III.
Jaren en jaren zijn verloopen na den nacht, waarop Bernard Marwijk aan den indringer zijn zuur verdiende spaarpenningen ter hand stelde.
[13:]
Bergman was daags
daarna verdwenen; mevrouw Marwijk had een traantje gestort om het geld,
dat zij voor haar Agnes had willen sparen, doch onmiddellijk daarop
troostte zij zich met de gedachte, hoe het beter was geld te missen
dan Agnes zelve, wier gezondheid met den dag vooruitging. Haar man werkte
met nieuwe kracht onder zijn snipperuren om het verlorene in te halen.
Zoo ging de tijd om; het huisgezin werd allengs grooter, de zorgen werden
drukkender, maar er kwam ook verbetering in hun toestand. Marwijk kreeg
een plaats aan een fabriek in een stad der zuidelijke provinciën,
waar het goedltooper leven was, terwijl zijn inkomen tevens belangrijk
vermeerderd werd.
Toch was 't nog volstrekt geen weelderig leven, dat hij met zijn vrouw
en zes kinderen leidde; Agnes was nu een volwassen, bloeiend meisje
geworden en hielp haar moeder trouw in 't drukke huishouden. Van tante
Cato had men sinds lang geen ander teeken van leven vernomen dan het
kaartje, waarmede zij regelmatig de felicitatiebrieven van haar nicht
bij Nieuwjaars- of geboortedagen beantwoordde. Groot was dus de verwondering,
toen op een avond, terwijl de Marwijks aan het avondmaal zaten, een
brief met het postmerk Amsterdam aankwam.
"Hé, wat kan dat zijn, tante's eigen hand," sprak mevrouw,
de enveloppe openend.
"Wat voor nieuws?" vroeg Marwijk, "is 't waar, dat tante
eindelijk een universeel erfgenaam heeft gevonden in den persoon van
een lang vergeten neef?"
"Daar schrijft ze niets van. Ze vraagt. . . . ze vraagt onze Agnes
te logeeren."
"Is 't einde der wereld gekomen?"
"We zullen hopen van niet."
"Jakkes, ma, dat moet u niet toestaan," zeide Jan, de oudste
zoon, "onze Agnes zal 't daar niet bevallen bij die gierige tante.
Zij is zelf zoo gul."
"Kom, daarover heb je niet mee te praten, jongeheer!"
"Ik zelf heb er ook niet veel lust in," fluisterde Agnes zeer
zacht.
"Maar, Mina, wat voor reden geeft je tante op voor die onverwachte
vriendelijkheid?"
"Daar, lees zelf, Bernard! Zij heeft er zeker iets mee voor."
Marwijk las.
"Hm, hm! Ik heb nog nooit zoo'n lieven brief van haar gelezen.
En geen woord van den neef, dien ze, de Hemel weet waar, opgedoken heeft.
Misschien is 't weer mis met dien erfgenaam en moet onze Agnes...."
"Kom, kom, man, bouw maar geen luchtkasteelen; laten we er liever
varnnacht op slapen."
"'t Is anders voor Agnes niet onaardig. Ze was sinds haar kinderjaren
niet in Amsterdam en als tante minder slecht gehumeurd is, kan zij 't
er wel goed hebben."
Agnes liet het hoofdje hangen; zij was zoo gaarne thuis, waar
[14:]
alles rondom haar
even hartelijk, vriendelijk en vroolijk was; de broers konden haar soms
wel erg plagen, maar zij had ze toch innig lief en ze noemden haar dan
ook trouw "moedertje twee".
Maar vooral aan haar eenig zusje, een aardige, kleine meid van vijf
jaar, was zij bijzonder gehecht.
Doch papa was er op gesteld dat zij gaan zou; hij dacht verder dan zijn
vrouw, die nog een levendige herinnering behield van al 't geen zij
als ouderlooze bij haar tante geleden had en een weinig huiverig was
haar kind ook aan zulk een leven bloot te stellen. De erfenis van tante
Cato kon hun goed te pas komen, en 't zou roekeloos zijn haar door verkeerd
geplaatste fijngevoeligheid te verspelen.
Nog nooit was Agnes een nacht van huis geweest en zoodra tot de reis
besloten was, werden de toebereidselen met een zwaar hart gemaakt.
Jan, de oudste zoon, moest haar naar Amsterdam brengen; wie weet of
tante, wanneer zij den flinken jongen zag, hem niet in plaats van den
verstooten erfgenaam zou benoemen, was de geheime gedachte van Marwijk.
Mina keurde de plannen van haar man niet goed; zij hield niet van zoo
veel berekening; in den loop der jaren was Marwijk erg practisch geworden,
te practisch vond zij; hij dacht bij alles na, wat voor nut men er uit
trekken kon.
Dat was jammer; het was wel de schaduwzijde van een huwelijk, zoo zonder
eenige berekening gedaan als het hunne, dat men gedwongen was, zoo veel
te doen wat tegen de borst stuitte en zooveel te laten, waartoe men
zich aangetrokken voelde. Een huisgezin van acht personen vroeg zooveel
en geen der kinderen was nog bezorgd. Marwijk had gelijk, men mocht
tante Cato niet verwaarloozen, zij was reeds over de zeventig, en rechtens
kwam haar fortuin zeker toe aan Mina, Marwijk, het eenige kind van haar
eenige zuster.
Op den morgen, toen Agnes zou vertrekken, brachten allen haar naar 't
station; mama schreide alsof Agnes naar de Oost ging, schertste de vader;
de jongens vroegen haar iets voor hen mee te brengen, 't zij een tol,
't zij boeken; het zusje soebatte om een pop met heusch haar en Agnes
schreef alles ernstig op in haar notitieboekje.
Jan was zeer trotsch, de geleider van zijn zuster te mogen zijn en hoopte
in stilte, dat hij ook een dag of wat in Amsterdam mocht blijven; het
spoorboekje verliet zijn handen geen oogenblik en 't scheelde niet veel
of hij had, door te druk in het boekje te studeeren, den trein gemist.
Agnes zag bleek en een weinig lusteloos; 't viel haar hard het huis
te verlaten, maar zij hield zich toch goed voor mama; toen het oogenblik
van vertrekken daar was, drong de vader op een spoedig afscheid aan
en raadde zijn vrouw en kinderen af, den reizigers naar het perron te
volgen.
[15:]
Hij alleen bracht
hen naar den wagon, omheisde zijn dochter nog eens hartelijk en drukte
zijn zoon de hand.
"Pas op je zuster, Jan!" zeide hij, "je bent voor haar
verantwoordelijk."
"Gerust, pa, mijn hand er op," sprak Jan fier.
"En jij, beste meid, kom nu eens bij mij," en hij boog zich
naar haar oor, "je gaat nu bij tante logeeren. Je weet welke zorgen
ik heb. Door je houding tegenover de oude vrouw kun je er misschien
oorzaak van zijn, dat wij allen in een geheel andere positie komen..
Ik zeg je niet wat je doen moet, dat moet je zelf zien. En nu, God zegen
je; je hebt me immers begrepen?"
Agnes had nog slechts even den tijd ja te knikken, want Jan duwde haar
in den coupé, met de waarschuwing, dat de locomotief reeds drie
malen gefloten had; het portier werd achter hen dichtgeworpen. Agnes
en Jan wuifden zoowel den op het perron staanden vader toe als de vijf
hoofden, die, tegen het glas der wachtkamerdeur gedrukt, uit al hun
macht den reizigers een hartelijk vaarwel toeriepen.