II.
In de eetkamer was
haar man druk met de kinderen aan het stoeien; kleine Miesje kraaide
het uit van pret, en Loutie liep papa met zijn zweepje na alsof deze
zijn paard was.
Een gevoel van jaloezie bekroop haar; zij ontzegde den kinderen niets
en toch hielden zij veel meer van hun vader; nooit zochten zij haar
op of hingen aan haar kleeren, zoo als zij het bij hem telkens deden.
Zij bezat hier niets; haar aanwezigheid zou zelfs door de kleinen niet
gemist worden, en met deze bittere gedachte zette zij zich neder en
schepte werktuigelijk de soep uit de terrine.
"Heeft de wandeling in den regen je goed gedaan?" vroeg Reinout,
min of meer spottend.
Zij voelde de nauw merkbare bedoeling en antwoordde koel:
"Dank je voor de belangstelling! Als men in een land woont, waar
het altijd regent, moet men het weer nemen zooals het is en niet zooals
men 't wenscht."
"Heel philosophisch! Maar hoe ver ben je toch wel geweest, tot
in het dennenboschje?"
"Zou je dat graag willen weten?"
[191:]
"Als je geen
bijzondere redenen hebt om het geheim te houden."
"Dat 't allerminst."
Reinout had geen lust de zaak anders dan schertsend te behandelen; een
onaangenaam gevoel bekroop hem. Misschien deed de bittere toon, waarop
zij antwoordde, hem pijnlijk aan; hij voelde echter nog geen roeping
om haar onder 't oog te brengen, dat het wel degelijk haar plicht was
voor haar man geen geheimen te hebben, want als hij van plichten sprak,
zweeg zij altijd met een verachtelijk lachje, alsof zij zeggen wilde:
"Dat is mij te min!"
Nu vooral had zij geen lust om op haar plichten te worden gewezen, nu
't haar nog in de ooren klonk wat haar vader had gezegd, toen zij zeer
flauwtjes over haar plichten als vrouw en moeder sprak:
"Voor genieën als jij bestaat slechts één plicht:
van hun gave gebruik te maken tot genot der menschheid en alle banden
te verbreken, die dat genie vastkluisteren. Je grootste zonde is het
geweest, toen jij jezelf ijzeren banden hebt aangelegd; zij kunnen echter
verbroken worden. Welnu, je bezondigt je veel meer tegen het Opperwezen
door langer gevangen te blijven."
En zij voelde zich niet in staat zijn redeneering te weerleggen, boog
het hoofd en gaf hem in stilte gelijk.
Aan tafel heerschte een pijnlijk zwijgen; "zal ik hem alles zeggen,"
vroeg zij zich af, totdat hij plotseling begon:
"Die komediant, je weet wel, dien we in Genève hebben gehoord,
is nu in Holland; hij is in onderhandeling om in Den Haag een gast voorstelling
te geven. Heb je lust er heen te gaan?"
"Wanneer zal dat zijn?" vroeg zij, haar stem zooveel mogelijk
vastheid gevende.
"In den loop der maand, denk ik! De dames schijnen alle gek op
hem te zijn; ik voor mij vond hem voor een levensmoeden Faust wat al
te welgedaan. Die
[192:]
heeren moesten,
wanneer zij er op gesteld zijn bewonderd te worden als smachtende minnaars
of jonge helden, hun levenswijze daarnaar inrichten en zich niet te
goed doen aan truffels en pasteiën; anders gaat de illusie er af
en wat is komediespel zonder illusie?"
"Je vergeet dat je over een stand spreekt, waartoe mijn vader behoorde,"
gaf zij ten antwoord, trillend van boosheid.
"Maar, lieve Alda, trek je dat niet aan; ik bedoelde er niets kwaads
mee. Ver van mij iets van je vader te zeggen, die, zooals we hopen,
sinds lang met je goede moeder vereenigd is."
"Dus dien je dood wenscht; ik zou willen weten, hoe jij mijn armen
vader zoudt behandelen, als hij plotseling in levenden lijve voor je
stond!"
"Met al den eerbied, die den vader van mijn vrouw toekomt, maar
toch zou ik hem rekenschap vragen van zijn jarenlang stilzwijgen tegenover
haar."
Zij begon zenuwachtig te snikken; hij lachte en vond de scène
om den door hem sedert lang doodgewaanden vader allerdolst.
