou mijn
[115:]
mevrouw nooit iets op mij aan te merken hebben, want
in de meeste goede huizen wordt niets van haar verlangd dan dat zij
haar plicht doen en een vriendelijk gezicht zetten. En dat schijnt voor
de dames toch zoo verbazend moeilijk te zijn. Marie is de eerste die
't doet, en dus ben ik meer dan tevreden over haar."
De mevrouwen Van Haeren Sr. en Jr. bleven steeds het hoofd schudden
over de wondermeid; zij begrepen nog maar niet hoe Charlotte toch iemand
zonder getuigen in huis had durven nemen, een meisje dat niemand kende
en door niemand gekend werd.
"En dan heeft zij donker, kroes haar! Hoe vindt je dat? Een meid
met donker haar mag ik toch al niet graag; blond staat zoo netjes onder
de muts, en dan nog kroes!"
"Neen, mama, dat kan zij toch niet helpen," en Charlotte's
hooge stem klonk op 't oogenblik minder lief, "zij kan haar haar
toch niet blond verven en zij strijkt het genoeg glad; dat het nu zoo'n
beetje opkruIt is haar schuld niet. Zij doet er aan wat zij kan."
Men haalde de schouders op en sprak:
"De tijd zal 't leeren! Ze kunnen zich maanden goed houden, maar
dan vertoon en ze op eens haar ware gedaante. Dat is meer gezien!"
Intusschen ging alles geregeld voort; Marie werd door de keukenmeid
en werkster wel .eens bestempeld met de namen van "Fijn Zusje",
"femelaarster", "stroopsmeerster". Zij deed echter
of zij niets hoorde, bewees haar kameraden de noodige beleefdheid en
ging haar weg ongestoord, eenzaam, maar steeds volmaakt onberispelijk.
Toen het zomer was en mevrouw met haar moeder en zusters "naar
buiten" zouden gaan, wilde zij Marie kostgeld geven, maar het meisje
antwoordde dat zij geen tehuis had en dus liever in haar dienst bleef.
"Mijn hemel, wees toch wijs, Lotte, en vertrouw dat vreemde schepsel
je huis niet toe," zeide Louise angstig.
"Och kom, met je achterdocht! Ik vertrouw steeds op het goede in
de menschen en jelui op 't kwade;
[116:]
je zult zien dat de uitkomst
mij gelijk geeft. Ik wil geen kwaad denken, waar er hoegenaamd geen
aanleiding toe bestaat."
En de uitkomst bleek haar voor dezen keer nogmaals gelijk te geven.
Marie zorgde uitstekend voor het huis; haar eerlijkheid en trouw werden
alleen overtroffen door haar nauwgezette plichtsbetrachting en haar
behartiging van de belangen harer meesteres.
"Zij is een ideaal," riep Charlotte opgetogen uit.
"Als je maar wist waar ze vandaan kwam. Kan Zandberg daar niet
achter komen?"
"AI zou bij 't ook kunnen, ik vind het beneden mij daarvan misbruik
te maken. Marie dient me goed en zij heeft redenen om haar eigen zaken
geheim te houden. Ik moet dien wensch eerbiedigen; een meid heeft evengoed
rechten als elk ander."
En trotsch op die mooie tirade, zag mevrouw Zandberg haar moeder en
zusters triomfantelijk aan.
Eens was Marie met het een of ander werk bezig in de kamer; haar mevrouwen
Sophie zaten bij het raam te praten en letten niet op haar tegenwoordigheid.
"Hoor jelui niets meer van Frank?" vroeg Charlotte.
"Niets; wat zouden wij van hem hooren! Ik vind het toch zoo verdrietig,
dat bij nu geheel dood voor ons schijnt. Mama heeft te veel naar Henri
geluisterd, zij had wat hartelijker tegen hem en zijn vrouw moeten zijn."
"Wanneer heeft hij het laatste teeken van leven gegeven?"
"Het laatste op een briefkaart aan Henri, om hem te verzoeken het
geld betaalbaar te stellen bij een bankier in Madrid."
"Dus is hij nu in Spanje? Met zijn vrouw?"
"Dat zal wel! Verbeeld je, toen Meta laatst in Den Haag was, is
zij naar zijn adres gegaan in de Celebesstraat, maar hij had het reeds
sinds Februari verlaten."
"En vroeg Meta geen bijzonderheden?"
