XI.
Na Nieuwjaar begon Jansje te sukkelen; zij hoestte, kreeg koorts, gaf bloed op en weldra zeide de dokter dat er gevaar was. Rose-Marie verzorgde haar nacht en dag met onvermoeide liefde, en ook Frank ontzag kosten noch moeite om het ongelukkige kind haar laatste dagen te veraangenamen.
[98:]
Jansje was nu lastiger en veeleischender dan ooit; zij pruttelde
over alles, niets was haar goed genoeg; toen Rose-Marie, gewaarschuwd
door den dokter dat het einde naderde, haar vroeg of zij haar vader
niet wenschte te zien, antwoordde zij cyniek:
"Dank je wel! Ik heb hem meer gezien dan mij lief was, toen ik
leven moest. Schrijf hem dat ik dood ben, en daarmee uit."
"Jansje, bedenk dat het je eigen vader is!"
"Die blij was mij kwijt te raken. Je hebt wat langer met mij opgescheept
gezeten, Roos; wat zal het voor jou en Frank een opluchting zijn als
ik dood ben. 't Is zoo heel best, hoor! Als ik er niet meer ben, dan
ga jelui het zeker anders aanleggen en doen als gewone getrouwde menschen,
die een huishouden opzetten."
"Och, Jans, als je wist hoe graag ik je houden wilde."
"Kom, wees wijzer! Ik ben altijd een sta-in-den-weg geweest. Was
ik maar eer gestorven, dan zou je Frank nooit getrouwd hebben, want
je hoort toch niet bij mekaar. Je hebt het alleen gedaan om mij. en
nu ga ik toch gauw dood. Had ik dat geweten; dan had ik 't nog liever
wat uitgehouden bij hem."
Toen het eindelijk op 't laatste liep, werd zij een weinig zachter gestemd.
Rose-Marie was in dagen niet naar bed geweest; zij zag er afgemat uit.
"Roos," zeide zij, je bent een goeie meid. Als ik mama ontmoet,
dan zal ik haar zeggen dat je je belofte flink bent nagekomen, en dat
zij je dankbaar mag wezen voor mij, maar ook dat zij te veel van je
heeft verlangd."
"Zeg dat niet," snikte Rose-Marie; "wat ik voor je deed,
ik deed het met liefde, en nu blijf ik zoo alleen over, zoo heel alleen."
"Och, mijn gezelschap was zooveel niet waard! En je bent toch getrouwd,
je hebt een man. Een ding wil ik je nog alleen zeggen, Roos, er is nog
maar een kans van geluk voor je, en die hangt af van Frank! Zorg dat
hij van je houdt en jij van hem!"
[99:]
"Hij houdt alleen van zijn verf, van niets anders. Ik wou
dat je bij me bleef, Jans! O God! 't is zoo vreeselijk alleen, heel
alleen."
"Maak je niet zoo opgewonden! Waarlijk, 't spijt mij niet dat ik
nu al gedaan heb met het leven. Wat was het voor mij? Een ellendige
boel, ik kon mijn eigen figuur niet uitstaan, en ik had in niets op
de wereld pleizier. Ik hoop, dat ik 't nu beter zal krijgen."
Zij stierf nog vrij onverwacht en Rose-Marie ging vreeselijk aan; Frank
was goed en geduldig tegen haar; hij zorgde voor een nette begrafenis.
Gresinger kwam over, stortte eenige dronkemanstranen, en verweet Rose-Marie
dat zij hem niet bijtijds gewaarschuwd had om zijn eenig kind de oogen
toe te drukken. Toen men van de begrafenis terugkeerde, weigerde hij
het sterfhuis te betreden en noch Frank noch zijn vrouw drongen er op
aan.
Toen Frank de kamer binnenkwam, viel Rose-Marie hem schreiend om den
hals en snikte:
"Och, Frank, ik ben nu zoo geheel alleen, wil je nu niet je best
doen een heel klein beetje van mij te houden?"
Hij voelde zich ontroerd, een vlaag van medelijden overviel hem toen
die bevallige gestalte zich zóo hulpeloos tegen hem aan vlijde
en haar groote mooie oogen biddend tot hem richtte, maar terwijl hij
haar aanzag trof 't hem dat zij nu juist in haar gelaat de uitdrukking
had van een figuur, dat hem sinds lang voor den geest had gezweefd,
een weeskind in het kostuum van het Amsterdamsch burgerweeshuis.
