[67:] VI.
De heer Mac Dunolly
en Leonore deden beiden of zij niets meer hoorden en traden in de kamer
tegenover de eetzaal.
Dat was nu eerst het ideaal van een salon of boudoir naar Leonore's
hart; in het genot van rond te zien en te bewonderen, vergat zij het
vreeselijke tooneel zoo pas doorleefd, hoorde zij niet meer het schrikaanjagend
jammeren van het mishandelde kind.
Alles vergulde meubels, bekleed met het fijnste zeegroen, bleek, als
verschoten brokart; porseleinen bouquetten slingerden zich om de lamp,
om de vazen, de spiegels, overal amouretten en statuetten van biscuit,
geïncrusteerde kastjes en tafeltjes van rozenhout, alles even verrukkelijk,
even rococo, even rijk.
Zonde, dat twee zulke menschen, twee halve wilden als die vader en die
dochter, hier huishielden! Als zij hier eens meesteres was en - en Otto
meester. Ja, zij
[68:]
beiden pasten hier
volkomen, zij deden die arme meubels eer aan, terwijl zij nu hier hulpeloos
beklagenswaardig stonden en haar aankeken als wilden zij zeggen:
"Blijf bij ons! Gij zijt van ons ras, wij behooren bij elkander,
u erkennen wij als koningin."
Hij wees haar de kleine sofa aan; hij zelf ging tegenover haar zitten
in een delicieus fauteuiltje, waarin hij - dacht zij - paste als een
kikvorsch op een gouden schotel.
Zwaar haalde hij adem, telkens droogde hij zich de zweetdroppels van
het gezicht en Leonore vond hem, afschuwelijk met zijn door toorn vertrokken
en misvormd gezicht; uit elk der litteekenen scheen zijn wreedheid te
gluren, de wreedheid die altijd door bleef klinken, in het nog niet
bedaarde kermen van het kind in de achterkamer; de wijn besmette zijn
blauwpaarse lippen en zijn bloed- en waterachtige oogen keken wezenloos
voor zich uit.
"Ik geloof dat wij hier een mooi tableau-vivant opvoeren, "La
Belle et la Bête", neen, waarlijk die man is wat al te erg.
Maar dit salonnetje is snoezig, precies mijn smaak. Ik houd niet van
dat zoogenaamde artistieke, die prulversiering met waaiers, draperieën,
Makart-bouquetten, Perzische kleedjes. Dit is veel nieuwer en gedistingeerder!"
Zoo dacht zij, terwijl de heer Mac Dunolly langzamerhand op zijn verhaal
kwam en ook het akelig huilen van de kleine meid gaandeweg verstierf.
"U heeft daar eern akelig tooneel bijgewoond, freule!'" begon
de man tegenover haar eindelijk, geprikkeld en
[69:]
tevens kunstmatig
tot bedaren gebracht door haar kalme, van zooveel zelfbeheersching getuigende
houding.
"Aangenaam was het niet precies," antwoordde Leonore, zonder
van stem of uitdrukking te veranderen.
"En nog eens, toch spijt het mij niet dat u daarvan getuige is
geweest. Nu kan u met kennis van zaken oordeelen en antwoorden op de
vragen, die ik u ga stellen."
"Gebeuren zulke scènes hier dikwijls?" vroeg Leonore.
"Zoo dikwijls als Daisy zich weer onhebbelijk toont. Soms in weken
niet, soms alle dagen of zelfs tweemaal per dag. Hoe is 't mogelijk!
zou men zeggen, en wij hebben elkander afgodisch lief."
Hij nam het hoofd in de handen en een zware zucht deed zijn sterk lichaam
schokken.
"En wat is het einde daar nu van?"
"U heeft het gezien. Het kind kruipt naar mij toe om vergiffenis
te vragen. Gewoonlijk ben ik dan al gekalmeerd door de uitbarsting;
ik neem haar in mijn armen, kus en liefkoos haar, neem haar mede naar
de toko's en geef haar wat haar hartje begeert. Maar vandaag, omdat
u er bij was, voelde ik mij nog woedender, en heb haar opnieuw mishandeld.