"De regen heeft je opgewonden, schatje! Ik zal aan de apotheek
valeriaan gaan halen voor je zenuwen."
"Ik heb niets noodig, niets," ging zij opstaande voort, "niets,
want je behandelt mij toch altijd met dezelfde minachting, welke je
voor mijn armen vader koestert. Zoo is de wereld! Zij vertrapt hen in
't dagelijksche leven, die zij in den schouwburg verheerlijken. Lauweren
door kunstenaars gewonnen beteekenen in 't oog van de koudbloedige Hollanders
evenveel als stukken waardeloos effecten papier."
Opgewonden verliet zij de tafel en de kamer, haar man verbluft over
den uitval achterlatend; alleen eindigde hij zijn diner, en besloot
haar vooreerst aan haar kwaad humeur over te laten.
Het theegoed werd binnengebracht en hij zag zich genoodzaakt zelf zijn
thee te zetten en in te schenken,
[193:]
daar mevrouw wegens
hoofdpijn naar haar kamer was gegaan.
"Ik ben mooi op weg een eenzame oude vrijer te worden, die voor
zijn eigen eten en eigen thee zorgen moet," zeide Reinout glimlachend
tot zichzelf. "Aida geeft wat te veel toe aan haar zenuwen. Enfin!
we zullen haar geruststellen en verzekeren, dat we haar vader een eereboog
zullen oprichten als hij uit den dood verrijst."
Hij ging met een kopje thee naar boven en vond haar pruilend voor haar
rozenhouten lessenaartje zitten.
"Kom, poesje, kijk zoo kwaad niet," vleide hij, "je hebt
niets gegeten, dat is je ziek maken; wat heb ik eigenlijk misdaan om
zoo boos te worden?"
"Laat me met rust!"
"Je begrijpt immers wel, dat ik je vader... Hé," zijn
oog viel op een briefkaart, die op den sleep van haar peignoir lag,
en ze al pratend onverschillig opnemend, wierp hij er een blik in en
las in 't Fransch de woorden:
"Ik zal Woensdag om drie uur aankomen en tegen half vier in het
boschje wezen. Zorg dat je er bijtijds zijt. R."
"Dat gaat je niet aan," stotterde zij, verward.
"Als je buiten mijn voorkennis afspraken maakt, dan gaat het mij
in de eerste plaats aan. Van wie is de kaart? Ik verlang het te weten."
"Dat zal je niet?"
"Je bedriegt me, Alda, ik had het al lang moeten weten."
"Ik kan 't niet zeggen, en dat is je eigen schuld; maar geloof
mij, ik deed alleen mijn plicht."
"Je plicht? Wat weet je van plichten, jij die alle plichten van
je hals schuift? Zeg me van wie de kaart is, spoedig of anders zal ik
er 't mijne van denken!"
[194:]
"Wees gerust,
er steekt geen kwaad achter, maar ik wil het je niet zeggen."
"En ik beveel 't je."
"Mij bevelen?"
Uitdagend stond zij voor hem, doch toen zij hem in het gelaat zag, schrikte
zij onwillekeurig; zoo doodsbleek had zij hem nog nooit gezien, zijn
lippen trilden van ingehouden toorn en zijn oogen schoten vonken.
"Ik wil geen geheimen rondom mij hebben, niets dan waarheid verlang
ik en van jou vooral. Je had bedoelingen met je uitgaan door regen en
wind; niet voor een eenvoudige wandeling zou je alleen het veld inloopen,
maar die kaart heldert me veel op. Zeg me alles, ik bid er je om, anders
is 't uit met ons huiselijk geluk en onzen vrede."
"Die bestaan toch al in lang niet meer! Ik heb veel voor je opgeofferd,
maar hoe betaal je mij dat?"
"Jij en opofferingen? 't Is voor het eerst dat ik er van hoor,
en welke klacht kun je met recht tegen mij aanvoeren? Maar nu is 't
niet de tijd onze grieven tegen elkaar op te halen; antwoord mij op
mijn vraag. Wie heb je ontmoet in dat boschje?"
"Dreig me niet, Reinout, dreig me niet! Ik kan het je nog niet
zeggen; wacht een uur, dan misschien!"
Zij snikte zoo hartverscheurend, dat hij een weinig medelijden met haar
begon te voelen.
