[53:] VI.
Reeds drie weken
waren er verloopen sedert Reinouts aankomst in Westveld en nog voelde
hij in zich den lust niet opkomen zijn loome zwaarmoedigheid te overwinnen.
Zooals het meer bij buitengewoon levendige naturen gaat, was hij plots
in een ander uiterste vervallen; bij gebrek aan opwekking liet hij het
hoofd hangen en verzette zich niet meer tegen den ongelukkigen, zielstoestand,
waarin hij zich bevond. Zijn gezondheid leed er door, werktuiglijk ging
hij zijn lessen nemen, keerde naar buiten terug, at zonder smaak en
genoegen, nam een boek ter hand, staarde er uren lang op, zonder iets
te begrijpen en begaf zich vroeg naar bed, want, dacht hij, waar kan
ik beter zijn?
Een ding hield hij vol; hij klaagde niet, noch tegen zijn ouders, noch
tegen zijn meester, zelfs niet tegen zichzelf; maar de ex-professor
sprak den heer Hagen aan over den student. Hij wist niet, waaraan zich
te houden, ontbrak het den jongen aan vermogens of aan goeden wil?
In 't eerste geval raadde hij den vader aan zijn zoon nog liever heerboer
te laten worden dan advocaat en in het tweede zou hij zich genoodzaakt
zien de tusschenkomst der familie in te roepen, want hij had zijn woord
gegeven hem in een bepaalden tijd voor de akademie klaar te maken en
zoo dit niet kon, dan lag de schuld zeker aan den jongen Van Steeland
zelf.
De betaalrneester vond het onaangenaam in deze zaak gewikkeld te zijn;
hij hield niet van last onder welken vorm ook en wilde er zich liefst
niet mee bemoeien.
Reinout kwam altijd 's Zondags theedrinken en sprak niet bijzonder veel,
maar overigens viel er niets op hem te zeggen; zijn leven was zoo geregeld
mogelijk; alle avonden bracht hij thuis door.
"Ik zal er eens over denken!" was het eenige be
[54:]
scheid, dat professor
Doekers op zijn klachten ontving.
Toen hij 's avonds in den kring zijner familie zat vertelde de betaalmeester
zijn onderhoud met den professor.
"Ik geloof, dat het hem aan levensmoed hapert," zeide Judith,
"hij komt hier 's morgens en 's middags voorbij, maar gaat bij
den dag loomer en trager, met hangend hoofd en handen in de zakken.
Me dunkt, dat hij er slecht uitziet."
"Die Dorus is zoo'n origineel," zei de tante Theresia, "verbeeld
je, wat hij zei: Die Steeberg - hij zegt nooit Steeland - ziet er uit
als een hond, die slaag heeft gekregen en met den staart tusschen de
beenen wegsluipt."
"Mijnheer Dorus is er de eerste oorzaak van, hij had hem ook geen
kamers moeten bezorgen twintig minuten buiten de stad naast het kerkhof."
"En hij vindt zijn kamers zoo mooi!"
"Dat kan hij niet meenen. 't Was beter geweest als hij zichzelf
in den Gouden Leeuw had geïnstalleerd."
"En daar kom je nu mee aan," viel de vader haar geërgerd
in de rede.
"Maar waar hij nu woont, heeft hij weinig afleiding," bracht
tante Johanna er weifelend tusschen, "en kan hij dus goed studeeren."
"Te weinig afleiding is goed voor ons, die 't niet anders gewoon
zijn, maar hij kwam uit den drukken Haag in dat stille boerenhuis."
"Ja, daar heeft Judith wel gelijk aan. Den Haag is vreeselijk druk,
en toen ik van mijn reis pas terugkwam, viel de stilte mij hier als
lood op 't hart."
"Het zou me spijten, erg spijten, wanneer de zoon van mijn vriend
mislukte door de kamers, die ik hem bezorgd heb. Men raakt altijd in
moeilijkheden, zoodra men iemand diensten bewijst, doch ik geloof er
niets van, 't is gekheid!"