Nu moet ik straks eens gaan zien, hoe 't haar gaat. Curieus! Dat arme
kind, zij kan het niet helpen."
"En nu wil u een gouvernante nemen om dat opvoedingssysteem te
vervolgen?"
Hij zag haar bij die stellige vraag verbasd aan.
"Wel neen! Hoe komt u daaraan? Juist het tegenovergestelde. Mijn
arme Daisy is door en door bedorven, maar toch zoo'n goed kind a u f
o n d . We zijn nog
[70:]
geen twee jaar
in Holland; in Indië, op mijn villa te Buitenzorg, heeft het kind
volle vrijheid genoten. Ik had geen tijd er mij mee te bemoeien."
"En haar moeder?"
"Die heeft zij reeds heel vroeg verloren!"
"Was zij een Indische?"
"Neen, een Engelsche. Daisy bleef onder opzicht van een onbeduidend
mensch, een. . . een nicht van mij, die samen met mij het kind bedierf.
Eindelijk merkte ik dat het niet langer zoo ging, Daisy verwilderde
geheel en al. Ik bracht haar naar kostschool. Nergens kon men haar houden;
toen heb ik besloten, dit huis voor mijn kind in te richten en haar
daarin te laten wonen met een gouvernante, in afwachting dat ik mijn
zaken in Indië geregeld heb en hier weer kan terugkomen voorgoed."
Leonore zeide niets, maar bleef hem zwijgend aanzien; hij ging een weinig
minder op zijn gemak voort.
"Maar u begrijpt dat het een moeilijke keuze is, aan een vreemde
vrouw mijn kind en mijn huis toe te vertrouwen. Ik heb alles beproefd,
advertentiën, recommandatiën, agentschappen, maar tot nu toe
vergeefs. Ik kan er nog niet in slagen die zeldzame parel te vinden."
"Zij is misschien onvindbaar."
"Neen," antwoordde hij kortaf, en verzonk toen in nadenken;
na een poos sprong hij op en liep de kamer uit, met de woorden:
"Neemt u mij niet kwalijk, ik kom dadelijk terug."
"Gekke Chinees!" dacht Leonore en amuseerde zich weer met
het vertrek in zijn kleinste bijzonderheden te bewonderen.
[71:]
"Wat een genot
dat alles zijn eigendom te mogen noemen, 't is zonde en jammer! zulke
lui!"
Daar kwam hij weer terug, oogenschijlliijk veel kalmer dan zooeven;
er was zelfs iets van een lach in zijn oogen en om zijn lippen.
"Zij slaapt; zij hebben haar op de canapé gelegd, de tranen
liggen haar nog op de wangen! Arm, arm kind!"
Leonore glimlachte een weinig spottend.
"U vindt mij gek, dwaas, niet waar?" vroeg hij; "ja,
ik heb mij als een zot aangesteld, maar ziet u, ik ben ook niet opgevoed,
ik ben zoo maar in het wild groot geworden en daarom heb ik dikwijls
mijn hoofd gestooten en wil ik mijn kind zoo'n lot besparen. Zij moet
goed worden opgevoed."
"U begint er een beetje laat mee."
"Dunkt u dat, te laat?"
Er sprak zooveel schrik in die vraag, dat Leonore uit voorzichtigheid
besloot de beslistheid van haar uitspraak wat te temperen.
"Dat hangt van de omstandigheden af; ik kan er moeilijk iets van
zeggen. Er is een goed f o n d in het kind, zegt u?"
"O, wat dat betreft, een hartje van goud!"
"Dan kan er nog veel gedaan worden," verklaarde Leonore met
een zeer gewichtig gezicht, alsof zij het precies wist.
