[278:] XII.
Judith kwam van
een boodschap in de stad terug en na zich van hoed en mantel ontdaan
te hebben, trad zij de kamer binnen, die tot schoolvertrek in de Haagsche
woning diende.
Marietje zat voor het raam te breien, liet allen ernst van een hollandsch
huismoedertje; Louis, minder ijverig dan zijn zuster, lag uit het raam
geleund en was met de grootste aandacht bezig naar iets te hengelen,
doch bij het binnenkomen van tante keerden beiden zich naar haar om.
"Tante Ju," begon hij, "wanneer gaan we toch naar buiten?
't Is al April. Ik verlang zoo in Westveld te zijn, daar kan ik naar
heusche visschen hengelen in plaats van naar tante Jo's pantoffels,
zooals hier."
"Ondeugende jongen," riep Judith, met moeite een lach onderdrukkend,
"wat voer je toch uit in plaats, van je les te leeren?"
"Och, tante," sprak het kalme Marietje, "hij is zoo stout;
eerst had hij mijn bottientjes willen uittrekken en toen is hij naar
tante Jo's kamer gegaan om die pantoffels te halen. Is het niet erg
ondeugend?"
"O ja, denk je dan misschien dat ik een klein meisje ben, om daar
zoetjes te zitten breien, tot je zelf een kous wordt?"
"Tante," hernam Marietje, "er is een brief voor u gekomen
met een vreemd zegeltje er op, mag ik 't voor mijn album hebben?"
"'t Is eigenlijk 't mijne," verzekerde Louis "Kom, je
doet er toch niets mee, en ik houd het boek zoo netjes in orde."
"Haal je boeken maar voor den dag, Louis, en ga gauw naar 't plaatsje
de pantoffels halen; wij kunnen niet wachten, tot je ze hebt opgevischt.
Waar is de brief, kind?"
"Hier, tante, in mijn mandje!"
't Adres, in vreemde, keurige vrouwenhand ge
[279:]
schreven, droeg
het postmerk Parijs en een weinig nieuwsgierig verbrak Judith de enveloppe.
Mejuffrouw," las zij in het Fransch.
"Ofschoon onbekend, kom ik toch in vertrouwen
"tot U. Een uwer naaste bloedverwanten ligt hier
"sedert maanden ziek, zij is doodzwak; hoop op
"herstel bestaat niet meer, doch een grooten troost
"kan zij nog ontvangen.
"Zij heeft de vergeving zoo noodig van haar echt-
"genoot; zij smacht naar de omhelzing van haar
"kinderen; geen trots, maar slechts nederigheid
"want ach! de arme erkent haar groote schuld
"belet haar zich rechtstreeks tot haar man te wenden;
"door een toeval ben ik achter uw adres gekomen.
"Mag ik hopen, dat gij de zieke uw medelijden ter
"liefde Gods niet zult onthouden?
"Na betuiging, enz.
Zuster Mathilde."
Zwijgend vouwde
Judith den brief op; alleen haar gelaat was iets bleeker geworden, toen
zij tot de kinderen zeide:
"Louis, maak de twee volgende thema's, en Marietje mag nog vijf
naadjes breien; tante gaat vanmiddag op reis."
"Naar Westveld?"
"Neen, verder, naar Parijs."
"Dat is de hoofdstad van Frankrijk, niet waar? Mag ik mee! Tante
Juutje, och toe, ja!'
"Neen, jongenlief, je hebt nog al den tijd tot reizen, maak je
werk en geef tante Johanna geen reden tot klagen."
Toen begaf zij zich naar Van Steeland's kantoor.
Hij zag vreemd op van het ongewone bezoek; zij reikte hem zonder meer
den brief over; zijn trekken namen een pijnlijke uitdrukking aan.
"Is u van plan te gaan?" vroeg hij.
[280:]
"Ja, vanmiddag
nog."
"Geheel alleen? '
"Ik zal Antje meenemen."
Beiden zwegen in diep nadenken, hij hield zijn pen stijf tegen de lippen
gedrukt en zij zag ter aarde.