"Maar je moet er toch iets aan doen, Johan! De professor verwacht
steun van je."
[55:]
"Wat kan ik
er aan verhelpen? Begrijp ik dan iets van al die geleerdheid? Daar krijg
ik een goed idee; jij moest dien jongen eens onder handen nemen, Judith."
"Ik, papa?" vroeg het meisje verbleekend.
"Ja, jij! Waartoe dient je anders die geleerdheid dan om je vader
eens een dienst te bewijzen?"
"Maar wat moet ik dan doen?"
"Dien jongen examineeren; misschien begrijpt hij 't niet goed wat
Doekers hem leert. Je zoudt hem 't een en ander kunnen uitleggen!"
"Foei, papa, wat een idee! Hij zal er meer, veel meer van weten
dan ik."
"Kom, kom, praatjes! Dorus zei laatst, dat je in zijn plaats examens
zou kunnen doen."
"Mijnheer Dorus heeft me nooit geëxamineerd en heeft niet
het minste verstand van studie. Hij kan er dus niet over meespreken."
"Gekheid! Ik wil, dat je morgen met dien van Steeland eens over
zijn lessen spreekt. Vraag hem uit, of hoor eens naar zijn bezwaren
en dan geef je er mij later verslag over."
"Och papa, bespaar me dat toch! U weet niet hoe weinig ik ken;
wat zal hij van me denken, dat ik een pedante wijsneus ben, die mij
in zijn zaken steek?"
"Heb je mij verstaan? Genoeg er over, morgen zal ik je dien jongen
op de kamer zenden."
"Dat is goed en wel, Johan," bracht tante Theresia in het
midden, "maar ik heb hier een woordje te zeggen. 't Past Judith
niet dat jonge mensch alleen in haar kamer te ontvangen."
"Wat dr..! Ga jij er dan bij zitten!"
De arme Judith wrong in stomme wanhoop onder de tafel haar handen.
"Neen, dat weet je wel, dat kan ik niet. Maar Johanna mag 't wel
doen, zij is zoo heel jong niet meer en daarbij.." Ze maakte een
medelijdend gebaar, dat voör de jongere zuster juist niet vleiend
was.
[56:]
"Goed, dan
blijft Johanna er bij. Morgenavond is het 't beste, dan moet je het
tapijt maar laten rusten. Begrepen?"
Te goed had Judith haar vonnis begrepen, zoo goed, dat zij er 's nachts
niet van slapen kon en den volgenden morgen angstig naar de wijzers
zag, die veel te snel naar haar zin vooruit gingen.
Haar vader had met een kort briefje Reinout uitgenoodigd, dien avond
tegen zes uur ten zijnent te komen, en later Johanna en Judith onmiddellijk
na het eten naar boven gezonden.
't Klonk Reinout vreemd in de ooren toen de oude heer hem zonder omwegen
verzocht naar boven te gaan, waar zijn dochter een onderhoud met hem
wenschte. Zelf de twee trappen op te klimmen was een te zwaar werk,
waarvoor hij verschooning vroeg en zoo zag Reinout zich dus gedwongen,
door de meid, die een petroleumlampje droeg, voorafgegaan, zich in geheel
onbekende streken te wagen.
De donkerkleurige trap, de hooge gangen met somber behangsel beplakt,
stemden hem nog zwaarmoediger; alleen de gedachte, wat de geleerde dame
van hem kon verlangen, prikkelde hem een weinig.
De meid bleef aan een der deuren staan, klopte even en verwijderde zich
met het lichtje.
Een onzekere stem sprak het "binnen" uit en Reinout trad in
een helder verlicht, gezellig vertrekje.
Judith's studeerkamer was niet groot, maar dit scheen in Reinouts oogen,
gewend als ze reeds waren aan de ruime vertrekken in zijn kwartier en
op het gelijkvloers, een bijzondere verdienste.