"Neen, zij vond dat te min."
"Hoe dom! Ik had ze wel uitgeboord. Dat verzeker ik je."
[117:]
"Ik hoor dat hij dit jaar in Arti exposeeren zal. Vreeselijk
naar, iedereen spreekt er over en vraagt naar je broer, en dan zelf
er niets van te weten."
"Och, je zult zien, hij komt op een goeden dag uit de lucht vallen
Hé, Marie, ben je daar! Wil je mij mijn sleutelmandje eens geven;
het ligt, geloof ik, in de tuinkamer."
"Als het u belieft, mevrouw!"
"Wat is zij bleek! Scheelt haar iets?"
"Zoo? 't Is me niet opgevallen. Zij is heel goed gezond. Vindt
je haar nu zoo mooi, Phie, als sommigen er over roepen?"
"Ik heb haar nooit mooi gevonden. Meta vindt haar een dotje, en
zegt dat zij zulke prachtige oogen heeft."
"Je ziet zoo weinig van haar oogen; zij houdt ze altijd neergeslagen
en dit bevalt mama en Louise ook weer niet. Zij hebben het alttid tegen
haar, zooals zij trouwens altijd op mij en mijn huishouden te vitten
hebben. Ik begrijp niet hoe dat komt! Ik doe toch alles, om het allen
naar den zin te maken, en toch kan ik ze nooit tevredenstellen. Die
heeft dit en die weer dat op mij te zeggen. 't Is heel verdrietig."
"Kom, trek je dat zoo niet aan. Je bent tevreden over Marie, laat
de anderen maar praten."
"Dat kan je makkelijk zeggen, maar als je een eigen huishouden
hebt en allen bemoeien er zich mee... "
Marie bracht het sleutelmandje.
"Dank je wel, Marie! Wil je de wasch uitzoeken en natellen? Ik
kom dadelijk!"
"Heel goed, mevrouw!"
"Wat een houding en manieren," zeide Sophie, toen het meisje
heenging; "men zou zeggen, dat zij de mevrouw was." "En
ik de meid, hè?"
"Nu, dat zeg ik niet, ik bedoel maar dat zij zoo heel anders is
dan gewone meiden."
Eenige weken latter werd de tentoonstelling in Arti geopend., en Meta
en Sophie lieten daar moeder geen
[118:]
rust om reeds den eersten dag
den beste naar het Rokin te rijden; zij waren zoo nieuwsgierig het werk
van haar broeder te zien.
De twee kleine doeken trokken zeer de aandacht; zij waren geheel volgens
de nieuwe richting geschilderd: in krachtige trekken, met zonderlinge
kleuren, die op een bepaalden afstand gezien moesten worden om eenigen
indruk te geven. Maar toen zij het bepaalde punt gevonden hadden, gelukte
het den dames een vrouwenkopje te onderscheiden met een schel rooden
doek om het hoofd, bruingele wangen en oogen, die tusschen al die verkwisting
van verf als twee karbonkels flikkerden en door een schitterend geel
pakje zeer werden opgehaald.
"'t Is toch mooi als je er lang op kijkt," zeide Sophie. "Echt
op zijn Franksch; het moet een Zigeunerin voorstellen."
Nu zij eenmaal in al die vegen en kladden thuis waren, pakte het kopje
hen met onweerstaanbare kracht.
"Zij leeft toch. Wat 'n oogen en wat 'n licht in dat rood fluweelen
doekje, afstekend bij dat gele kleedje," fluisterde Sophie.
"Ze lijkt op iemand,maar ik kan me niet herinneren op wie,"
mompelde Meta. "Vindt u niet, ma, dat zij een bekend gezicht heeft?"
Mevrouw zette haar face à main, met den langen schildpadden steel,
nog eens goed voor de oogen en zeide onverschillig:
"Ik noem het kladwerk; ik begrijp niet, hoe men daarin iets moois
kan vinden."
"Maar op wie lijkt ze toch?"
"Als zij op iemand lijken moet, dan op Marie van Charlotte."
"Op Marie! Hoe komt u er aan?"
"Dag ma! Dag meisjes!"
Verschrikt zagen de meisjes om en de schilder stond achter haar.
"Frank!" riep mevrouwen werd doodsbleek; de zusjes stonden
als aan den grond genageld.