"Ja, ziet u, toen ik u daar straks zag zitten naast mijn dochtertje,
u, zoo mooi, zoo fijn, zoo gedistingeerd in uw manieren. . . ."
Leonore boog even met het boofd; toen zeide zij:
[72:]
"Ik ben u
zeer verplicht, mijnheer, voor uw goede opinie, maar ik ben anders niet
gewoon complimentjes in mijn gezicht te ontvangen."
"Ik zeg ze u niet uit galanterie, maar eenvoudig omdat het noodig
is dat u mij goed verstaat en mijn bedoeling begrijpt."
"Zei u datzelfde ook aan de andere dames, die hier vóór
mij hebben gezeten?"
"Neen! die kwamen dikwijls niet verder dan de voorkamer. Ik heb
er soms tien, en zelfs twintig op één dag afgepoeierd!
Maar u is heel anders dan de vorigen."
Nu kon Leonore het niet helpen dat zij even bloosde van genoegen en
gevleiden trots; dat blosje bracht leven in haar koud gelaat, het steeg
zelfs in haar oogen en deed ze glinsteren en gloeien.
Mac Dunolly zag haar bewonderend aan; hij ook vond dat zij met deze
omgeving als samengegroeid scheen en dat het jammer zou wezen deze kamer
van zulk een schoon sieraad te berooven.
"Ik begrijp niet waarom!" zeide zij, "ik ben een arm
meisje, ik heb een goeden, ouden naam, dat is alles, en dan mijn diploma's."
"'t Is meer dan ik noodig heb! Maar ik verlies den draad van mijn
gedachten, . . . Wat wilde ik zeggen? O, ja! Toen ik u daar naast mijn
Daisy zag zitten, vergeleek ik u beiden en zeide tot mijzelf:
"Zie, dat zijn nu twee vrouwen; de eene iets ouder dan de andere.
Zij hebben beiden van de natuur zooveel ontvangen, en toch wat een verschil!
Zou het niet mogelijk zijn dat mijn dochter eens op u geleek? Of zij
uw schoonheid
[73:]
zal hebben, dat
is de vraag, maar zij kon toch uw houding, uw manieren aannemen. Het
zou haar zoo gelukkig maken. Wat heeft zij aan al haar geld, als zij
zoo'n onbeschaafde, wilde orang-outang blijft? Ziet u er kans toe, dezen
vormloozen klomp goud te slijpen en eens te doen schitteren zooals u
glanst?"
Leonore keek naar het fijn beschilderde plafond, waarop een vlucht vlinders
tusschen bloemen, liefdegodjes en duifjes dartelde; het was of zij uit
al dat goud en die kleuren haar gedachten wilde halen.
"Hoe kan u mij dat toevertrouwen, u, die zoo moeilijk in uw keuze
schijnt te zijn?" vroeg zij zonder haar blik van de vlinders te
wenden, "'t is een reuzentaak, en ik ben nog zoo jong en onervaren."
"O, neen! Schrikt u er voor terug? Vindt u den afstand te groot?"
"Om u de waarheid te zeggen ja, maar ik ben niet gewoon mij door
een kleinigheid te laten afschrikken. Juist het moeilijke lacht mij
toe en er is iets in het kind, dat mij zeer aantrekt en mij die taak
aanlokkelijk maakt."
Zij meen hier niets van, maar haar woorden hadden den gewenschten indruk.
"O ja, het kind is zoo goed; zoo lief, zoo aanhankelijk, als men
maar den weg naar haar hart kan vinden."
"Met wat liefde komt men zoo ver, maar," en nu zag zij hem
recht in de oogen, "ik moet niet tegengewerkt worden. Ik moet geheel
vrij zijn in mijn opvoedingsysteem."
Haar opvoedingsysteem; zij had er geen flauw begrip van hoe dit er uit
zou zien.
[74:]
"Dat zal u
wezen, freule! U zal hier meesteres zijn, geheel en al. Zij zullen u
eerbiedigen of u. . . . of mijn vrouw was."
