[55:] V.
Een elegante coupé,
van binnen met blauwe zijde gecapitouneerd, van buiten spiegelend verlakt,
zonder een enkel krasje of schrapje, en bespannen met een paar schilderachtige
zwarte paarden, palfrenier; een koetsier in blauw livrei op den bok,
stond voor het Rijnspoor te wachten, toen freule Asseleyn aankwam.
"Nu, als die denkt dat het haar zal lukken," zeide de koetsier
spottend tot den lakei, "we zullen zien wat het geeft! Wij brengen
ze net zoo weg als zij gekomen is."
"We hebben het stellig al honderd-vijftig-maal gedaan, en nog maar
twee of drie van die kale mamsellen heeft er aan gedacht ons een dubbeltje
in de hand te stoppen, en als zij wegreden, dachten zij toch zeker dat
het haar zou lukken. Nu, deze zal ook niet wijzer zijn."
De palfrenier was, zoodra de trein aankwam, er af
[56:]
gesprongen en ging
bij het perron staan wachten tot de freule, kwam. Leonore had zich voor
deze gewichtige gelegenheid eenvoudig in zwart voile gekleed, met geen
ander sieraad dan een bouquet viooltjes op haar borst; dat was het herkenningsteeken.
Zij had een korte cape van dezelfde stof om, en een ronden hoed met
zwarte veeren op; zij wist dat zij er in-elegant en door en door gedistingeerd
uitzag.
De knecht, gewoon als hij was met een blik de dames te taxeeren, merkte
dadelijk dat deze dame niet van het ras der gewone gouvernantes was,
en zijn groet scheen er een ietsje beleefder door.
"'t Lijkt een heusche freule," dacht hij en opende met meer
eerbied dan anders het portier om haar door te laten; toen klom hij
op den bok en de coupé reed weg.
Met een zucht van bewondering zag Leonore rond.
Wat zat zij hier toch, heerlijk; zij paste in dit rijtuigje als een
diamant in zijn etui. Wie zou nu aan haar zeggen, zooals zij nu door
de Amsterdamsche straten reed, dat zij thuis een dronken vader had en
een broer op krukken, en dat haar huis er uitzag, bah! zoo ordinair.
De equipage beviel haar om te beginnen al uitmuntend, veel chiquer dan
die van de Waelbekes; wanneer alles naar evenredigheid was en de eigenaar
een beetje dragelijk. . . .
Hemel! dacht zij daar werkelijk aan wat zij, toen Willem er over sprak,
zoo verontwaardigd had afgewezen? Zij lachte even; hoe kon zij nu aan
a-b-c-lessen en tafels van vermenigvuldiging denken, terwijl zij in
zoo'n prachtig coupétje rondreed? Neen, als die
[57:]
mijnheer werkelijk
een echte gouvernante zocht voor zijn dochtertje, dan moest hij ergens
anders heen zien; moeilijk zou hij er ééne vinden, wier
hoofd minder stond naar geleerdheid en naar lessen geven dan freule
van Asseleyn.
Het rijtuig reed door het Vondelpark, sloeg toen links af en hield spoedig
stil voor een deftige villa in het nog minder dan half bebouwde Willemspark;
er was een hoog bordes met twee trappen voor, waarvoor het rijtuig stilhield.
Een huisknecht eveneens in livrei opende de deur; aan het einde van
een breede marmeren gang zag Leonore door de gekleurde glazen van een
deur de boomen van den achtertuin.
Haar voeten betraden een Smirnaschen looper, die ook over de trap naar
boven lag.
De knecht ging haar voor en bracht haar in een ruime achterkamer, die
met drie ramen op den tuin uitzicht gaf.
Alles om haar heen even rijk, even degelijk; die eikenhouten stoelen
met bruin gebloemd leeren zittingen en rijk lofwerk, dat oude kabinet,
die eettafel, die blauw porseleinen schotels en potten, dat koperwerk,
die eikenhouten paneelen, die zwaar pluche gordijnen - als zij zelf
had moeten kiezen, zij zou het niet mooier genomen hebben.
Een net dienstmeisje, met kornet, verzocht haar hoed en mantel af te
leggen; mijnheer zou zoo dadelijk schillen, maar of de freule - allen
spraken haar aan met freule; zij wist niet of dit een huiselijk gebruik
[58:]
was, dan wel of
mijnheer zoo doordrongen was van haar titel, dat hij al zijn bedienden
bevolen had, haar dien te geven - of de freule ook de jongejuffrouw
wilde zien.
"Heel graag!" zeide Leonore en streek haar krulletjes wat
op voor den spiegel.