Alles zag er vroolijk uit; de hooge boekenkast met eenvoudig gebonden
boeken, de lessenaar voor het raam, bloemen in een tweetal jardinières,
verder met. lichte stof overdekte stoelen, en vooral een helder brandende
lamp. Judith stond bij de tafel, terwijl tante Johanna ergens in een
hoekje druk aan 't breien was, zonder op of rond te zien.
[57:]
"U zal wel
verwonderd zijn, mijnheer Reinout," sprak Judith, die na lange
overdenkingen eindelijk besloten was haar gast een weinig te bemoederen,
"dat u zulk een zeldzame invitatie kreeg om naar de tweede verdieping
te klimmen."
"Integendeel, juffrouw," antwoordde Reinout, "'t is mij
een groote eer eens een kijkje te mogen nemen in uw heiligdom."
"Altijd volgens Dorus Bruisman, maar ik zal u eenvoudig de reden
er van zeggen; me dunkt dat u zich wat verveelt in Westveld."
"Volstrekt niet!" en de leugen werd heel brutaal volgehouden.
"Niet? Ik meende dat het zoo moest zijn; den Haag is (altijd volgens
tante Theresia, die er veertig jaar geleden logeerde) zeer levendig
en vroolijk, terwijl men hier elk mensch, die over straat loopt, tellen
kan. In de meening, dat u zich verveelde, dacht ik... ik geloofde 't
ten minste, dat het u een pleizier zou doen... mijn boeken te zien."
Judith was blijde 't zoo ver gebracht te hebben; zij vond zelf dat zij
een gek figuur maakte, doch er moest toch iets op gevonden worden om
met de zaak te beginnen. Wie weet wat die jongen van haar dacht, hoe
hij in stilte haar voor een bemoeial schold; zij had nog zoo weinig
onder menschen verkeerd, dat zij hun oordeel veel hooger schatte, dan
het werkelijk waard was.
Reinout echter ondervond een weldadigen indruk, door de aangename atmosfeer,
het heldere, gelijkmatige en toch niet schelle licht en vond het zeer
vriendelijk dat de geleerde dame zich verwaardigen wilde hem een weinig
van al die voorrechten te laten genieten.
Zij wees hem een stoel aan en bleef zelf een weinig ter zijde van haar
bureau zitten.
"'t Ziet er hier gezellig uit," begon Reinout.
"Vindt u?"
[58:]
"Ik ben de
gezelligheid in Westveld heel ontwend."
"Och Ja, de Westvelders hebben veel goede eigenschappen, maar ze
verstaan de kunst niet zich het leven aangenaam te maken."
"En dat is toch een groote kunst."
"Die iedereen naar zijn meening opvat; men vindt mij misschien
een wijsneuzig schepsel, omdat ik hier stil tusschen mijn boeken leef,
maar men moet toch iets in deze groote, eenzame wereld doen. Hoe uw
zusters haar tijd omkrijgen weet ik niet; in Den Haag, heb ik wel eens
gehoord van tante, is alleen een wandeling door de winkelstraten reeds
een groote afleiding, die men hier geheel mist."
"Dat zou ik denken, wat ziet men hier in de winkels? Schoensmeer,
klompen, zoutevisch. Niets wat den smaak streelt, wat den geest opfrischt,
wat de oogen verkwikt."
En zijn bittere toon klonk vrij wat oprechter dan zoo even, toen hij
volhield dat hij zich volstrekt niet verveelde.
"Iets anders heb ik nog nooit gezien," zeide Judith, "maar
ik kan 't mij goed voorstellen. Tante spreekt er zoo graag over."
"En dat is veertig jaar geleden; sedert dien tijd is Den Haag onkenbaar
geworden. O, wanneer u er nu eens kwam!"
