[199:] III.
De beide tantes
zaten in de kleine huiskamer aan een met naaiwerk bedekte tafel; bij
het naderend winterseizoen hielden zij zich bezig met naaien voor haar
arme beschermelingen.
't Was er stil - geen van beiden zeide veel - doch niet ongezellig,
want de lamp scheen helder en er was een weinig vuur aan in den open
haard.
"Die Dorus verliest den moed met," zeide Judith, "vandaag
kwam hij weer terug met zijn aanzoek."
"En weiger je hem nu nog?'
"Natuurlijk, tante, ik trouw immers niet."
"Met niemand, Judith?"
"Met niemand, tante; niet alle vrouwen hebben roeping tot het huwelijk."
"Als ze het maar kunnen doen, Ju."
De schaduw Johanna, langzamerhand tot het bewustzijn gekomen, dat zij
bevrijd was van den drukkenden last harer andere helft, sprak nu meer
en durfde zelfs nu en dan een oordeel uitspreken.
"Ik dank er voor, tante."
"'t Spijt me voor Dorus, hij is zoo'n aardige jongen."
Judith glimlachte even en dacht wat tante zou zeggen als ze wist, dat
juist die aardigheden haar 't meest in Dorus tegenstonden.
"Neen, lieve tante, Onze Lieve Heer geeft ons elk wat te doen op
aarde, de eene meer, de andere minder, sommigen oogenschijnlijk niets,
eenigen heel laat. 't Voornaamste is, dat we altijd klaar zijn om het
aangewezen werk aan te vatten als de tijd daartoe gekomen is, maar,
tantelief, ik mag er niet aan denken, dat het mijn bestemming zou zijn
voor Dorus Bruisman koffie te zetten en hem in staat te stellen met
mijn geld plezier te maken."
En aan zichzelf bekende Judith, dat haar kalm leven met zijn rijke door
de studie gekochte genietingen, wel kon opwegen tegen den koortsachtigen
[200:]
toestand, dien
sommigen menschen voor geluk aanzien. Zou het altijd zoo zijn tot aan
den dag van haar dood, over dertig, veertig jaar? Dwaze vraag! Wie kent
de toekomst, slechts Hij, op wien Judith steeds als op een liefderijken,
zorgvollen Vader had vertrouwd.
Zwijgend gingen de beide vrouwen met haar arbeid voort, toen zij plotseling
door een heftigen ruk aan de bel opschrikten.
"Wie kan dat zijn?" vroeg Johanna angstig, "'t is bij
negen."
"Een kwajongen," lachte Judith.
"Neen, dat hebben ze bij ons nooit durven doen, Pietje," en
zij opende de deur om de voorbijkomende meid haar raad te geven.
"Pietje, doe eerst den ketting voor en vraag wie het is."
De meid slofte voort en gehoorzaamde, misschien omdat zij zelve onraad
vreesde, maar van buiten klonk het gebiedend:
"Maak open, ik moet mijn tantes spreken!"
Zij gehoorzaamde en geloofde haar oogen niet toen een flink gebouwd
heer in de gang stond; hij snelde haar voorbIj naar het kamertje, uit
welks half geopende deur een breede lichtstreep in de donkere gang viel
en zoodra hij voor beide onthutste vrouwen stond, was zijn eerste haastige
vraag:
"Is zij niet bij u?"
"Reinout," riepen beiden.
"Martel mij niet langer! Waar is Alda?"
"Hoe weten wij dat? Kom je niet van je huis?"
"O God, dan heeft ze mij verlaten!"
En hij zonk als verpletterd op een stoel neer en liet in wanhoop zijn
hoofd op tafel vallen.
"Verlaten, verlaten!" herhaalde hij op hartverscheurenden
toon.
Johanna greep naar de karaf, maar bleef halverwege staan en begon zenuwachtig
te snikken; Judith
[201:]
naderde hem en
vroeg belangstellend, 't eenige wat men in zulke gevallen doen kan,
wanneer hij Alda 't laatste gezien had en of er iets tusschen hen gebeurd
was, vragen, waarop de arme door zijn verdriet overstelpte man zoo spoedig
geen antwoord kon vinden.
Hij beefde over zijn geheele lichaam en stiet onsamenhangende woorden
uit, toen richtte hij zich op en ging de kamer op en neer in een toestand,
dien belde vrouwen, aan zulk een kalm leven gewoon, nooit hadden gezien.
"Ik had haar lief als 't beste wat ik bezat en zij heeft mij verlaten,
God weet voor wien, mij en haar kinderen; waaraan heb ik 't verdiend?
Waaraan?"
"Maar, in 's hemelsnaam, zeg toch wat er gebeurd is," bad
Judith, en met zacht geweld dwong ze hem weer te gaan zitten en water
te drinken.
"Reinout, houd je bedaard; als een ramp je getroffen heeft, draag
het dan als een man, doch ik geloof 't niet, ik kan 't niet gelooven.
