II.
Een uur of vier
later zat Bernard Marwijk op zijn zoogenaamd kantoor te schrijven.
Dit kantoor was eigenlijk een kast tusschen de huiskamer en het slaapvertrek
gelegen en gaf ruimschoots aanleiding de bewonderenswaardige wijze te
roemen, waarop de bewoners eener groote stad gelegenheid vinden, van
de kleinste ruimte partij te trekken.
Een raampje hoog in een der muren aangebracht, gaf aan het daglicht
slechts weinig gelegenheid om in 't kamertje te schijnen, maar dit hinderde
des avonds niet als de lamp opgestoken was en elk hoekje van het nauwe
vertrek helder verlichtte.
't Enige meubel was dan ook de tafel, waaraan Marwijk schreef, zijn
stoel en een rekje met boeken.
Geduldig zat hij de eene bladzijde voor de andere na vol te
[10:]
schrijven, nu en
dan slechts zijn arbeid onderbrekende, om te luisteren naar de rustige
ademhaling van vrouw en kind.
Mina, uitgeput door de vermoeienis van den vorigen nacht, gerustgesteld
over den toestand van haar lieveling, was met een gelukkigen glimlach
in slaap gevallen. Haar laatste woorden, voor dat zij de oogen sloot,
waren een dankgebed tot Hem, wien zij onophoudelijk gesmeekt had om
het behoud van haar eenigen schat; en haar gelaat droeg nog de uitdrukking
van het dankbare gevoel, dat haar bezielde.
Een enkelen keer stond Bernard ook op om naar beide rustig slapenden
te gaan zien; dan vervolgde hij weer met nieuwen moed zijn arbeid, maar
ook op hem deed de natuur haar rechten gelden. De pen werd zwaar in
zijn hand en gleed zonder letters te vormen over het papier, zijn oogleden
vielen toe, zijn hoofd zakte op de borst; dadelijk echter overwon hij
zich weer, want het was er nog ver af, dat hij zijn taak voor dezen
avond geëindigd had.
In één van zulke oogenblikken, dat de slaap zich van hem
meester gemaakt en hem nog verder dan te voren in het rijk der droomen
meegesleept had, schrikte hij plotseling op door een ongewoon geluid,
een soort geritsel in het aangrenzende vertrek.
Zoo zeer hadden de muizen haar kwartier niet geschuwd dan dat Marwijk's
eerste gedachte niet haar bezoek zou gelden.
Hij stelde het op prijs door haar gewekt te zijn en begon, hoe slaperig
ook, voort te schrijven; het geritsel hield nu eens aan, dan weer op,
plotseling hoorde hij een val, een onderdrukt gesis, duidelijk een menschenstem.
Op te staan, snel de lamp ter hand te nemen en in de huiskamer te treden,
was het werk van een oogenblik; de deur, die het kantoor van dit vertrek
scheidde, was afgesloten, terwijl de andere, die in de slaapkamer uitkwam,
open stond.
Marwijk ging behoedzaam voort en deed, in de huiskamer gekomen, snel
de deur achter zich dicht, want reeds bij den eersten oogopslag had
hij gezien, dat een man voor Mina's secretaire knielde; bij 't schijnsel
der lamp, die plotseling de kamer verlichtte, keerde deze zich om en
staarde verschrikt den binnenkomende aan.
"Ga je gang, doe of je thuis bent," sprak Marwijk doodbedaard,
"laat mij je niet hinderen!"
De indringer had zich opgericht en sprong den binnentredende tegemoet;
in zijn hand hield hij een mes.
"Mijnheer ," zeide hij woest, "u is in mijn hand! Ik
heb geld noodig, ik moet het hebben, en ik weet, dat zich daar in die
secretaire een som bevindt, die me redden kan. Geef 't mij goedschiks
of..."
"Jawel, ik begrijp je. Als ik je mijn zuur verdiende penningen
niet voetstoots afsta, dan zal je mij met je mes daartoe dwingen. Natuurlijk
zal ik me niet als een onschuldig lam laten afmaken. Een worsteling,
waarvan de uitslag hoogst onzeker is, zou er
[11:]
uit volgen, en
dan heb ik, ongewapende, de meeste kans het te verliezen en beroof daarmee
vrouw en kind van hun kostwinner."
"Talm niet, wat is uw besluit?"
"Zacht wat, mannetje, mijn kind is ziek geweest en mijn afgetobde
vrouw heeft rust noodig; praat dus wat zachter! Ik ben aan 't overleggen,
want je brengt mij in een moeilijk geval. Ik heb hard en lang genoeg
voor dat armzalige sommetje gewerkt om er niet dan met verdriet van
te scheiden. Is 't onbescheiden u te vragen, wat ge er mee voor hebt?"
De onverstoorbare kalmte van Marwijk miste haar uitwerking niet; de
andere, die zich slechts voor een oogenblik opgewonden had, voelde zijn
kracht bezwijken; men kon 't hem aanzien, dat hij geen misdadiger van
beroep was; ofschoon hij nog het wapen in de hand hield, waarmede hij
zoo pas Marwijk gedreigd had, ontzonk hem alle moed.