"Ik kan niet zeggen, dat ik er ooit naar verlangd heb. Zoodra ik
van school kwam - de school is hier aan den hoek van de straat - begreep
ik, dat men in een stil, eentonig leven als het onze iets noodig heeft
waaraan men zich met hart en ziel geven kan. Ons huishouden is in goede
handen, en geeft weinig werk. talenten voor muziek, zang of schilderkunst
bezit ik volstrekt niet; aan vrouwelijke handwerken besteed ik eenige
uren, maar de dagen zijn zoo lang. Daarom legde ik me toe op studie;
zoovele groote mannen hebben voor ons gedacht en geschreven, elk in
zijn eigen taal. We mogen ons wel de moeite getroosten
[59:]
hen in die taal
te leeren verstaan. Zoo begon ik talen aan te leeren; verder dan het
verstaan van een boek reikt mijn leerzucht niet; dat is me genoeg en
als u eens zien wil, wat ik zoo al bezit, zal me dat recht aangenaam
zijn. U zal mij misschien inlichtingen kunnen geven om datgene aan te
schaffen, wat mij ontbreekt."
Reinout voelde zich eenigszins gevleid, dat die savante het noodig vond
zich bij hem te verontschuldigen en hem om raad te vragen.
"Och ja! Zij heeft toch eigenlijk gelijk," dacht hij, "ik
zou niet weten, wat voor kwaad er in steekt dat zij haar tijd doorbrengt
met talen aan te leeren. In elk geval is het beter dan op koffiepartijtjes
haar naasten te anatomiseeren."
En hij stond op, ging naar de boekenkast, vroeg belangstellend of zij
dit of dat boek gelezen had; zij antwoordde hem zeer eenvoudig en sprak
haar oordeel uit met een beslistheid, die hem verwonderd deed staan.
"Maar verveelt het u niet, dag in dag uit, tusschen die boeken
te zitten?" vroeg hij.
"Neen," gaf zij ten antwoord, "'t is mijn leven en vreugde;
wanneer ik 's avonds hier terug kom, na de thee, en denk dat ik nog
twee of drie uurtjes ongestoord met mijn beste vrienden kan verkeeren,
zou ik met niemand mijn lot willen ruilen."
"En altijd lezen! lezen! Dat moet uw geest toch versuffen."
Judith wendde het hoofd naar een der planken om een blos te verbergen.
"Schrijft u misschien ook?" hernam Reinout levendig.
"Wat zou ik schrijven? Nu en dan een vertaling, mijn gedachten
over 't een of ander boek, soms wissel ik mijn lectuur af met het uitwerken
van algebraïsche vraagstukken; mijn taalstudiën vragen zeer
veel tijd."
"Dus is 't waar, wat die mijnheer zei, kent u ook de oude talen?
[60:]
"Zoo'n beetje
verstaan, och ja!"
"Maar, juffrouw Judith, wat een leven leidt u toch! Latijn, Grieksch,
afgewisseld door algebra en dat alles voor uw plezier!"
"Begrijpt u dit niet," en zij lachte vroolijk, "houdt
u er niet van? 't Zijn toch uw vakken; u heeft er een doel mede ze te
leeren, terwijl soms, heel zelden echter, bij mij de vraag oprijst:
"Waartoe dient me dat alles?"
"Ja een doel, maar dat doel te bereiken.."
"Heeft u geen lust in de studie of valt ze u moeilijk?"
"Moeilijk vallen, neen, dat niet! Vroeger ten minste had ik er
ook lust in. Mijn roeping is 't, zegt men, rechtsgeleerde te worden.
Maar wat mij scheelt, sedert ik in Westveld ben, weet ik niet."
"U is moedeloos!"
"Ja dat ben ik! U heeft het geraden; alle levenslust is er uit,
niets wekt mij meer op, ik voel me neergeslagen, onmannelijk, ik haat
dien toestand, maar ik kan er niets aan doen. Alles walgt mij."
"Ik vreesde er voor; dat kwartier van u is ook niet opwekkend."
"Zeg dat aan niemand, juffrouw Judith. Ik wil 't voor niemand weten,
voor mijn familie en dien meneer met zijn malle aardigheden 't minst,
maar toch, het doet mij goed, dat ik mijn hart eens lucht kan geven.