Leonore lachte kinderlijk naïef.
"Maar u weet zoo weinig van mij af. Hoe durft zulk een vertrouwen
in mij stellen?"
"Ik ken de Asseleyns van Arsenede - bij naam, ten minste. Was het
uw broer niet, de held van Pamanangan,die daar gesneuveld is?"
"Hij is niet gesneuveld," antwoordde Leonore bedroefd, "hij
is verminkt teruggekomen, de arme jongen!"
"En woont hij nu bij u?"
"Ja, in Ankeloo bij mijn vader!"
"En de zuster van zoo'n dapperen held moet naar een betrekking
omzien; kan zij niet bij haar broeder blijven om hem te steunen en te
helpen?"
Leonore sloeg de oogen neer; de vraag trof haar als een verwijt, alsof
zij haar plicht verwaarloosde.
"Er zijn omstandigheden," zuchtte zij, "die een meisje
dwingen kunnen haar huis te verlaten; de voornaamste is zeker wel, dat
ik hun niet tot last kan en wil zijn."
"Maar is 't; dan geen schande dat Holland zoo slecht voor zijn
helden zorgt?"
Hij ging met groote stappen de kamer op en neer.
"Zonde zoo te ijsberen op dat prachtige tapijt," dacht Leonore;
hij meende dat zij verzonken was in gedachte over den ernst en de grootte
der haar wachtende taak.
Zij hield zich maar bezig met de mooie meubels rondom haar, waaraan
zij zich reeds met alle vezels van haar hart gehecht voelde."
[75:]
Eensklaps bleef
hij staan:
"Mag ik u op Ankeloo een bezoek brengen?"
Leonore beet zich op de lippen; zij voelde dat zij van angst verbleekte
bij die vraag.
Wat zou die man zeggen als hij haar interieur zag, waarmee zij met de
minste veraangenaming had kunnen of willen brengen?
"U is wel vriendelijk, mijnheer, maar mijn vader is gepensionneerd
kapitein der cavalerie. Mijn broeder hinkt op twee krukken; hij mist
het gebruik van zijn beenen, die arme jongen. Wij zijn er niet op ingericht
menschen van uw stand te ontvangen."
"O, menschen! Maar ik kom er niet voor mijn plezier of voor het
uwe. Ik heb plotseling een idee gekregen!"
Hij liep weer een paar maal op en neer.
"Wat heeft hij nu weer verzonnen, die malle vent? Als hij niet
zoo mooi woonde en het idee zoo heerlijk was, hier alleen achter te
blijven met die kleine duivelin, dan gaf ik er den brui aan! Die man
is niet recht wijs!"
"Zou uw broer hier niet bij u willen komen inwonen?"
Hij sprak over haar inwonen of het reeds een uitgemaakte zaak was; zij
stond verbaasd en verloor voor een oogenblik haar gewone zelfbeheersching.
"Maar mijnheer, dat weet ik niet. Willem - mijn broer, is daar
naar zijn wensch geïnstalleerd."
Haar stem trilde niet bij die leugen.
"Hij en mijn oude vader zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden;
zij zouden niet kunnen scheiden!"
"Hij moest het eens weten," dacht zij inwendig spottend.
[76:]
"Zou u hem
er over willen spreken? Dan had ik juist alles wat ik zocht. Een man
hier in huis, en een flinke man, als ik hem beoordeel naar zijn militair
verleden en - naar zijn zuster. Een man, die u helpen kon met raad en
daad."
"U vergeet, mijnheer, dat mijn broeder hulpbehoevend is."
"Hij kan u toch moreel steunen in uw moeilijke taak. Zou u denken,
dat hij mijn voorstel aannam?"
"Ik vrees er voor!"
"Is uw vader het eenige beletsel! Ik heb er niets tegen dat ook
hij zich hier vestigt. Als hij nog een krasse, oude heer is, dan kan
hij als cavalier van u en Daisy optreden."