Hoe flatteerde dat Venetiaansche glas; zij had in de laatste veertien
dagen, sedert zij geen gelegenheid had zich ergens anders te bekijken
dan in het verweerde glas van Papa den Baron, reeds bijna heelemaal
vergeten dat zij zoo mooi was. Zij viel zichzelf bepaald mede in deze
omgeving, die onwillekeurig op haar werkte, terwijl zij de opmerking
maakte dat ook zij de doodschheid van deze rijke, maar kille kamer wegnam
en er eigenlijk het schoonste ornament van was.
Alles in de kamer was echter onpersoonlijk, zij zag niets, wat de eigenaars
kon karakteriseeren. Zij had zich evengoed in een showroom (modelkamer)
van een meubelfabrikant kunnen verbeelden. Nergens een portret, nergens
een souvernier, alles even onzijdig, koud en kostbaar.
De deur ging open en haar aanslaande leerling, of die zij hoopte dat
het worden zou, trad binnen.
"Ik moet mij nu goed houden, 't is een proef," dacht zij,
en kwam het meisje tegemoet.
Hier viel haar echter op het eerste oogenblik alles tegen; het meisje
was niet juist wat men gewoonlijk een "dochtertje" pleegt
te noemen; dertien of veertien jaar, geheel met het voorkomen en de
gestalte van een jongen, kort tot stoppels geknipt donker haar, een
ge
[59:]
bruind gezichtje,
waaruit twee lichtblauwe oogen vreemd keken, een knorrig geplooid mondje
en vooral gefronste wenkbrauwen, die ver over de oogen staken en aan
het geheele voorken iets terugstootends gaven; dan iets hoekigs en scherps
in al haar bewegingen, een kleeding, die behalve het rokje niets meisjesachtig
had, een jongensblouse van grijs flanel en niets wat in eenige overeenstemming
was met de rijke omgeving, dan een paar schitterende brillanten in de
ooren.
"Is u weer een nieuwe juf?" vroeg zij zonder complimenten,
de handen achter den rug.
"Dat weet ik nog niet," antwoordde Leonore, wie het woord
"juf" alles behalve aangenaam op het hart viel, "maar
als ik het word, dan is u zeker mijn aanstaande leerling."
"Ja, maar ik heb vreeselijk het land."
"En waarom dan?"
"Omdat ik juf krijg!"
"Is u een Indische?"
"Ja zeker, houd niets van Holland."
En toen plotseling van haar gebroken Hollandsch overgaande in het zuiverste
Engelsch, vroeg zij:
"Praat u Engelsch?"
"Een weinig," antwoordde Leonore glimlachend, "maar toch
genoeg om u te verstaan."
Deze woorden waren echter ook voldoende om het meisje te doen begrijpen,
dat haar aanstaande "juf" het Engelsch volkomen machtig was.
"Ik English woman," sprak zij met trots, en toen ging zij
voort in 't Hollandsch:
[60:]
"Wij gauw
terug naar Java. Zoo koud hier, bah!"
Juist had haar conversatie dit belangrijke punt bereikt toen de deur
weer openging en nu kwam de meid binnen, die van verlangen brandde de
jonge dame in te lichten. Van haar kreeg Leonore te hooren dat mijnheer
Mac Dunolly voor twee jaar in Holland gekomen was met het doel zijn
dochtertje op een pensionaat te doen, maar zijn eigenaardige ideeën
over opvoeding maakten dat weinige kostscholen het met het meisje durfden
probeeren; van de enkele die het waagden, was de kleine meid na kort
verblijf weer weggeloopen of zij was beginnen te kwijnen van verlangen
naar papa, en nu had mijnheer Mac Dunolly maar besloten dit huis in
te richten voor de jongejuffrouw en haar verder aan de zorg eener gouvernante
over te laten.
Leonore luisterde toe met een air of zij het meisje een groote eer en
beleefdheid bewees, door zich te verwaardigen naar haar gepraat te luisteren;
intusschen verheugde het haar toch eenigszins op de hoogte van de vreemde
verhoudingen te komen.
"Maar mijnheer is zoo moeilijk en zoo lastig te voldoen,"
eindigde zij; "wat al dames er niet geweest zijn, mooie en leelijke,
oude en jonge, knappe en domme, en zij spraken van alles, maar geen
vieI in den smaak van mijnheer. . ."
"En van de jongejuffrouw!" viel het kind in, dat al dien tijd
als een ineengerolde bal bij den haard had gezeten; "dat is het
voornaamste," voegde zij er in het Engelsch bij: "ik geloof
het ten minste."
"Een wonderlijke familie," dacht Leonore.