"Maar, Alda," ging hij iets kalmer voort, "stel je in
mijn plaats, en begrijp toch eens hoeveel belang ik er bij heb te weten
met wien mijn vrouw buiten mijn weten ontmoetingen heeft?"
"Waarom vertrouw je mij dan niet? Heb ik me ooit dat vertrouwen
onwaardig gemaakt?"
"Neen en juist daarom vind ik je gedrag zoo vreemd! Wien zou je
willen spreken, dien jij niet in jou, in ons huis kan ontvangen en daar
gemakkelijker te woord staan dan in een bosch onder een regenbui?"
Maar zij lag op den grond, het hoofd tegen de sofa
[195:]
gedrukt, in de
houding van een Maria Magdalena, de lokken over schouders en hals uitgespreid,
hartstochtelijk schreiend en onverstaanbare woorden mompelend.
"Alda," zeide hij ernstig, "denk aan je kinderen, aan
de meiden, wat zullen zij van zulk een tooneel denken?"
"Dat je een tiran, een beul bent, die je arme vrouw wantrouwt,
ofschoon ze er je nooit reden toe gaf; je hebt mij ongelukkig gemaakt;
had ik je toch nimmer ontmoet! Ga weg, raak me niet aan! Je liegt, wanneer
je zegt dat je van mij houdt; zoo iets doet ware liefde niet, maar ik
kan wel leven zonder jou, ik heb je niet noodig!"
"Dat zijn groote woorden, Alda, waarmede je op mij niet den minsten
indruk maakt; ik blijf bij 't geen ik gezegd heb. Ik laat je nu alleen,
want je bent in geen toestand om kalm te redeneeren; maar ik verwacht
dezen avond, of anders morgenochtend, een uitlegging van je zonderling
gedrag, met den naam van hem of haar, die je in 't boschje hebt gesproken.
't Helpt je niets of je mij iets verzwijgt of voorliegt; te weten kom
ik het toch; zoo het niet door jou is, dan op een andere wijze, maar
dan is 't ook gedaan met jou en mijn geluk!"
Hij verliet het vertrek en zij hief zich op, zenuwachtig kermend en
zuchtend; zoo had hij haar nooit toegesproken, maar ze wilde hem niets
bekennen; zij zou hem vergiffenis moeten vragen en dan haar vader misschien
blootstellen aan een beleediging van zijn zijde.
Hier wachtten haar niets dan onaangenaamheden en ginds? Daar was de
vrijheid, daar het geluk bij een vader, die haar innig beminde, die
haar vleide, aanbad, haar roem en geluk beloofde.
Haar kinderen? Maar ach, wat voor genot had ze er nu eigenlijk van?
Later zou Miesje zeker een even heerlijk talent krijgen als haar moeder
en kon zij
[196:]
haar opeischen.
Zij wilde haar hoofd niet buigen voor Reinout, ze wilde het hem niet
zeggen wat zij had geheim gehouden, want dan moest ze alles bekennen
van Vevey af en zij wist hoe hij geheimzinnigheden haatte.
Wat zou ze nu doen? Haar vader om raad vragen? Ja, dat was het beste;
snel schoot zij een wandeljapon aan, hulde zich in haar regenmantel
en trad in de kinderkamer, die door 't boudoir van haar slaapvertrek
gescheiden was en waarin zij dikwijls den nacht doorbracht als de kinderen
niet wel waren.
Zij sloot de deur, stak den sleutel bij. zich en zonder naar haar kinderen
om te zien ging zij de eenzame trap af en toen door de tuinkamer naar
den tuin, waar een poortje in den muur toegang gaf tot een zeer eenzamen
buitenwal.
Reinout bleef op zijn kantoor werken, wat hem zeer moeielijk viel, want
zijn gedachten konden zich niet losrukken van 't pas doorleefde tooneel;
dikwijls stond hij op het punt naar haar toe te gaan en op kalme wijze
een uitlegging te ontlokken, maar weerhield zich. De gedachte aan haar
vader kwam niet in zijn geest op; hij kon niet anders denken of Jager
Delmarès was sinds lang overleden; geen schijn van de waarheid
vertoonde zich aan hem. Alda's tooneelaspiratiën waren zoo op den
achtergrond geraakt, dat hij er niet meer aan dacht. 't Aannemelijkste
en aan dit vermoeden klampte hij zich vast - scheen het hem, dat Alda
schulden had gemaakt in den Haag en nu met zulk een schuldeischer op
vrij romaneske wijze een mondgesprek had willen houden. Andere vermoedens
stiet hij met geweld van zich af en toch sidderde hij soms over zijn
geheele lichaam en moest zich geweld aandoen om niet nogmaals naar zijn
vrouw te snellen en haar goed- of kwaadschiks te dwingen tot een volledige
bekentenis.