"De oude heer met zijn eigenaardigheden!"
Leonore werd er een oogenblik koud van: met dien heelen sleep hier in
huis trekken, alweer dat akelige, stekelige verkeer met Willem, die
haar maar niet waardeeren wilde, en dan haar drinkende vader.
Neen, het kon niet!
Zij stond op, alsof het gesprek lang genoeg had geduurd, en zeide op
neerbuigend en toon:
"Ik dank u voor uw welwillendheid, mijnheer Mac Dunolly; u overstelpt
mij onder uw goedheid, maar u begrijpt, dat men over zulk een voorstel
nog moet nadenken. Mag ik er dus thuis over spreken, en als mijn vader
en mijn broer het niet aannemen, wil u 't dan beschouwen als een uitvloeisel
van de omstandigheden en niet als een bewijs dat wij uw goedheid minder
hoogschatten?"
[77:]
"Wat praat
zij toch goed en beschaafd," dacht Mac Dunolly, en toen haar handen
in de zijne nemend verzocht hij dringend:
"Och, leer mijn meisje zoo goed en zuiver te spreken als u het
doet. Ik ril als ik haar Hollandsch hoor."
"Maar ik zou een lesje mogen nemen aan haar Engelsch."
"Och, u! Ik vind het een voorrecht u ontmoet te hebben; ik weet
niet hoe 't komt, maar u vertrouw ik gerust mijn grootsten schat toe."
"Wat zijn dat dan toch voor onbeduidende schepsels geweest, die
voorgangsters van mij," vroeg zij glimlachend; "ik ben immers
niets bijzonders, een gewoon meisje, anders niet."
"Laat dat mij beoordeelen! U had ze moeten zien, dien langen slier
van oude en jonge meisjes. Daar waren geestige Françaises bij
en lange, magere, droge Engelschen, dwepende Duitschers en pedante Hollandschen.
De eene kraamde haar geleerdheid uit, de andere coquetteerde met mij;
dan waren er die de kleine meid vleiden en sommigen, die een air aannamen
of zij mij een dienst bewezen door de betrekking aan te nemen. O, mijn
oogen schemerden er van; aardige kinderen waren er bij, mooie vrouwen,
knappe, degelijke onderwijzeressen, maar ook malloten, die in de eerste
plaats zochten hier vasten voet te krijgen en dan mij te omstrikken.
Nu, dan waren zij aan het rechte adres. Ik heb ze allen doorschouwd,
allen."
Hij scheen een duim grooter te worden van trots.
"En geen hunner kon den toets doorstaan, en nauwe
[78:]
lijks kwam ik in
de kamer en zag u opstaan, of ik dacht: die is van een heel ander soort,
dat is de vrouw, neen, de Lady, die je nodig hebt."
"Ik dank u voor uw vleiend oordeel, mijnheer, maar mag ik nu heengaan
en nadenken?"
"Over hetgeen ik zei aangaande uw broer en uw vader, maar wat uzelf
betreft, dat is immers uitgemaakt?"
"Volstrekt niet, mijnheer! Die taak is zoo ernstig en zoo moeilijk,
dat ik het niet durf wagen reeds zoo dadelijk te beslissen. Gun mij
dus tijd om daarover met mijzelf tot klaarheîd te komen."
"Och, freule! Ik bid u! Maak mij niet ongelukkig. Over veertien
dagen moet ik reeds vertrekken. Ik had reeds weg moeten zijn, maar die
ongelukkige gouvernantes-quaestie hield mij zoolang op. Als u nu weigert.
. ."
"Dan stel ik u teleur, even hard als u de dames vóór
mij heeft teleurgesteld."
"Dat staat niet gelijk, niemand werd telkens zoo teleurgesteld
als ik, en dan zoovele malen. Zegt u maar van ja!"
Zij schudde het hoofd.