"Even nog, even nog! Zoo! Een oogenblikje bid ik je!'
Maar boos trok Rose-Marie zich los, toorn flikkerde in haar oogen en
Frank stampte ongeduldig met den voet op den grond.
"Je wil me ook nooit begrijpen," zeide hij.
"Begrijpen!" herhaalde zij, zenuwachtig door verdriet, nachtwaken
en teleurstelling; "begrijpen! Ik begrijp je heel goed, maar jij
begrijpt m niet of je wil mij niet begrijpen. Je hebt me getrouwd, omdat
jij
[100:]
anders geen kans zag mij tot model te gebruiken, en nu laat
je mij huilen en lachen, alleen om tot je doel te komen; anders kan
ik je niets schelen, niets!"
"Kom, Rose, wees nu zoo dwaas niet! Ga wat slapen!"
"Ja, zeker, ik ga slapen, ik ga rusten en als ik wat opgeknapt
ben, dan moet ik weer voor je zitten. Nu, 't is goed, je, hebt duur
genoeg je model gekocht. Ik zal 't doen zoolang totdat totdat ik het
niet meer kan."
En zij ging de kamer uit, trad in de sterfkamer, wierp zich in een fauteuil
en schreide zichzelf in slaap. Hoelang zij, overmand door aandoening
en vermoeienis, zoo rustte, wist zij niet; zij werd wakker door een
zware, vettige stem, waarvan zij den onaangenamen klank maar al te goed
kende; daar tusschenin klonken de bedaarde, beschaafde, afgemeten woorden
van Frank.
"Wat komt hij hier doen, Jans?" riep zij, nog duizelig van
den slaap. Toen kwam de bezinning langzamerhand terug:
"Jansje is van morgen begraven en nu heeft Gresinger zich bedronken
en komt het Frank lastig maken."
Zij stond op, stak haar verwarde haren vast, en liep naar de huiskamer,
waar Gresinger tegenover Frank stond, en op huilenden, jammerenden toon
klaagde over zijn verdriet, over de koelheid zijner kinderen, over den
dood van Jansje en den haat van Roosje, die hij altijd als zijn eigen
dochter had liefgehad... .ja zeker, liefgehad. Zijn klacht eindigde
in een snik.
Met zijn rooden zakdoek veegde hij zich het purperen gelaat af en hij
zou nu eens zijn lieven schoonzoon vertellen, hoe hij eigenlijk zoo
ongelukkig was geworden, dan zou hij inzien dat het zijn schuld niet
was, neen, waarlijk niet, en dat hij wel steun verdiende en hulp.
Frank verzekerde tevergeefs dat hij 't heel goed begreep, en verontschuldigde
zich dat bij geen tijd had.
Dat was niets, hij kon toch niet meer terug naar Amsterdam; men had
hem zijn geld en zijn retourkaartje ontstolen, hij zou hier wel slapen,
al was 't maar op den
[101:]
grond. Frank verzocht hem vriendelijk heen
te gaan; hij zou een rijtuig laten halen en hem geld geven voor de reis.
Rose-Marie luisterde met genot naar zijn zachte, beschaafde stem, die
zoo hemelsbreed verschilde van Gresinger's dubbele tong, en plotselIng
overviel haar een gevoel van schaamte en medelijden, en onder dezen
indruk kwam zij de kamer binnen met opgeheven hoofd en gebalde vuistjes.
"Wat kom je hier doen?" vroeg zij zoo barsch als zij haar
lieve stem maken kon, en bleef vlak tegenover hem staan; "je heb
hier niets meer te doen. Je dochter is er met meer, je dochter, die
je ongelukkIg hebt gemaakt en wier leven je verbitterde; zij en mijne
lieve moeder, die je dood hebt gekweld, zijn beiden weg; waar zij nu
zijn, daar kan je ze niet meer plagen, en ik heb niets meer met je te
maken en mijn man ook niet. Je bent mijn voogd niet langer, Goddank!
Maak dat je wegkomt en probeer het niet ooit weer ons huis te betreden.
Wij hebben 't ongelukkige oogenblik, dat mama je voor 't eerst zag,
duur genoeg moeten betalen. Nu is het uit, heelemaal uit, en als je
niet gauw heengaat, dan roept mijnheer Van Haeren de politie. Je hoeft
hem ook niet lastig te vallen, zooals je ons hebt getergd."