U wil niet gelooven, hoe ellendig 't daar is, hoe kil, hoe somber, en
daarbij Westveld ligt eeuwig te slapen. Ik zou daarin juist een prikkel
moeten vinden om afleiding te zoeken in mijn studiën, maar dat
kan ik niet."
"En intusschen verdroomt u uw tijd, eet en drinkt niet, en verspilt
de weinige geestkracht, die u overblijft, nog in onmogelijke pogingen
om het stoïcyntje te spelen en niet te klagen?'
"U heeft gelijk, 't is zoo! O, ik voel me diep ongelukkig!"
Hij beet op zijn lippen tot bloedens toe om een
[61:]
paar tranen terug
te dringen, die zich een weg naar buiten wilden banen.
Judith glimlachte.
"Diep ongelukkig! Ik geloof niet, dat u weet welke beteekenis in
die woorden ligt: diep ongelukkig omdat u een weinig buiten af, op een
niet zeer comfortable kamer logeert en de plicht op u rust een paar
maanden lang hard te studeeren, waarna u een nieuw leven beginnen kunt,
eerst als student, later in een eervolle betrekking, die u in staat
stelt nuttig te zijn en uw familie tot eer te strekken."
Reinout boog het hoofd; ja, dat was nu zijn verschrikkelijk ongeluk,
nu een ander het in woorden had gebracht, klonk het bitter klein en
kinderachtig.
"Wat zijn zes maanden gauw om," ging zij voort. "Hier
ten minste vliegen zij voorbij. Hoeveel winters heb ik niet zien beginnen
en weer eindigen?"
Deze woorden pasten niet bij haar nog zoo jeugdig voorkomen. 't Contrast
echter trof Reinout des te meer; hij huiverde voor een leven als 't
hare.
"Niemand is er meer van overtuigd dan ik zelf," antwoordde
hij, "dat mijn gemoedsstemming volstrekt niet deugt, dat ik op
een gevaarlijke helling ben. Allerlei gedachten komen in mij op: vlucht
naar Amerika, dienstneming naar de Oost, zelfs een enkelen keer zelfmoord!"
"Foei!" riep Judith, "foei! hoe dom, maar denkt u er
dan nooit eens aan, dat u ook wel iets onaangenaams hebt verdiend, dat
eigen schuld het meest plaagt en dat u zelf de eerste oorzaak is van
uw vaders strengen maatregel?"
"Ja en juist daarom heb ik me passief onderworpen, maar actief
zijn, dat kan ik niet meer, ten minste ik geloof dat ik het niet meer
kan!"
"Ik zou 't maar eens beproeven en als ik u helpen kan met het een
of ander, zal u me steeds bereid vinden. Heeft u boeken noodig, mijn
bibliotheek is ter uwer beschikking. Kies maar uit!"
[62:]
"Neen, die
heb ik genoeg, maar wanneer ik u een gunst vragen mag: sta me toe een
enkelen keer terug te komen. Dat praten verlicht mijn hart en we zullen
misschien eens wat samen lezen!"
"Dan kan u mij de uitspraak leeren, want daar weet ik niets van."
"En u mij misschien honderd andere dingen, die noch mijn meester,
noch ik uit de boeken weten te halen."
"Ik zal 't mijn tante vragen, of zij het toestaat."
"Is u zoo weinig geëmancipeerd, dat u hierin niet eens durft
beslissen?"
"Ik ben volstrekt niet geëmancipeerd en wil 't ook niet wezen.
Wat zegt Goethe's Iphigenia ook?
"En volgzaam voelde ik mijn zIel het meeste vrij?"
"'t Doet er niet toe, u heeft mij veel goed gedaan, al was 't maar
door uw vriendelijke woorden en door 't gezicht van uw gezellig kamertje.
Mag ik eens uw uitgave zien van Virgilius?"
Zoo ging de tijd al pratende en boeken opzoekende voort. Tante Johanna's
kous was al sinds lang op haar schoot gevallen, terwijl haar hoofd diep
op de borst rustte zoo onbeweeglijk als ware zij een Morpheüsbeeld.