"Neen, ik kan het niet zeggen. Dat zou lichtvaardig mijn taak op
mij nemen zijn. En 't voornaamste weet ik nog niet. Hoe denkt miss Daisy
over mij? Ziet ze mij graag komen?"
Hij glimlachte en haalde de schouders op.
"Daisy is een kind! Eerst zal zij veel tegen u hebben. Zij haat
de gouvernantes, en dat zij zich zoo dol aanstelde, komt van niets anders
dan dat zij geraden heeft, dat ik eindelijk de rechte vrouw gevonden
heb. Daarom
[79:]
wilde zij u afschrikken
door haar ondeugendheid. Maar het is aan u, overwicht op haar te krijgen.
Ik zal haar halen."
En plotseling, terwijl hij heenging, overviel Leonore opnieuw groote
moedeloosheid; zij bezat zelf zoo weinig innerlijke degelijkheid. Haar
geheele leven was tot nu toe niets anders geweest dan een jacht op uiterlijkheden.
Bij de oppervlakkige Waelbeke's, bij haar eigen onbeduidende ouders,
had zij niets gevonden dat naar vaste grondbeginselen, naar een zedelijk
of godsdienstig doel geleek.
Alleen Willem en Otto bezaten een hooger levensbeschouwing, die stelden
zichzelf en anderen strenge eischen, die bogen zich voor plicht en geweten,
en juist van hen gevoelde zij zich het meest verwijderd.
Instinctmatig voelde zij dat het teugellooze kind slechts door een vaste
hand kon gebreideld worden; maar waar vond zij die hand en waar dien
breidel? Voor 't eerst van haar leven twijfelde zij aan zichzelf, en
vreesde zij of zij wel opgewassen zou zijn tegen haar taak.
Maar afstand er van doen! Terugkeeren naar haar huis, een banale onderwijzeressen-
of gouvernantes-betrekking aannemen, ergens op het platteland, neen!
Dan liever het onmogelijke beproefd.
Even dacht zij er aan of het niet verstandiger zou wezen de hulp van
Willem aan te nemen. Wie weet hoe hij haar van dienst kon wezen; maar
trotsch wierp zij dadelijk het hoofd in den nek. Hij was een dwarskijker,
anders niet, bij doorzag haar, hij kende
[80:]
haar innerlijke
holheid, hij zou haar niet helpen, integendeel! met zijn lastige wijsheid
haar arbeid nog verzwaren. Zij zou het beproeven en alleen, kost wat
kost!
In de gang hoorde zij kussen en smoezelen, toen zacht snikken, gevolgd
door druk praten; de deur ging open en vader en dochter kwamen binnen,
de armen om elkander geslagen, zij zoo dicht mogelijk tegen zijn borst
genesteld.
Hij zag er nu weer opgewekt uit en zeide:
"De vrede is gesloten, Daisy heeft beloofd nooit meer zoo stout
te zijn en zij is heel blij dat de freule haar juf wil worden!"
"Is dat waar Daisy?" vroeg Leonore ernstig. Het kind sloeg
de oogen neer en bracht er met moeite er haperend uit:
"Papa zegt. . ."
"Ja, nu zegt papa het, dat zij zoet en gehoorzaam zal wezen, maar
als papa weg is naar Indië en de freule blijft hier. . ."
Met een wilden kreet greep het kind haar vader om het middel.
"Neen, Daisy mee met papa, naar Indië."
"Foei, Daisy," zoo begon Leonore haar opvoedkundige taak,
"dat moet Daisy niet zeggen. Papa moet voor zaken weg, en als papa
terugkomt, dan zal hij zoo gelukkig zijn als Daisy zoo verstandig is
geworden als zij groot is. Ik zal Daisy wel gezelschap houden, dan gaan
wij samen wandelen en naar de winkels. . . ."-
"Maar ook leeren?"
[81:]
Leonore gaf hem
een wenk haar te laten begaan. Het kind begon te luisteren.