"Reinout," begon zij weder, "wanneer er gevaar mocht
zijn, zal ik dadelijk telegrafeeren; kom je dan met de kinderen?"
Hij wendde het hoofd om en scheen een zwaren strijd te voeren.
"Telegrafeer," zeide hij eindelijk toonloos, "dan zal
ik de kinderen laten gaan."
"En jij zelf blijft dus onverzoenlijk, zelfs in 't aangezicht van
den dood ?"
"Ik vertrouw op u, tante, dat u hen niet zal laten komen dan in
't laatste uur."
Meer kon Judith niet verkrijgen en zij vertrok dien middag, om den volgenden
morgen in 't door de liefdezuster opgegeven huis aan te komen.
AIda, tot bewustzijn teruggekeerd, had aan zuster Mathilde's verzoek
gedacht en haar laten ontbieden; zij werd zwaar ziek en in dien tusschentijd
had haar secretaris de handen vol om haar schuldeischers te voldoen
en Morin tevreden te stellen, die haar een proces wilde aandoen. Misschien
werd de zieke, machtelooze vrouw bovendien nog bedrogen en bestolen
door haar bedienden, want na eenige weken moesten haar inboedel en juweelen
ten bate der schuldeischers verkocht worden en zuster Mathilde zag zich
genoodzaakt de zwakke schim, die eens de beroemde Renzoni was geweest,
naar het gasthuis te doen overbrengen, waar zij haar onverpoosd de liefderijkste
zorgen kon wijden.
Hier vond Judith dus haar nicht; de ziekenkamer was eenvoudig als een
kloostercel, maar rein en helder; de half geopende ramen gaven uitzicht
op een frisschen tuin en deden de eerste lentegeuren binnenstroomen.
[281:]
Alda zat in een
hoogen leuningstoel, door kussens gesteund, die niet witter schenen
dan haar gelaat; haar rijke lokken waren kort afgeknipt en in een eenvoudig
mutsje weggestoken, terwijl haar doorschijnende handen gevouwen op haar
ingevallen borst rustten.
Door zuster Mathilde gewaarschuwd, dat haar tante aangekomen was, richtte
zij zich een weinig op; haar wasbleeke wangen werden door een vluchtig
rood gekleurd en een vonk van haar vroegere levendigheid gloorde voor
een wijl in haar verdofte oogen.
"Tante Judith," en zij liet haar hoofd vallen tegen 't trouwe
hart, dat zij zoo dikwijls miskend had; de tante overlaadde haar met
liefkoozingen en snikte:
"Arm kind! moest ik je dan zoo terugvinden?"
"En mijn kinderen?" fluisterde zij, "mag ik ze nog nirt
zien?"
"Je bent niet zoo ziek als ik dacht, Alda, je kunt met mij teruggaan
naar Westveld, niet waar, zuster?" en zij wendde zich naar zuster
Mathilde, die aan 't bed iets scheen te verschikken.
"Zou dat kunnen?" vroeg Alda en staarde ook de zuster aan.
"Als 't mooie weer voortduurt, wel zeker!" antwoordde zij.
Aan Judith had ze echter reeds verklaard, dat niets meer Alda redden
of schaden kon; haar laatste wenschen te vervullen, daarop alleen kwam
het nog aan.
"Laat ons dan vertrekken, tante, ik wil niet in den vreemde sterven
als mijn moeder! Ach, beste zuster, hoeveel ben ik u niet verschuldigd;
de troost van mijn tante te zien, dank ik weder aan u. Ik ga u verlaten,
dat kost me wel verdriet, maar ach! mijn levensdagen zijn toch geteld;
't is maar een verschil van weken, misschien wel van dagen."
"O spreek zoo niet, Alda; je moet leven om alles goed te maken."
"Dat zal hij me toch nimmer toestaan; 't is beter
[282:]
dat ik sterf en
daarvan is u 't best overtuigd; op aarde is voor mij geen plaats meer.
Ik heb van zuster Mathilde geleerd de wereld uit de hoogte te beschouwen,
en als men zoo dicht bij den dood is, gelijk ik, ziet men alles geheel
anders in dan wanneer men zijn volle levenskracht nog bezit."