Alda is kinderachtig, lichtzinnig, maar tot een slechte daad komt men
met zoo licht."
't Scheen dat Judith's vriendelijke stem nog steeds wat behouden had
van haar vroegeren invloed op van Steeland; hij vond langzamerhand kalmte
genoeg om te verhalen wat in de laatste dagen gebeurd was tot op gisteravond,
en nu hij het uitsprak, vond hij zijn vermoedens, Alda bij de tantes
te zoeken, meer dan dwaas; maar ach! hier was ten minste sympathie,
hier behoefde hij niet te blozen voor onbescheidene blikken of vragen;
morgen immers zou het geval bekend zijn: in Bergstad, in den Haag, bij
zijn familie.
"Wanneer ik maar wist waarheen en waarom zij gegaan is," herhaalde
hij telkens.
"Ach, zij is als haar moeder, de aard verloochent zich niet"
schreide tante Johanna.
En Judith vroeg hardop, maar als tot zich zelf sprekend:
"Zou 't weer dezelfde zijn, die deze ramp over Rei
[202:]
nout's huis haalt,
zooals hij 't eenmaal bij ons deed?"
"Dezelfde? Haar vader, maar die liet in meer dan tien jaar niets
van zich hooren; die is dood, neen, dat kan niet!"
"Maar zijn geest leeft in haar! 't Is die dolle lust welke haar
van jongs af naar het tooneel dreef en die voor eenigen tijd door haar
huwelijk verdoofd, maar met verstIkt werd; geloof me, Remout, zij is
vertrokken om te volgen wat zij als haar roeping beschouwt".
"Haar roeping," en hij sprong met van verontwaardiging vlammende
oogen op, "haar roeping, waar kan die anders zijn dan in 't huis
van haar man, bij haar kinderen; alles wat zij op aarde heeft verlaten
om... om
Als je vermoeden juist is, Judith, dan veracht ik haar
misschien nog meer dan indien zij... om een andere reden gevlucht was."
"Dat alleen zal 't wezen; het tooneel heeft voor haar steeds groote
betoovering gehad. Ik hoopte, dat het huwelijk ernstiger gedachten bij
haar zou te voorschijn roepen "
"En dat ik beter mijn plicht zou begrijpen, niet waar? O ja, verwijt
me niets, Judith, ik weet nog onder welke voorwaarden je mij hebt aangeraden,
toe te geven aan mijn liefde voor haar. Ja, ik heb verkeerd gedaan,
ik ben haar dienaar geweest, haar slaaf, heb haar aangebeden en vergood.
Kon ik dan ook vermoeden, welke slang ik koesterde een slang die mij
betooverd heeft tegen mijn beter weten in en nu maakt zij niet alleen
mij ongelukkig, maar mijn kinderen, mijn arme kinderen!"
Een weeker toon klonk even bij deze laatste woorden, doch hij wilde
niet verteederd zijn en beet zich tot bloedens op de lippen.
"Zij kon niet gelukkig zijn in een stil, huiselijk geluk,"
zeide Judith, tot verschooning of tot verwijt der vluchtelinge, dat
wist zij zelve niet.
Er werd weer gebeld; Remout sprong overeind en lette niet op Johanna's
vreesachtige waarschuwing; een
[203:]
oogenblik later
kwam hij met een brief per extra bestelling in de hand terug.
"Aan u, uit Maastricht," sprak hij bevend en reikte Judith
een groote enveloppe met zonderling geschreven adres toe. Zij brak die
open en overzag met een oogwenk den inhoud.
"Daar! lees! 't Geldt u vooral," zeide zij.
De letters dansten hem voor de oogen, hij kon den eenen regel niet van
den anderen onderscheiden en gaf haar 't papier terug.
"Lees mij voor, ik kan niet!" en hij bleef voor haar staan,
op de tafel geleund, maar sidderde zoo hevig, dat hij genoodzaakt was
weer te gaan zitten.
"Mademoiselle!" las Judith in het Fransch, "als ge dezen
brief ontvangt, is uw nicht reeds over de grenzen onder de hoede van
hem, die haar 't naast op de wereld is en die tot nu toe niets van zijn
eenig kind heeft genoten.
"Aldegonde is een genie!
"Genieën gehoorzamen niet aan de wetten, die voor gewone menschenkinderen
zijn gemaakt; zij volgen hun vlucht, die hen in hooge sferen brengt.
Hooger, altijd hooger, tot aan de onvergankelijke idealen!
"Aldegonde is een genie, vastgekluisterd tot nu toe door prozaïsche
banden; die banden heeft zij verbroken, nu gaat zij zich verheffen in
duizelingwekkende vaart.
"Hij, die zich haar man noemt, maar dien ik niet als zoodanig erken,
omdat hij zich buiten mijn weten en zonder mijn toestemming met haar
verbonden heeft, - hij, zeg ik - zal haar vlucht naar omhoog zien, maar
niet kunnen volgen.