"Wij zullen doen als vriendinnen, niet waar Daisy?" en zij
trok het meisje zacht naar zich toe; "heb je nooit vriendinnen
gehad?"
Daisy liet haar begaan en schudde als antwoord op die vraag even het
hoofd. Leonore merkte dat zij blauwe plekken had op haar armen en schrammen
aan haar voorhoofd.
Over het kind heen, wees zij met haar oogen den vader die sporen aan,
overgebleven uit zijn barbaarsche mishandeling. Hij wendde verlegen
en beschaamd den blik af.
"En zal "juf" mij niet slaan?" vroeg zij. "Want
slaan mag alleen pa doen!"
"Neen, ik zal je niet slaan, maar Daisy zal papa ook nooit meer
reden geven, om zoo boos te worden; want zulk een bui kan papa ziek
maken en hem plotseling dood laten neervallen!"
De heer Mac Dunolly trok een grijns; die waarheid, welke zij daar verkondigde,
bevatte nu juist niet een aaangenaam vooruitzicht voor hem, maar het
kind luisterde toch aandachtig. Niemand had ooit met haar geredeneerd;
men had haar geliefkoosd of mishandeld; de Indische tante evengoed als
haar vader. Het was haar of zij een heel nieuwe taal hoorde.
De vader raakte vervuld van bewondering voor het jonge meisje, dat zich
met zoo veel tact van het hart en den geest van zijn kind trachtte meester
te maken.
Eindelijk had hij het wonderbare edelgesteente, zoo lang
[82:]
door hem gezocht,
gevonden. Leonore besloot haar proeflesje met het kind op het voorhoofd
te kussen, een bedaarde, moederlijke kus, heel iets anders dan Daisy
gewoon was van haar vader te ontvangen, of hem te geven; alles ging
tusschen hen zoo wild en met zulk een zuidelijk vuur toe. Zij zou het
anders aanleggen.
Daarop wendde zij zich tot haar toekomstigen meester en vroeg hem:
"Wanneer moet ik in dienst komen?"
"In dienst, in dienst! Dat is het woord niet! Wanneer wil u mij
de eer aandoen de leiding van mijn huis en de opvoeding van mijn kind
op u te nemen?"
"Ziezoo! ook den ouden heer ga ik beschaven," dacht zij met
voldoening; zij had nu al haar zelfvertrouwen weer terug.
"Liever kwam ik eerst na uw vertrek," sprak zij; "ik
wil geheel vrij zijn ten opzichte van het kind, en dat ben ik niet,
zoolang u er bij is."
"Ik wilde dat u dadelijk kon blijven."
"Neen, dat gaat natuurlijk niet! Met mijn broer en mijn vader,"
dat laatste kwam er met moeite achteraan slepen, "zal ik spreken
en hun uw voorstel overbrengen."
De vader had zijn dochtertje intusschen weer bij den arm genomen en
vroeg haar in 't Engelsch:
"Zou Daisy nu niet graag zoo mooi willen spreken als de freule?
En er zoo lief uitzien en zoo aardig en vriendelijk zijn?"
Onwillig schudde het kind haar geheele lichaam.
"Neen, te lastig, prettiger zoo!"
Leonore gaf
haar de hand en zeide lachend:
[83:]
"Dat zal wel
komen mettertijd. De juffrouw is vroeger ook een echte wildzang geweest."
"Dan zal ik het rijtuig maar laten voorkomen," zeide de heer
Mac Dunolly; "vertrekt u dadelijk naar Ankeloo?"
"Neen, mijnheer! Ik blijf vannacht logeeren bij een vriendin van
mij."
"Informatiën over mij inwinnen?"
Zij glimlachte.
"O, neen, dat is immers niet meer noodig!"
"Daisy, ga heen, kind! Pa moet de juffrouw nog even spreken!"