"U moet zoo niet spreken, mevrouwtje," sprak de zuster, "dat
vermneit u te veel."
"Och, laat me begaan, zuster! Ik heb mijn tante zooveel te zeggen.
Ik heb veel geleerd, tante Ju; vroeger wilde ik niet naar u luisteren,
nu heb ik een strengere meesteres gehad: het leven. Goddank, thans is
het te laat haar moeilijke lessen op te volgen. Vertel me nu van mijn
kinderen, tante! Heeft Marietje niets overgehouden uit haar ziekte?"
Judith overwon de smart, die haar overweldigde bij het gezicht van dat
verwoeste leven, van 't weinige, wat er van de schoone, rijk begaafde
vrouw overbleef.
Zij sprak zoo levendig mogelijk en verhaalde alles wat zij kon van de
kinderen, terwijl de zieke met een weemoedig lachje toeluisterde.
"Tante, u is meer dan een moeder voor hen geweest," zeide
ze bewogen, "hun tenminste is mijn handelwijze ten goede gekomen.
Hoe zou ik, dwaas kind dat ik was, hen opgevoed hebben? Maar God is
rechtvaardig, ik mag de vruchten niet plukken van uw zorgen en moeite;
en 't is zoo beter, hoe zou ik kunnen leven met de wroeging in 't hart,
jaren lang, veracht en vernederd? Daartoe ben ik te zwak, maar niet
om te sterven. Mijn Vader in den hemel zal barmhartiger zijn dan de
menschen; ik vertrouw geheel op Zijn goedheid, en na mijn dood zal Reinout
misschien in kalmte aan mij kunnen denken. Ontken, 't niet, hij heeft
u verboden mij te halen."
"Daartoe ontbreekt hem alle recht; reeds morgen zal ik maatregelen
nemen, om je over te brengen naar huis."
"Ja, naar huis, naar huis! naar dat huis, dat mij
[283:]
eens zoo verveelde.,
en dat ik zoo veel haast had te ontvluchten. Nu smacht ik er naar!"
Judith slaagde er in, door kracht van geld de reis zoo in te richten,
dat de zieke bijna geen vermoeienis behoefde te lijden en reeds den
derden dag werd, met goedkeuring der geneesheeren, de moeilijke tocht
ondernomen. 't Afscheid van Alda en zuster Mathilde kostte beiden menigen
traan.
"Zuster, ik dank u voor de liefde, waarmede u het verdoolde schaap
heeft omringd," zeide Alda, "bid voor mij, opdat God mij sterke
in het moeilijke uur, maar vooral, dat ik niet van hier ga zonder de
vergiffenis van den man, tegen wien ik zoo zwaar misdeed."
"Wees gerust, kind," antwoordde de zuster, "ik zal voor
u bidden, maar vergeet niet, hoe de engelen des Hemels zich verheugen
over den terugkeer van een verdwaalde ziel, en als gij mij voorgegaan
zijt in 't huis des Vaders, denk dan op uw beurt aan 't zustertje, dat
zoo gelukkig is geweest u te ontmoeten."
De reis werd vrij goed volbracht; toen Alda in de huiskamer van de oude
Westveldsche woning - thans tot ziekenkamer ingericht - op de rustbank
lag, was zij wel uiterst zwak en moede, maar toch niet bepaald erger.
Zij liet haar oog dwalen langs al de haar zoo bekende meubels en ouderwetsche
schilderijen, en slaakte toen een smartelijken zucht.
"Zoo kom ik hier weer terug, waar ik kind, jong meisje, bruid ben
geweest: helaas, zonder jeugd, zonder schoonheid, zonder stem. Alles
verloren, waarop ik zoo trotsch was! Ach, hoe kan Reinout zoo hard zijn
mij 't eenige, wat nog het mijne is, de kinderen, te onthouden."
"Dat zal hij niet, Alda; je zult zien, dat hij ze weldra toestaat
je te bezoeken."
"Ja, als het op 't einde loopt, eerder niet!"