"Europa zal vervuld worden door haar roem, die roem zal eens haar
kinderen tot eer strekken en dan zal zij hen opeischen als de hare.
"Wanneer de man zich dan nog niet trotsch ge
[204:]
voelt op haar, die
hij voor zijn gade aanziet; welnu, zoo ware 't hem beter niet geboren
te zijn.
"Mijn dochter verzoekt u, mejuffrouw, den advocaat van Steeland
kennis te geven van haar besluit om zich geheel en onverdeeld aan de
kunst te wijden.
Renzoni Jager."
"Is dit alles?"
vroeg Reinout met verstikte stem.
"Neen, 't voornaamste komt nog, eenige regels van haar hand."
"Lieve tante, ik kan niet anders handelen; 't is mijn roeping.
In Vevey en Genève heb ik mijn vader gesproken; toen wierp ik
zijn voorstel van mij af, nu moet ik het aannemen, want Reinout (die
twee laatste woorden waren uitgeschrapt). Zorg voor mijn kinderen, lieve
tante!"
"Anders niets?"
"Niets!"
"Welnu, 't is afgedaan! Laat zij haar roeping volgen. Nu moet ik
alleen voor mijn kinderen zorgen!"
"Reinout, die kalmte van je, die valsche kalmte."
"En u heeft immers zelf gezegd, dat ik kalm moest zijn. Dat ben
ik nu ook, waarom is dat niet goed?'"
Zij zag hem aan in het vaalbleeke gelaat eh herinnerde zich hoe hij
eens voor haar had gestaan, jaren geleden, als gestrafte jongen en later
als de eenige, die om haar liefde had gevraagd en eindelijk als de overgelukkige
bruidegom van een ander, stralend van geluk en hoop; de aandoening werd
haar te sterk, zij barstte in tranen uit.
Er lag iets akeligs in de bedaarde uitdrukking, waarmede hij haar aanstaarde,
alsof haar smart hem niet aanging.
"Hoe onverantwoordelijk slecht," snikte zij.
"Ach, 't is precies hetzelfde als toen Suze wegging, toen schreef
hij ook zoo," klaagde Johanna.
"Er is geen tijd meer tot klagen. Wat moet er met de kinderen gedaan
worden?"
[205:]
"Breng ze
hier!" raadde Judith, als wij naar Bergstad gaan is alles op straat."
"Alsof dit niet gauw genoeg zal gebeuren! Vroeger of later, dat
doet er niet toe, hoe spoediger, hoe beter! Maar 't is goed, ik vertrek
morgen met den eersten trein en ben voor den avond terug met Loutie
en Miesje. Kan u mij vannacht logeeren?"
"Dat spreekt, onze logeerkamer staat altijd voor je klaar."
"Goeden nacht, ik ben gebroken naar ziel en lichaam."
Johanna ging heen om Pietje bevelen te geven, Judith naderde Reinout
en met innige deelneming drukte zij zijn hand.
"'t Is hard, Reinout, 't is hard, maar God beproeft niemand boven
onze krachten," sprak zij door haar tranen heen; "Hij geeft
sterkte naar kruis."
"Dank je, Judith, je meent het' goed; maar wat daar binnen stormt,
dat is door geen woorden te bedwingen. We zullen elkander maar geen
goeden nacht wenschen. Dat is voor jou en mij een bittere ironie."
"Hoop en vertrouw, Reinout!"
Hij zag vóór dat hij de kamer verliet haar even aan met
een uitdrukking van doffe wanhoop en vroeg schier onhoorbaar:
"Op wie ter aarde, nu zij mij verraden heeft?"
"God bedriegt niet," sprak zij plechtig.
Hij keerde terug van de deur, greep haar beide handen in de zijne en
drukte ze tot brekens toe.
"Judith, je bent gelukkig, jij die niets van de wereld kent, van
haar grootste vreugde en haar bitterste smart; uit de hooge zie je op
alles neer; je bent te benijden, maar huil niet om mij! Geef me raad,
ik ben zwak."
Zijn stem smoorde weg in een snik.
"Maar ik wil 't niet zijn; geen traan zal ik laten om haar, die
ik verachten moet!"
"Maak je last niet zwaarder, Reinout, door uit
[206:]
wendig een kalmte
te bewaren, die je niet voelt. Denk aan vroeger, aan je eerste dagen
in Westveld, hoe je toen bijna waart ondergegaan in valsch stoïcisme;
zoo lijdt een christen niet. Hij bekent dat het kruis op hem drukt,
maar hij draagt het toch moedig, zoolang God wil."
"Bid voor mij, Judith, ik kan niet anders dan zóó!
Als het masker valt, is 't ook gedaan met mijn sterkte. Ik ben te gelukkig
en te dwaas geweest!"