Met neergeslagen oogen, als had de andere hem in zijn macht, antwoordde
hij:
"U weet, ik ben ongelukkig geweest, ik heb een treurige zaak met
de politie gehad; men heeft mij als medeplichtige in een diefstal aangehouden,
maar ik verzeker u, dat ik niet wist wat de hoofdschuldige, mijn vriend,
vóór had, toen hij mij op wacht zette. Ik dacht, dat ik
hem helpen moest in een zaak van heel anderen aard. Daarvoor heb ik
zes maanden gezeten, want men nam mijn jeugdigen leeftijd in aanmerking;
na dien tijd is 't mij met den besten wil der wereld onmogelijk geweest
op een eerlijke manier mijn brood te verdienen, daarom wilde ik naar
Amerika gaan en daar een nieuw leven beginnen, maar ik heb geen geld
voor den overtocht en. . . ."
"Daarvoor moest je mij bestelen. Jawel, een mooi begin voor een
nieuw leven; daar rust Gods zegen stellig op."
"Ik zal u eens alles teruggeven," stamelde hij, "kapitaal
en interest."
"Kom, kom, praatjes! Daar zullen we niet op rekenen, mijn vrouw
en ik, we hadden ons wel gouden bergen voorgespiegeld van deze armzalige
f 150. Vijftig gulden zijn voor haar en de kleine; mijn jas kan nog
wachten; de overige honderd wilden we sparen voor onze Agnes. Nu gaat
u met dat geld, waarvoor ik zoo lang werkte, strijken. Hier is alles,
meer heb ik niet."
"Mijnheer Marwijk," en hij stotterde, "ik heb alles niet
noodig; honderd gulden is meer dan genoeg."
"Zoo, ben je nog zoo bescheiden, en dat mes houdt je steeds vast."
"Daar heeft u het mes; houd uw geld en klaag me aan! Wat zal ik
ook in Amerika doen? In het tuchthuis tusschen de boeven is voortaan
mijn plaats."
"Dat had uw moeder niet gedacht van haar Albert, mijnheer Bergman,
dat hij zich in zulk gezelschap eens het best zou thuis voelen."
[12:]
"Mijn moeder,
mijn naam! Hoe kent u dien?"
"Jaren geleden, toen ik nog onderofficier was, heb ik onder uw
oom, den achtenswaardigen kolonel van Torn, gediend; uw moeder was zijn
zuster en nam, weduwe geworden, zijn huishouding waar. Ik kwam daar
dikwijls aan huis en zag toen ook, hoe die moeder haar eenig kind lief,
te lief had; toevallig hoorde ik, dat jij en de kleine ondeugende Albert
één en dezelfde persoon waart. 't Spijt me voor je; de
kolonel is dood en heeft dezen dag dus tot zijn geluk niet beleefd;
waar je moeder nu is, weet ik niet. 't Zou me genoegen doen, wanneer
je me zeidet, dat ook zij niet meer leeft."
De ongelukkige had zijn hoofd afgewend en gebogen, zijn hand op 't gelaat
gedrukt en schier onhoorbaar gaf hij ten antwoord:
"Ja, zij is dood, Goddank! zij heeft genoeg door mij geleden. Maak
er een einde aan, mijnheer Marwijk; geloof me, ik ben nog niet door
en door slecht, maar ik ben mij zelf een walg, en die ellendige zwakheid
..."
"Zwakheid kan men overwinnen. In hoeverre je slecht of niet slecht
bent, kan ik niet beoordeelen. Nog eens, hoeveel heb je noodig? Bedenk
dat het de eenzelfde bezitting is van een arm kind, maak er een bescheiden
gebruik van."
"Ik wil 't niet hebben, ik ga me bij de justitie aangeven, zoo
u het niet doen wilt."
"En ik verlang dat je het aanneemt, niet om je zelf, maar om de
nagedachtenis van je oom, dien ik hoogachtte en van je moeder, die ik
beklaagde, ofschoon haar zwakheid, een familiekwaal zeker, de eerste
oorzaak is van je val. Neem dit geld; ik geef het je ter leen. Je hebt
het mij eerst afgeperst met het mes in de hand, nu bied ik het je uit
vrijen wil aan. Eens, al is het na jaren, dan zal ik je wachten om rekening
en verantwoording daarvan te doen. En nu, ga heen, je bent nog jong
en kunt veel goed maken; vergeet niet, dat je een arm huisgezin van
het weinige, dat het bezat, hebt beroofd."
"Mijnheer Marwijk," hernam de andere en over zijn slappe trekken
kwam een uitdrukking van durf, "u heeft mij met uw goedheid overladen.
Ik dank u, ik zal eens u het geld terugbrengen met interest."
"Daar reken ik op; ga nu heen, anders maak je mijn vrouw en kind
nog wakker."
Een oogenblik later zat Marwijk weer gerust voort te werken.