Zij zag er allerliefst uit in haar dreigende houding, haar krullend
haar nog wat verward om het hoofd.
Frank dacht niet meer aan Gresinger, hij luisterde niet naar 't geen
zij zeide. Op een courant, die onder zijn bereik lag, maakte hij snel
een paar krabbeltjes; daar kreeg hij het idee, zóó dacht
hij zich zijn "Rosa Marina" in opstand tegen de zee, een vloek
tegen haar uitsprekend; Ja, zoo, dat moest het worden.
Ongelukkig zag Rose-Marie zijn beweging. Alle verontwaardiging tegen
haar stiefvader, die het waagde haar man te plagen, zooals hij het haar
moeder, haar zuster en haar jeugd had gedaan, verdween.
Zij keerde zich om en groote moedeloosheid teekende zich in haar geheele
houding.
[102:]
"Ga nu heen!" zeide zij tot Gresinger, die luid begon
te schreien, "maak het me niet zwaarder."
"En dit op den begrafenisdag van mijn eenig kind! O, Roosje, wat
ben je hard, wat ben je hard! In plaats dat je mij eenigszins mijn verlies
vergoedt, dat je mij toestaat je als mijn dochter te beschouwen in ruil
voor mijn arm Jansje, vaar je zoo tegen mij uit, ben je zoo hard, zoo
scherp!"
"Bah, comedie, ik haat alle comedie! Hoe je mij als dochter hebt
behandeld, mij en je eigen kind, dat weten wij genoeg! Zorg dat bij
wegkomt, Frank! Ik duld hem niet in huis."
Zij liep weg en Frank gelukte het, hem, door geld en goede woorden,
de trap af en het huis uit te krijgen.
Eenige dagen gingen voorbij zonder dat Frank pogingen deed om Rose-Marie
weer tot poseeren te krijgen.
Eindelijk kon hij het niet langer meer uithouden; behalve de aandrift
van zijn scbeppenden geest drong nog een andere reden hem tot werken.
Hij kreeg van huis niets dan de renten van zijn vaders erfdeel; op zijn
bedreiging dat hij het kapitaal zou terugvragen, had Henri hem geantwoord
door de toezending van een rekening-courant, waaruit bleek dat hij het
grootste gedeelte van zijn portie reeds had genoten, en dat hij veel
verstandiger deed zich tevreden te steIlen met de renten, die hem geregeld
werden gezonden. Maar het "binnenshuis" wonen met drie menschen
kostte veel geld; daarenboven waren Jansje's ziekte en begrafenis duurder
gebleken dan hij dacht, en geld van zijn schilderijen had Frank nog
niet verdiend, om de eenvoudige reden dat hij nog nooit een doek voltooide.
Hij moest iets afmaken, iets verkoopen en geld verdienen; maar zijn
onrustige geest kon zich nooit tot een enkele zaak bepalen. Eindelijk
besloot hij zijn "Rosa Marina" te laten wachten en intusschen
aan zijn "Amsterdamsche weeze" te werken, waarvoor hem door
een kunstkooper reeds een aardig sommetje was toegezegd.
[103:]
"Wanneer het model nu maar wil," dacht hij en vroeg
Rose-Marie zeer vriendelijk of zij morgen weer in zijn attelier wilde
komen. Zij had sinds lang haar boosheid van dien avond vergeten en trad
met de beste voornemens bezield in het atelier; eerst wilde hij haar
als wees laten zitten en gaf haar de geschikte kleeding om aan te trekken.
Rose-Marie verkleedde zich en lachte hartelijk, toen zij zich in dat
toilet zag; hij lachte mede, liet haar nu zitten op een laag bankje,
haar hoofd leunen tegen een schut, de handen gevouwen in den schoot
leggen en begon toen over Jansje en haar moeder te spreken.
Hij liet haar allerlei bijzonderheden vertellen over haar treurige jeugd,
over haar beider samenleven, en ondertusschen zat hij met het hoofd
op beide handen geleund haar aandachtig te beschouwen.