[284:]
Judith beschreef
van Steeland uitvoerig al het gebeurde, vooral het berouw der arme zieke
en smeekte hem ten minste de kinderen te zenden.
"Op herstel is geen hoop," was haar laatste argument, dat
misschien wel 't zwaarste woog, want kortaf zeide hij 's avonds, na
den brief te hebben ontvangen, aan tante Johanna, dat zij den volgenden
morgen met de kinderen naar Westveld kon vertrekken.
Dit bericht werd door de goede vrouw met een vloed van tranen ontvangen,
waarop haar neef echter geen acht sloeg; zij pakte tot diep in den nacht
het goed van haarzelf en de kinderen in en vertrok reeds met den eersten
trein.
Tegen den middag, terwijl Alda een weinig rustte en Judith naast haar
ziekenstoel zat te lezen, hoorde zij plots een vroolijk kindergekweel,
dat de zieke eveneens deed opzien. Zij snelde de kamer uit en zag de
twee vooruitgeloopen kleintjes, terwijl tante hen bedaard volgde.
Juichend omhelsden zij tante Ju, die hen snel het zwijgen oplegde en
in haar hart hun vader bitter verweet, dat hij haar vóór
hun komst niet gewaarschuwd had.
"Je mqet stil wezen," vermaande zij, "daar binnen is
een zieke dame, die geen leven kan verdragen."
"Hé, wat is dat vervelend," bromde Louis, "zijn
we daarom nu thuis gekomen om hier stil als muisjes te zitten spelen?"
"Foei, stoute jongen, zoo mag je niet praten. Weet je, wie die
zieke dame is? Herinner jij je nog, Louis, hoe Marietje het vorige jaar
zoo ziek was en dat toen
'
"Mama hier kwam; dat vergeet men niet. Ik heb alles aan Marietje
verteld, toen ze beter was, weet je het nog?"
"Ja zeker."
"Maar waarom is mama toen weggegaan en komt ze nu terug? Is papa
niet meer boos op haar?"
[285:]
Judith begreep
dat het kinderverstand niet had stilgestaan, ofschoon hij in dat jaar
weinige vragen had gedaan over de vreemde dame, die even zoo snel verschenen
als verdwenen was; nu moest zij hun toch eenige uitlegging geven, die
hen voldeed en de moeder in geen verkeerd daglicht stelde.
"Je weet," zeide ze, "dat kinderen veel voor hun ouders
moeten doen, en daarom is mama eenige jaren lang haar vader gaan oppassen;
nu is uw grootpapa overleden en dus keert mama bij haar kindertjes terug."
"Was grootpapa het vorige jaar al dood?" vroeg Louis nadenkend.
"Waarom vraag je dat?"
"Dan had mama toen al dadelijk bij ons kunnen blijven, maar papa
wilde het toen niet, dat merkte ik wel."
"Waarom hebben wij geen rouwkleeren gedragen na grootpapa's dood?"
was nu Marietjes vraag, "andere kinderen krijgen die altijd aan,
als hun grootouders sterven."
"Vraag nu maar niets meer en wees heel stil en zoet, als ik je
straks binnenroep om mama te zien."
Zij keerde naar de huiskamer terug en vond tot haar grooten schrik de
zieke opgestaan en, op de meubelen steunend, haar tegemoet komen.
"Ze zijn daar, ik heb hun stem gehoord! O tante, heeft hij ze toch
gezonden, maar hij zelf?"
"Bedaar in Godsnaam, Alda, ze komen dadelijk binnen. Wees tevreden
dat je dit ten minste hebt gewonnen."
"Ach, hoe ver moet het reeds met mij gekomen zijn, dat hij de kinderen
zendt."
Zij liet zich door haar tante weer naar den stoel terugbrengen, en leunde
afgemat achterover met gesloten oogen, bleek als een doode.
"Laat ze komen!" lispelde zij.
Een oogenblik later, op een wenk van Judith, trad
[286:]
Johanna met de
kleinen binnen; in sprakelooze omhelzing drukte zij hen aan haar hart.