[119:]
Mevrouw nam haar verloren zoon bij den arm en bereikte al wankelend
met hem een rood fluweelen bank, die midden in de zaal stond.
Zij beefde zoo sterk, dat de meisjes ongerust werden en Frank verwijtend
aanzagen.
"Hoe kon je ook zoo onvoorzichtig zijn?" beet Meta hem toe.
"Onvoorzichtig? Ik dacht niet u hier te treffen vóór
mijn schilderij. Waarom schrikt u dàn ook zoo, ma?"
"In deze omgeving, tusschen al die menschen... je zoo onverwacht
terugzien... O Frank! wat heb je mij toch verdriet gedaan."
"St. ma!" smeekte Sophie, "houdt toch goed, men kijkt
ons aan. Laten we spoedig vertrekken!"
"Je komt toch met ons mee!"
"Heel graag, als u er op gesteld is!"
"Of ik er op gesteld ben - o Frank, als je wist hoe ik naar je
heb verlangd al dien tijd!"
"Laat ons spoedig gaan!" drong Sophie, die in de verte beweging
zag en het familietooneel niet graag aan ieder verraden wilde.
Frank gaf zijn moeder den arm en zij verlieten met hun vieren de zaal;
Frank stapte, op dringend verzoek, mee in het rijtuig.
Daar begon het kruisvuur! Waar was hij geweest? Wanneer was hij in Amsterdam
gekomen - Waarom deed hij toch zoo raar? Wat waren zijn plannen nu,
en eindelijk de groote vraag: - Waar was z ij -?
Frank had tusschen het drukke gevraag der drie vrouwen, slechts nu en
dan een woord losgelaten: "In Spanje en Tunis". "Sedert
van morgen"; maar toen Meta de brandende vraag deed, antwoordde
hij dntwijkend:
"Z ij is niet bij mij."
"Maar waar is zij dan?"
"Dat weet ik niet. Zij is weg."
"Weg? Heeft zij je verlaten?"
"Ja!"
"En sinds wanneer?"
[120:]
"Voordat ik Den Haag uitging!"
"En je weet niet waar zij is?"
"Neen."
"Maar waarom is zij dan weggegaan?"
"Wij begrepen mekaar niet, geloof ik!"
"Geloof ik? Dus je weet het niet eens zeker?"
"Och, mama, doe me plezier en praat niet meer over die historie;
't is een lamme boel geweest, dat heele trouwen van mij. Hoe minder
er over gepraat wordt hoe beter; er is toch niets meer aan te doen.
Zij is weg; Joost mag weten waar, en ik zal haar niet terughalen."
"Ach, hoe treurig..." wilde mevrouw Van Haeren zeggen, maar
Meta brak in een zenuwachtigen lach los.
"Echt artistiek, zoo'n trouwen," riep zij tusschen het lachen
door. "'t Huwelijkje wel, hoor! Dus je bent nu weer vrijgezel?"
"En je komt weer bij ons wonen als vroeger?"
"Ja, onder voorwaarde dat er niet gezeurd wordt noch door ma, noch
door de meisjes, noch door Henri of door Lotte, want dan ga ik dadelijk
heen, en anders blijf ik hier totdat mijn voeten weer beginnen te kriebelen."
"Neen; neen," riep Sophie, die gaarne voor de teedere zuster
speelde, "wij zullen het je niet lastig maken. Blijf gerust, beste
jongen, niet waar, ma?"
"Ik zal mijn huis niet sluiten voor een kind van mij. Ik had het
voor zijn vrouw zelfs niet gedaan, als hij 't anders had aangelegd,
maar het is nu zoo jammer, zoo jammer
"
"Er is zooveel jammer," zeide hij, het gelaat tegen het glas
van het portier drukkend; maar Sophie nam zijn hand en zeide hartelijk:
"O, Frank, wat is dat stuk van je mooi; 't is of er licht uit dat
doek en die japon straalt, en die oogen zijn precies zwarte diamanten.
Wie is je model toch geweest?"
"Zij eerst, maar ik heb 't later uit het hoofd afgemaakt."
[121:]
"En heb je veel af?"
"Een massa schetsen."
"Maar je groot werk?"
Een wolk trok over zijn gelaat.
"Dat kan niet vorderen."
"Wat ontbreekt je dan?"
"Een impressie, een krachtige impressie, die mijn ziel vervult
en in staat stelt haar terug te geven op het doek."