Meegesleept door zijn belangstelling, blijde haar hart eens te kunnen
openen, vertelde zij altijd maar door, en op de meest ongekunstelde
wijze sprak haar gelaat met haar woorden mede; lang bleef zij al pratende
in de houding, die hij haar had aangegeven, maar toen dikke tranen voor
den dag kwamen en zij, om deze af te wisschen, even haar houding wilde
veranderen, sprong Frank toe en riep uit:
"Neen, ik bid je! Blijf nu zoo! 't Is prachtig, prachtig!"
Nu begreep zij zijn bedoeling en verbaasde zich er over, dat zij zich
zoo onnoozel door hem had laten vangen; haar bloed kookte en zij wierp
hem een blik toe vol verwijt.
"Mooi, mooi!" riep hij vol verrukking. "Dit is het juist!"
Zij bleef zitten, diep neergeslagen, inwendig wanhopig; de handen nog
altijd op den schoot, en Frank werkte voort, uren lang.
Eindelijk gaf hij haar verlof op te staan, en met een hartelijkheid,
die zij niet van hem gewoon.was, nam hij na afloop der zitting, haar
handen in de zijne, kuste haar en sprak:
[104:]
"Nu ben je vandaag mijn lief, gehoorzaam vrouwtje geweest;
ik heb heerlijk gewerkt en dat heb ik aan jou te danken, aan niemand
anders!"
Zij keerde haar gelaat af en ging zonder een woord te spreken naar buiten;
haar hart was tot brekens vol; verontwaardiging, medelijden, schaamte,
wroeging vervulden haar ziel, en zij kon er geen uitdrukking aan geven.
"Ik ben hem dank schuldig, ik ben 't verplicht mij door hem als
modepop te laten gebruiken," mompelde zij.
Het schilderijtje kwam spoedig af en viel waarlijk goed uit. De kunstkooper
was er ten minste zeer over tevreden, het was volgens den laatsten smaak
en toch voor ieder begrijpelijk; hij stelde het voor zijn winkelkast
ten toon en het trok vele kijkers; men kon het trottoir voor den winkel
haast niet over, zoo vol was het er steeds.
Rose-Marie kwam er langs en bleef een poosje stilstaan om het hier,
in deze vreemde omgeving, ook eens te zien.
Zonderling, dat was zij zelf; haar innigste, haar diepste, haar heiligste
gevoelens tentoongesteld voor onverschilligen, voor spotters; haar man
had ze kunstmatig op haar gelaat geroepen om er zijn voordeel mee te
doen.
"Wat een zeurig gezicht," hoorde zij een ruw werkman zeggen.
"Neen, maar't is in-beeldig!" zei een freuletje met de mof
voor het gelaat.
"Een snoes van een meid," verklaarde een dandy.
"Waar die schilder dat model heeft opgedoken?"
Zij ging heen, het hoofd diep gebogen, niets zoozeer vreezende dan dat
men in haar het origineel zou herkennen.
"Hij slaat geld uit mijn gezicht en gevoelens," mompelde zij,
en een snijdende pijn ging haar door de ziel; "anders ben ik hem
niets, niets!"
Thuisgekomen, vond zij Frank in zeer opgewekte stemming; de kunstkooper
had het doekje voordeelig
[105:]
verkocht, maar de kooper wenschte er
een pendant bij te hebben; iets dat niet alleen minder treurig, maar
geheel tegenovergesteld was, een bacchante of zoo iets.
"En moet ik daar ook voor poseeren?" vroeg Rose-Marie. "Dat
doe ik niet. Zulke gevoelens heb ik niet in mijn ziel en die kan ik
ook niet uitdrukken."
"Maar kind! Bedenk toch
"
"Neen; dat wil ik niet.' Een bacchante is een slechte vrouw en
dat ben ik niet, en wil 't ook niet schijnen."
"Op een doek?"
"Noch op een doek, noch in jou oogen."
Haar weigering was onverzettelijk, en Frank kon praten zooveel hij wilde;
zij zette een heel boos gezicht en hij kreeg een ander idee; aan zijn
begunstiger schreef hij eenvoudig dat hij een bacchante geen geschikte
pendant vond voor een Amsterdamsche burgerweeze, maar dat, als men 't
hem overliet, hij een doekje zou maken zeker niet minder goed dan het
eerste.
Nu schafte hij zich een Zeeuwsch kostuum aan, stak Rose-Marie daarin
en liet haar over een hek leunen, met de aanbeveling heel boos te kijken,
zooals hij het laatst van haar gezien had.