Zij waren bijzonder stil en klaarblijkelijk maakte het gezicht der doodsbleeke,
snikkende vrouw op hun kinderlijk gemoed een onuitwischbaren indruk.
Tante Johanna was al tranen en zuchten, ofschoon niemand veel naar haar
omkeek. Judith zorgde ervoor, dat het smartelijke tooneel niet onnoodig
verlengd werd en zond de kinderen naar den tuin.
Den volgenden morgen scheen Alda veel beter; zij was opgewekt en vroolijk,
verzocht Judith haar korte haren te krullen, vroeg om een gekleurde
shawl en toen om een spiegel.
"'t Valt me nogal mee, ik zie er beter uit dan in Parijs, vindt
u niet?" vroeg zij aan Judith, die dit natuurlijk ook vond.
Zij begon zelfs op belangstellende vragen van Judith episodes te vertellen
uit haar artistenloopbaan en soms was het haar duidelijk aan te zien,
dat zij nog met zeker genoegen aan haar triomfen dacht.
"Ik heb me niets te verwijten," herhaalde zij dikwijls, "en
dat is mijn grootste troost. Ik heb de vuurproef ondergaan en ik kan
't gerust zeggen, ik ben nu beter dan toen ik vertrok."
"Daar twijfel ik niet aan, Alda, en Reinout zal 't ook inzien."
"Zou u dan denken, dat ik beter werd, tante?"
"Waarom niet, kind? Bij God is alles mogelijk."
"Zonderling, sedert ik de kinderen teruggezien heb, ontwaakt in
mij de lust tot het leven. Wanneer Reinout nu weer voor mij wilde zijn,
wat hij vroeger was, zou ik veel beter zijn liefde vergelden; we moesten
dan niet in Holland blijven, maar ver van hier gaan, waar niemand het
verleden kent. Och, tante, die kinderen zijn zoo lief, Marietje is een
engel van zachtheid; bij haar vloeit het zigeunerbloed van de moeder
niet, maar op Louis zal u even goed moeten passen als op mij."
[287:]
"Ja,"
zeide Judith glimlachend, "hij heeft de kalme natuur niet van zijn
zusje."
"Maar hij is altijd onder goede leiding geweest, en hoe heeft men
mij opgevoed? Tante Theresia kon het niet inzien, dat men een komedianten-kind
plichten niet als lasten moet leeren beschouwen."
Met de kinderen was Alda vroolijk, speelsch en zelfs kinderlijk; Marietje
bracht haar een bouquet viooltjes en Louis vertelde haar van zijn visscherij.
"O, 't zonnetje schijnt zoo mooi," zeide hij, "wanneer
zal mama naar buiten gaan en de bloemen zien."
Twee tranen rolden uit mama's oogen en zuchtend antwoordde zij:
"Lieve jongen, je moeder is zoo zwak; als je nu groot genoeg was
om haar den arm te geven, dan zou ze 't misschien probeeren."
"Gaat u dan eens met tante Ju; tante Jo is wel langer, maar die
is te oud."
"Neen, ventje, de arm van een vrouw is voor mij niet sterk genoeg
om er op te leunen."
"Als papa hier was," peinsde hij hardop met neergeslagen oogen
en het vingertje op de lippen gedrukt.
"O papa is zoo sterk," beaamde Marietje, die op een voetbankje
aan Alda's voeten had post gevat, "ja, met papa zou u een heel
eindje kunnen wandelen, hé, maatje? Was papa toch maar hier!"
"Zal ik papa schrijven," vroeg Louis geheimzinnig, "ik
zal zeggen, dat mama zoo gaarne in den tuin wil wandelen, maar te zwak
is om het alleen te doen."
"Dat kan je niet," verzekerde Marietje, "zooveel woorden
krijg je niet bij mekaar."
"Dat zal ik eens toonen! Mag ik schrijven maatje?"
Alda drukte het kind, dat haar vleiend genaderd was, even aan haar borst
en zeide toen met door aandoening schier onhoorbare stem:
"Ga, mijn jongen, schrijf wat je hart je ingeeft en dat God je
werk zegene!"