Hij verbeeldde zich voor een afgrond te staan, waarin zijn levensgeluk
en dat zijner kinderen dreigde te verdwijnen.
[197:]
Eens hoorde hij
geritsel; zou zij uit eigen beweging komen, maar dan was alles goed.
Helaas! het geluid verwijderde zich. Toen 't elf uur sloeg keerde hij
naar zijn kamer terug, na eerst aan haar boudoir geluisterd te hebben;
hier was alles stil, evenals in de kinderkamer, waar Alda zeker reeds
rustig sliep.
Hij ging ook ter ruste, maar sloot geen oog. 's Morgens met den eersten
trein moest hij ambtshalve vertrekken.. en zou eerst tegen den middag
te huis komen, hij had dus geen gelegenheid zijn vrouw vóór
dien tijd te spreken.
Reeds zeer vroeg stond hij op, afgemat door den slapeloozen nacht, tikte
weder aan de deur, maar ontving geen antwoord.
"Hoe koppig is ze toch! Zou ik mij waarlijk door een mooi gezicht
hebben laten verschalken? Verbergt ze niets achter dien engelachtigen
lach dan een valsche ziel?" Doch hij vond deze vraag te beleedigend
voor zijn vrouw en zocht alweer, maar altijd vergeefs, naar verontschuldigingen
voor haar gedrag.
De meid was reeds op en had in haast voor zijn ontbijt gezorgd; hij
moest zich spoeden, wilde hij nog bijtijds aan 't station komen.
't Werd acht uur; het kindermeisje kwam de kinderen kleeden, maar zag
van mevrouw geen spoor; zij klopte aan de deur der slaapkamer en kreeg
geen gewag, op haar boudoir kon men anders niet komen, men zou dus maar
wachten, doch alles bleef stil. Eindelijk waagde het de groote meid
de deur te openen met een anderen sleutel: boudoir en slaapkamer waren
ledig!
Om vier uur kwam Reinout thuis en werd door een paar verschrikte gezichten
ontvangen.
"Mevrouw was verdwenen."
Hij had een gevoel of alles voor zijn voeten wegzonk, toch behield hij
zijn tegenwoordigheid van geest.
[198:]
"Ze is op
reis, ik wist er van," antwoordde hij, maar de meiden zagen duidelijk
hoe mijnheer verschoten was, om er akelig van te worden.
Hij ging alleen naar boven en onderzocht; geen twijfel meer, zeker was
zij naar Judith, om aan de tantes haar nood te klagen!
"Ja, dat zou het zijn," en kalm zeide hij tot de bedienden
dat hij een telegram had ontvangen, waarop mevrouw onmiddellijk had
moeten vertrekken en hij moest haar dadelijk volgen; ze zouden dus goed
op de kinderen passen.
Hoe bleek hij ook was, toch merkte niemand iets buitengewoons in zijn
manieren.
't Was immers zeker, Alda kon nergens anders zijn dan te Westveld, maar
hij wilde zichzelf niet bekennen dat hij het niet geloofde en vermeed
vragen te doen, waardoor zijn vertrouwen kon geschokt worden.
Niets verried het minste van Alda's plannen, nergens een briefje, nergens
een spoor van kalm overleg; niets was verdwenen dan haar regenmantel
en eenvoudigste hoedje.
Zij kon nergens anders zijn, en na van zijn kinderen teeder afscheid
genomen te hebben, vertrok van Steeland om zijn vrouw op te zoeken.
Even gemakkelijk had hij haar ook een telegram kunnen zenden, maar hij
liet het, misschien uit een onverklaarbare, vaste overtuiging dat hierop
een ontkennend antwoord zou volgen, terwijl hij in persoon meer kans
had haar bij de tantes te vinden, misschien ook uit vrees het telegraafkantoor
nu reeds een blik te gunnen in de hem dreigende ramp.