"Je hebt niets voor me over," pruttelde hij; "ik doe
alles voor je om je in een goed humeur te houden. Ik geef je wat je
wil. En in plaats van nu ook eens mijn zin te doen, werk je mij altijd
tegen. Denk je dat ik rijk ben? Als ik 't was, zou ik niet zulke prullen
schilderen als dit; het groote werk dat in mij leeft en dat mij geen
rust laat dag noch nacht, zou ik afmaken, maar eerst moet ik geld verdienen,
en in plaats dat mijn vrouw, zooals het haar plicht is, mij helpt waar
ze kan, contrarieert zij mij onophoudelijk, maakt mij mijn werk moeilijk,
verzwaart mijn taak. Had ik dat vermoed... "
Terwijl hij sprak had Frank haar onophoudelijk aangezien en met inwendig
genot de dreigende wolken op haar gelaat bespied. Ja, zoo moest zij
zien, dat had hij noodig om een pruilend boerInnetje voor te stellen.
[106:]
Maar eensklaps barstte zij uit:
"Is je dat meenens, Frank, of is dat ook comedie? Wil je mij boos
hebben om je schilderij te doen gelukken, of is het je ernst wat je
daar zegt?"
"Mijn hemel, kind! bedaar! Nu span je de snaren te hoog. Niet woedend
worden, pruilen alleen, het lipje laten hangen."
"En ik bedank je; ik wil niet langer als speelpop door je gebruikt
worden. Je doet met mij zooals mevrouw Ronner met haar katjes; die laat
ze spelen met kluwens en met moffen en globes, en ik weet al niet wat,
en dan schildert zij ze af in al die poses. Maar wat zij met haar beesten
doen kan, dat mag je niet doen met mij. Ik ben een mensch, en omdat
ik arm was en in treurige omstandigheden, had je het recht niet mij
te dwingen, ja, te dwingen, dat heb je gedaan, mij dwingen om met je
te trouwen, en nu behandel je mij niet als je vrouw, maar als je model.
Ik moet lachen, huilen, boos zijn, net zooals het je belieft, en dan
teeken je mij af en dan verkoop je mijn portret, o foei...."
Frank stond haar bewonderend aan te zien, terwijl zij uitbarstte; zij
zag er nu precies zoo uit als dien avond tegenover haar stiefvader.
en zijn ziel jubelde.
"Rosa Marina, Rosa Marina!"
"Ja, je ziet mij aan en ik weet wel. waarom! 't Doet je pleizier
mij nu boos te zien, daar wil je van profiteeren voor je schilderij;
wat ik denk, wat ik voel dat kan je niet schelen. Ik ben je model immers
en meer niet, en daarom heb je mij niet willen voorstellen aan je familie,
daarom wil je niet een huishouden opzetten, je wilt niet dat ik leer,
dat ik verstandiger worden beschaafder. Je moet mij alleen kunnen gebruiken
voor je schilderijen, elk uur wanneer je wilt, mijn leven lang, o, wat
ben ik dom geweest, toen ik weigerde voor je te zitten voor een tientje
per dag, dan had ik je, als ik het moe was geweest, het geld voor de
voeten geworpen en ik was heengegaan, maar nu kan ik niet meer; ik was
[107:]
nog zoo jong en ik had Jans en er was niemand, die mij kon raden.
En ik wist niet dat het zoo erg zou zijn, zoo erg!"
"Maar wat ben je kinderachtig, Rose. Is 't nu zoo vreeselijk, dat
ik schetsen neem naar je gezicht; jij bent toch mijn eigen vrouw."
"Neen, 't is niet erg dat je het een keer doet, of twee keer of
tien maal, maar dat je mij daarvoor getrouwd hebt, daarvoor alleen,
dat je mij voor niets anders goed genoeg acht dan om voor je te zitten
in allerlei kostumes, in allerlei houdingen, dat je mij laat lachen,
of verdrietig zijn of boos worden; alleen om de uitdrukking van mijn
gezicht te bestudeeren, dat noem ik schandelijk; en als je het niet
begrijpt, dan is 't des te erger voor jou."
"Wees liever trotsch, datje de kunst dienen mag, Rose."
"De kunst, wat is de kunst? Is het leven dan niet beter dan de
kunst? Is mijn ziel, mijn verstand niet meer waard dan een stuk besmeerd
doek? Maar ik laat mij niet langer zoo door je behandelen; nog liever
vermink ik mijn gezicht."