[61:]
De meid dekte intusschen
de tafel en Leonore maakte bij zichzelf de opmerking, dat het er hier
ondanks de rijke omgeving vrij huiselijk toeging.
Wie liet nu een gast in een eetkamer, waar toebereidselen voor een maal
gemaakt werden?
Leonore trachtte het kind nog tot spreken te krijgen, maar het wonderlijke
schepseltje bléef in haar hoekje, met de groote oogen haar aanziende,terwijl
zij het hoofd tusschen haar knieën drukte.
"Er zal nogal iets voor mij te beschaven overblijven," dacht
Leonore en voelde zich moedeloos worden. Zij had zich, een kind van
drie, vier jaar voorgesteld; bij kinderen van zulk een leeftijd en zelfs
wat ouder had zij altijd groot succes. Op "Arethuse" had zij
geleerd met kinderen om te gaan. Otto's broertjes en zusjes vergoodden
haar letterlijk, en zij kende allerlei kleine handgrepen, waardoor men
kinderen tot zich trekken kan.
Maar tegenover dit groote kind, dat reeds een goed ontwikkeld willetje
bleek te hebben en het middelpunt scheen te zijn van het heele huis,
en waarover zij bestemd was geheel alleen te regeeren, als de vader
naar Indië vertrokken zou zijn, voelde zij zich bijna geheel machteloos,
en de vraag kwam bij haar op of niet de grootste helft van haar 132
voorgangsters die zware taak wel had aangedurfd, zelfs al vielen zij
in mijnheer's smaak.
De tafel was juist gedekt, toen een zware stap op de gang weerklonk;
de deur werd open geworpen en John Mac Dunolly trad binnen.
Hij ook zag er heel anders uit dan Leonore zich had
[62:]
voorgesteld; haar
eerste blik overtuigde haar van het feit, dat hij een Indo-Engelsman
moest zijn; kort en breed van gestalte, met een groot donker hoofd,
had hij zwarte borstelige stoppelige haren, ruwe wenkbrauwen als twee
harige dikke strepen boven zijn staalblauwe oogen geplant. Vooral door
dit oogen en wenkbrauwstelsel leek zijn dochter sprekend op hem; zijn
huid was grof door de pokken geschonden, hier en daar door groote bruine
wratten opgeluisterd.
"Papa!" riep het meisje uit, "Father dearest," en
vloog naar hem toe.
"Darling!" zeide hij, greep haar om het dunne middel, hield
haar in de hoogte en overdekte haar gelaat met kussen.
"Hemel! Ik geloof dat ik beter doe, den weg te gaan van mijn voorgangsters,."
dacht Leonore; "met die hagedis van een kind is niets te beginnen
en met dien buffel van een vader nóg minder. Dat kind draagt
hij op zijn hart en 't is een schild, waarop alle mogelijke pijlen zullen
afstuiten."
Eerst nadat deze begroeting geëindigd was, scheen hij zich te herinneren
dat er nog een andere in de kamer was.
"Zoo, freule!" zeide hij en reikte haar zijn breede, ruwe
hand, "wil u 't ook eens probeeren?"
"Ik heb 't maar eens gewaagd van uw invitatie gebruik te maken,"
antwoordde Leonore flinkweg en hem recht in de oogen ziende: "niet
dat ik meen, reden te hebben om mij boven mijn 121. . . ."
"Honderd twee en dertig," verbeterde het kind.
[63:]
"Honderd twee
en dertig dan - voorgangsters te achten, maar wie niet waagt, die niet
wint."
"Nu, juf - ik bedoel freule! men kan nooit weten hoe een dubbeltje
rolt; zullen wij maar eens plaats nemen en wat zien te eten? Straks
zullen wij dan onze zaken wel bepraten."
Leonore zette zich op den haar aangewezen stoel tegenover den heer Mac
Dunolly; het meisje hing aan zijn hals, fluisterde hem iets toe en hij
tikte haar op de wangen, streelde haar over het borstelige hoofd, en
Leonore zag in haar hart die luidruchtige liefkoozingen met minachting
aan. Bij haar aan huis en ook bij de Waelbekes werd niet veel gezoend
en gevleid. Alleen mevrouw vond het prettig vertroeteld te worden, maar
wie kon die vergelijken, het zwakke vrouwtje en deze forsche man?
De knecht kwam met eenige fijne schotels binnen; de vader had het kind
naast de freule laten zitten en onophoudelijk ging zijn blik van de
een naar de andere.
Het verschil was dan ook om op te vallen; de fijn aristocratische verschijning
van Leonore en het wonderlijk toegetakelde figuurtje van het nog zoo
onrijpe meisje.