Het theegoed was beneden door de meid op tafel gezet en tante Theresia
werd ongeduldig; 't duurde haar te lang.
Zij belde en gaf bevel de dames en mijnheer van Steeland te waarschuwen,
dat men hen wachtte op de thee.
"Nu al," zei Reinout, zijn horloge uithalend, en Judith tikte
zachtjes haar tante op de wangen.
"Is 't reeds morgen?" vroeg Johanna verschrikt ontwakend.
"Ja, tante, en ook al weer avond."
Verbaasd staarde zij rond en eerst langzamerhand kreeg zij haar bezinning
terug.
Judith draaide haar lamp neer en gaf Reinout een teeken mede naar beneden
te gaan.
[63:]
"Dus de volgende
week mag ik terugkomen?" vroeg hij.
"We zullen zien, als u braaf oppast," en zij dreigde met haar
vinger.
Ze zag er lief uit, als ze lachte, merkte Reinout op.
"Als ik 't mag, dan pas ik braaf op! Anders anders dan hoort u
nog iets vreeselijks van mij!"
"Natuurlijk iets ontzettends, wat men slechts van zoo'n diep ongelukkig
jongmensch verwachten kan."
Hij lachte zooals hij 't in weken niet gedaan had en liet de beide dames;
waarvan de een nog wandelend droomde, galant voor zich uitgaan.
"Juffrouw Johanna, heeft u zich niet verveeld?" vroeg hij.
Johanna bloosde en giegelde op haar kostschoolmanier, die een zonderling
contrast vormde met haar verwelkt gelaat, maar antwoordde niet.
"Tante Johanna is een gelukkig mensch," zeide haar nicht.
"Ze verveelt zich nooit en zie eens wat doen anderen niet om de
verveling te voorkomen? Zij dansen, zij reizen, zij schrijven, zij lezen,
zij rekenen of werpen alles om, zooals telkens in Frankrijk wanneer
't weer is "La France s'ennuie."
"Ja, wie zijn de gelukkigste?" vroeg Reinout wijsgeerig en
ze traden de huiskamer in.
Remout was spraakzamer dan anders; hij vroeg zelfs verlof piano te mogen
spelen en terwijl Judith de kaarsen opstak, fluisterde hij haar toe:
"Ik zal alle geesten van 't huis eens wakker roepen om een wals
te dansen."
Hij speelde de levendigste dansstukjes en straatdeuntjes, waardoor tante
Johanna geheel en al haar slaap kwijtraakte, en tante Theresia de hand
telkens aan 't hoofd bracht, om te toonen, dat zij hoofdpijn kreeg,
terwijl de oude heer zacht meeneuriede en op de maat tegen de tafel
tikte. Judith luisterde stil glimlachend.
Toen Reinout opstond en afscheid nam, schitterden zijn oogen weer van
levenslust.
[64:]
"Ik ga nog
een uurtje werken," zeide hij en tante Theresia slaakte een zucht
van verlichting, toen hij verdwenen was.
"Wat kan die jongen rammelen," verklaarde ze, "ik hoor
honderdmaal liever onze Judith."
"En heb je succes gehad?" vroeg haar vader.
"Te veel,' meende tante Theresia.
"Och, ik heb hem wat opgevroolijkt," antwoordde Judith.
"En heb je hem goed voorgehouden, wat hij verzuimt door zoo te
slabakken, wat zijn vader zich opofferingen en moeite voor zijn kinderen
getroost, die hij slecht beloont door niet te willen studeeren? Heb
je hem ook gewezen op zijn broer, een flinken, fermen jongen en zijn
zusters, wier steun hij later moet zijn? Heb je hem dat alles onder
't oog gebracht?"
"Ja, alles.
"Wat hebben ze toch samen gesproken?" vroeg tante Theresia
aan haar zuster, nadat Judith de kamer verlaten had.
"Ach, ik weet het niet meer, maar 't was zoo geleerd," was
het bescheiden antwoord.