Hij lachte een weinig gemaakt.
"Maar, Rose, wat een idee! Wat zou ik anders aan je hebben? Ik
zou nooit getrouwd zijn als ik niet begrepen had, dat jij voor mijn
succes onontbeerlijk was. Ik heb 't dadelijk gevoeld, toen ik met je
in de stoomtram kennis maakte van zoo'n model kan ik alles maken, en
je ziet hoe ik gelijk had. Zij vechten om jou portret. Ze hebben me
voor dat kleine doek, waarop je als gitana staat, f 300 geboden. Ik
heb 't maar even af te werken. Is dat niet mooi? Zoo vormen wij een
compagnieschap, ik krijg naam en verdien geld, om dan op mijn gemak
Rosa Marina af te werken. Heb je het zoo hard bij mij? Had je een beter
lot gedroomd?"
"Ik zou liever een arm man getrouwd hebben, die mij behandelde
als zijn vrouw, dan een deftig heer voor wien ik niets anders ben dan
een model om geld te verdienen."
[108:]
Zij wierp haar Zeeuwsche muts en knoopen van zich af.
"Wat doe je?" vroeg hij verschikt.
"'t Is uit, ik doe het niet langer!"
"Dat is ook aardig; en onze overeenkomst?"
"Die verbreek ik. Zoo iets had ik mij niet voorgesteld, daarvoor
is het huwelijk mij te heilig, mijn karakter mij te lief."
Zij ging de kamer uit en Frank haalde de schouders op; hij was toch
ernstiger dan hij het wilde zijn; onwillekeurig dacht hij aan de woorden
van zijn oom:
"Vroeg of laat wreekt zich de ziel!"
Deze ook had zijn huwelijksplan immoreel genoemd.
Wie had toen kunnen vermoeden dat er zooveel achter dit kinderkopje
zat; mijn hemel! Wat een pretentie! Zij verlangde mevrouw Van Haeren
te zijn voor de' wereld, een huishouden te hebben, jawel, een meid!
Conversatie met de familie, je zoudt zeggen! Hij lachte valsch. Als
het daarvoor was, had ik elk meisje, dat mijn moeder en zusters aanstond,
kunnen trouwen, dan had ik niet voor mijn brood behoeven te werken,
dan had ik een rijke vrouw kunnen nemen, Maar wat wilde ze eigenlijk?
Nu ja, laat ze kalmeeren, straks is zij verstandiger!
Maar Rose-Marie stond in haar kamer en trok haar gewone kleeren aan;
het boerinnenkostuum had zij op den grond geworpen en trapte er over;
zij pakte eenig ondergoed in het valies, dat haar en Jansje vroeger
naar Duinwijk had vergezeld; zij had nog een spaarpotje bij zich, het
wus van vóór haar trouwen, de opbrengst van haar sprei
en van poppekleederen, die zij in haar snipperuurtjes voor een magazijn
maakte. Zij noemde het toen: "het appeltje voor Jansje's dorst."
Toen zij aan dezen naam dacht en aan haar zusje, voelde zij iets krièbelen
aan haar oogleden; zij streek er heftig langs.
"Neen, ik wil niet flauw doen! Het moet!"
Het geld stak zij bij zich, deed haar mantel om en zette haar hoed op,
maar vóórdat zij haar handschoe
[109:]
nen aantrok, nam zij een velletje papier uit haar cassette en schreef:
"Frank!
"Ons contract is uit. Ik ga heen, u kan dus scheiding
"vragen als
u dat verkiest. Zoo kan ik niet langer uw
"vrouw heeten. Ik dank
u wel voor alle goedheid aan
"mij en aan Jans bewezen. Die zal ik nooit vergeten,
"neen, nooit!
Ik had u nooit moeten trouwen en ik
"ben in niets boos op u, maar ik wil mij niet langer als
"een modelpop laten gebruiken. Waar ik heenga, weet
"ik nog niet. De wereld is zoo groot, dat wij elkander
"niet licht zullen ontmoeten.
"ROSE MARIE DOREMAEL VAN ASPEREN."
De deur sloeg hard
toe, en hoe druk Frank ook aan het schilderen was, toch gaf het hem
een schok.
"Foei, wat trekken die slagers met de deur," mompelde hij
en werkte door.