De scherpe blik van den huisheer, dit voelde zij als bij instinct, mat
zonder ophouden den afstand tusschen haar en zijn dochtertje.
Hij sprak niets en at vlug, maar ongeloofelijk veel.
Het kind laadde haar bord vol met allerlei eten, proefde ergens van,
trok een leelijk gezicht, likte soms met den vinger van het een of ander
en schoof het dan van zich af.
[64:]
Leonore at weinig
maar met smaak en vooral met distinctie; zij wist dat geen harer bewegingen
den man tegenover haar ontsnapte en dat nu reeds het examen begon, waarvoor
haar talrijke voorgangsters zoo jammerlijk gezakt waren.
"Daisy, eet toch!" riep haar vader haar toe, en zijn wenkbrauwen
schenen nog dikker te worden en nog dieper schaduwen te werpen op zijn
reeds zoo donker gelaat.
Maar zij schudde energiek het hoofdje.
"Geen honger, Daisy kan niet eten als vreemde menschen er zijn."
"U ziet, mijn kind heeft wel opvoeding noodig, freule," zeide
de vader glimlachend.
"Waarvoor zou u anders een gouvernante nemen?" vroeg Leonore.
Nog vóór de lunch afgeloopen was, sprong het kind van
den stoel en op den schoot van den vader, hapte van zijn bord, stiet
zijn wijnglas om, gierde het uit van het lachen en was nog vóórdat
Leonore het gemerkt had, eensklaps boven het buffet geklouterd, vanwaar
zij allerlei dwaze grimassen maakte en op het bevel van haar vader,
om naar beneden te komen, niets deed dan neuzen tegen hem en de freule
te trekken.
"Ondeugende meid," riep de vader plotseling, van zijn stoel
opspringend. Leonore zag hoe zijn donkere huid tot diep in den nek paars
werd; hoe de aderen van zijn slapen hoog opzwollen en zijn oogen diep
uit hun kassen puilden.
Met een ruk was hij bij het buffet, greep het kind met zijn forsche
vingers aan, sleurde haar naar omlaag,
[65:]
zonder er zich
om te bekommeren dat een der kostbare blauwporseleinen vazen kletterend
in scherven naar beneden viel; hij was zich zelf niet meer meester van
woede, sloeg, duwde, kneep het meisje, stompte haar tegen den grond
en schopte haar eindelijk in een hoek als ware zij een stuk waardeloos
papier, een vod of een andere onreinheid geweest.
Het kind huilde erbarmelijk, spartelde eerst met handjes en voetjes
tegen, toen liet het zich geduldig slaan, schoppen, stompen, alleen
klagend daartusschen het woordje "ampoen" (vergiffenis) uitstootend,
en toen de strafoefening afgeloopen was, bleef zij kermend in het hoekje
liggen, het hoofd voorover op de handen gedrukt en het geheele lichaam
in elkander gerold en als 't ware ineengeschrompeld.
Hijgend, met gezwollen lippen en met bloeà beloopen oogen keerde
haar vader zich nu weer naar zijn gast.
Leonore zat nog steeds onbeweeglijk op haar plaats.
Niets verried wat in haar geest omging, bij dien plotselingen overgang
van dolle liefkoozingen tot bijna beestachtige mishandeling; haar kleur
was misschien alleen een tintje bleeker geworden.
De heer Mac Dunolly dronk eenige glazen wijn achter elkander, wat hem
nog rooder en opgezetter maakte; eindelijk zeide hij:
"'t Spijt me dat u zoo'n tooneel heeft moeten zien, of eigenlijk
is 't misschien ook beter dat u het bijwoont; want dan weet u, wat u
hier wacht als. . . als. . . wij het eens worden. Wil u nog nader met
mij de zaak bespreken?"
[66:]
"Zeker, mijnheer!"
antwoordde zij op vasten toon en stond meteen op.
"Wil u dan met mij meegaan hier tegenover?"
Hij maakte de gangdeur open; juist toen hij weg wilde gaan, kroop Daisy
op handen en voeten over het tapijt naar hem toe, greep zijn beenen
tusschen haar handen, verborg haar gezicht op zijn voeten en herhaalde
op hartverscheurenden toon, snikkend en schreiend haar droevig:
"Ampoen, ampoen!"
Maar met een nijdige beweging van zijn voet, stiet hij haar van zich,
en nu barstte zij in een hartstochtelijk langgerekt huilen uit, dat
haast niets menschelijks meer had en de rijke zalen van het huis vervulde
met zijn duldeloos pijnlijke klanken.