Zonder groeten verwijderde zich het meisje, en de heer Mac Dunolly ,hernam
met grooten ernst:
"Dus wij hebben elkander goed begrepen, freule Asseleyn! U vertrouw
ik mijn huis toe, maar dat is minder. Het voornaamste is mijn kind!
Hoelang blijf ik weg? Misschien tien maanden, misschien tien jaar. Is
er iets bijzonders, dan telegrafeert u eenvoudig. Mijn kleine brandal
(bandiet) moet door u gefatsoeneerd worden, maar niet alleen uiterlijk.
Dat beteekent niets. Inwendig moet zij goed worden, een goede, brave,
vrome vrouw. Heeft u mij begrepen?"
"Die man is zoo gek niet als ik meende," dacht Leonore, terwijl
zij met verstandig gezicht ja knikte.
"Geen modepop, geen vrouw van de wereld. U moet inhalen wat ik
verzuimd heb, en dat zoo spoedig mogelijk. Ik weet zelf wat ik tekortschiet
aan plichtbesef en zelfbeheersching, aan karakter, daarom wil ik mijn
dochter daarvan voorzien. Ziet u er kans toe?"
Zij moest tot haar spijt de oogen neerslaan onder zijn
[84:]
brandenden blik,
maar een ondeelbaar gedeelte van een seconde alleen; toen zag zij hem
weer aan.
"Wat ik bezit zal ik haar geven! Ik zal op mijn manier trachten
haar hart te winnen; misschien heeft u het zooeven gehoord en vond mij
niet streng genoeg, maar dit behoort tot mijn tactiek. Men vangt de
vogels met honig en niet met azijn."
"Het hoe laat ik u over. U weet wat ik verlang; geen offer is mij
te groot om dat te bereiken. Nog eens, op uiterlijke manieren, op aristocratisch
optreden ben ik gesteld; maar dit alles beteekent niets, als het niet
voortkomt uit inwendige beschaving, anders is het niets als verguldsel,
klatergoud - Prada."
Leonore schrikte bij dat woord.
"En dat verlang ik niet van mijn dochter, ik wil voor haar ware
zielsbeschaving koopen, tot elken prijs. En nu uw hand er op. Ziezoo,
ik telegrafeer u wanneer ik ga vertrekken."
Leonore herademde toen zij in de coupé zat en wegreed; zij voelde
zich volstrekt niet op haar gemak tegenover dien zonderlingen man.
Zij begreep dat hij ongenadig streng kon zijn, als men hem weerstond;
maar met haar gewone luchthartigheid zette zij zich over alle bezwaren
heen en droomde haar schoonste droomen over baar wonen in het rijke
huis, haar rijden in dit verrukkelijk coupétje.
Zij gal den koetsier en palfrenier een gulden fooi en zij bogen voor
haar tot den grond.
"Nu, die is van een ander soort dan de rest," zeide de eene,
waarop de andere verklaarde:
[85:]
"Zeg liever
dat zij is klaargekomen; daarom is zij zoo royaal."
"Nu, zij liever dan ik, optrekken met die wilde kat."
Leonore's vriendin zette groote oogen op, toen deze hoorde dat zij zich
als gouvernante geëngageerd had bij dien excentrieken Engelschman
- als zoodanig was Mac Dunolly reeds in Amsterdam bekend -, en hoe zij
't aandurfde, en of zij wel wist, wat de menschen zeiden, dat hij iemand
was van heel minne afkomst of liever heel hooge, daar zijn vader een
Engelsche Lord was, die hem bij testament zoo rijk had bedacht, en zijn
moeder een Javaansche, met wie de Lord kennis maakte op een plezierreis
naar Java, hoe men fluisterde dat hij zijn eerste vrouw vermoord had,
hoe anderen beweerden dat hij uit al die van heinde en verre gekomen
meisjes een tweede vrouw had willen zoeken, maar dat geen harer het
met hem had durven wagen; en wat had zij dan met hem afgesproken?
Leonore hoorde alles bedaard aan en glimlachte tevreden.