III.
Het ontbijt werd
in de Vergulde Kreeft door iedere familie aan afzonderlijke tafeltjes
gebruikt. Zoo zat dan ook Orchidée met haar vader samen onder
de veranda. Mr. Sonerius was een knap, flink man, met een reeds halfvergrijsden
baard, den eenigszins bruinen tint van de indische gasten en zeer moede
oogen, die onder een bril verscholen waren.
Ook Idée had nu een groote, grove bril op, die haar erg leeljk
stond; zij zaten heel stil te ontbijten, een groot verschil met de luidruchtige
pretmakers aan het voorste tafeltje van de Van Wegels. Daar werd gelachen
en druk gepraat en natuurlijk wierp men op vader en dochter nieuwsgierige
blikken.
"Zij praten Engelsch" fluisterde Maddie, "zeker zijn
ze bang dat wij hen verstaan."
De dames van Geel kwamen langs, de heer Sonerius en zijn dochter groetten,
freule Aldegonde en freule Hildegonde bogen heel deftig en voornaam.
"Hofrévérences," noemde Ben die buigingen.
[18:]
Toen kwamen zij
bij de Van Wegels, met gewichtig voorkomen iets zeggen over het weer,
dat nog wat gedrukt scheen, maar strakjes zeker zou optrekken, en namen
eindelijk aan haar eigen tafeltje plaats, keken haar brieven en couranten
na, zagen of er niets aan den band van het Nieuws van den Dag verschoven
was, en begonnen thee te zetten.
Dat wil zeggen, de eene woog de schepjes af en deed ze er in, dan nam
de eerste weer den ketel, en zoo ging het alle dagen.
Na het ontbijt werd met Frits een conferentie gehouden over het weer,
of het raadzaam zou zijn dien middag naar Z. te gaan, of de barometer
rees of daalde.
Maddie's oogen dwaalden af van de freules naar de Soneriussen; zij verstond
niets van hetgeen deze spraken en dat interesseerde haar juist veel
meer dan de dagelijksche gesprekken van de freules. Laura en Dorette
aten haar broodjes en spraken gewoon met haar mama, terwijl de kleintjes
aardig hardop babbelden.
Zoodra zij gedaan hadden met eten, stonden vader en dochter op, Idée
zette haar reuzenhoed op, schoof een dik boek onder den arm, ook haar
vader nam couranten en boek mede, toen groetten zij weer eventjes en
gingen den tuin uit, het bosch in.
Nauwelijks waren zij verdwenen of freule Hildegonde begon tegen mevrouw
Van Wegel.
"Hij lijkt wel een homme du monde de vader van ons savantetje."
"Men kan zien dat hij niet recht gezond is," zei mevrouw,
"hij heeft zoo'n taankleur."
"O dat heeft hij uit Indië meegebracht; nietwaar Aldegonde,
wat zag neef Wiliem er geel uit toen hij pas uit Indië kwam."
"Ja, maar neef Willem had leverziekte."
"Nu, dat kan deze meneer ook wel hebben."
[19:]
"En 't kind
zei dat hij een zonnesteek had gehad."
"'t Eene kan toch ook samen gaan met het andere."
"Dat is niet waarschijnlijk, Hildegonda, me dunkt dat iemand aan
één zoo'n pijnlijke kwaal reeds meer dan genoeg heeft
en er geen tweede bij hoeft te hebben."
"Neen, 't hoeft niet, maar het kan toch wezen niet waar!"
"Zij moesten de boeken maar stil thuis laten en wat in 't gras
liggen," meende mevrouw Van Wegel.
"Dat zullen zij wel doen, als wij hen een beetje in ons gezelschap
opnemen."
"Maar zij zijn niets toeschietelijk. 't Was het meisje gister avond
te veel om te antwoorden en wij vroegen toch uit pure belangstelling,
niet waar Aldegonda."
"Ja - zuivere belangstelling niets anders. Zei je wat, Maddie?"
"O neen freule! Neen! Ik riep Fox."
En zij holde met de kleine meisjes weg om het zwarte schippertje van
het hotel na te loopen, daar zij haar fatsoen niet kon houden van het
lachen.
Baudine kwam er aan met haar werktaschje en Laura ging haar tegemoet.
"Weet je wat wij moesten doen Bau," zei Laura tot haar vriendin,
"wij moesten ons best doen van die geleerde juf een mensch te maken,
een meisje zooals wij; ik denk dat het voor haar veel beter is."
"Mama zei ook toen ze er van hoorde: wat 'n arm schaap! Maar hoe
zullen wij dat doen? Je ziet wel haar tennis geeft niets, zij is onhandig
en snapt er niets van. - Zij bederft ons maar het spel."
"Ja, maar daar moeten wij niet op letten. 't Voornaamste is dat
zij leert hoe er andere dingen zijn, waarin wij jonge meisjes belang
mogen stellen dan boeken en nog eens boeken,"
"O foei, ik begrijp niet hoe men voor plezier leert en dan als
men voor plezier uit is nog zit te suffen in zoo'n idioot boek."
[20:]
"Neen, dat
moet je niet zeggen, hoor! Ik houd wel van studeeren, heel veel zelfs,
maar alles op zijn tijd. Kopjes wasschen en handwerkjes doen vind ik
vervelend, maar daar vraagt Mama niet naar - gek hé, dat die
wilde Maddie daar zoo van houdt en toch leert ze best."
"'t Is de mode dat de meisjer niet van huishoudelijk gedoe willen
weten, maar ik vind het prettig met Ma de wasch te doen en lekkere schoteltjes
klaar te maken en mooie dingen te borduren. Als Pa nu maar niet zoo
er op stond, dat ik mijn examen in handwerken doe en daarvoor terug
moet naar die akelige kostschool.'"
"Bij ons in Amsterdam leeren wij alles op de dagscholen."
"Ik vind leeren ellendig vervelend. Zeg, wat denk je, zou Idée
moeten leeren van haar Pa, of doet zij 't zoo maar voor eigen plezier?"
"Ik denk wel allebei."
"Dan is zij wel mal als zij 't niet doet voor plezier. Verbeeld
je als je alleen met je Pa bent dan kan je toch niet beter dan zijn
huishouden doen in plaats dan zoo'n zwarte Ingrid die maar wat raak
knoeit. Ik geloof dat ze niets om eten geven."
"Je hadt moeten zien hoe ze thee zette! Zij deed er wel vier lepels
in en goot den halven ketel er dadelijk op, zoodat 't warme water uit
de tuit spoot. We hadden moeite niet te lachen en Maddie beet haast
haar vingerdoekje stuk en toen deed ze eerst de melk in 't kopje en
daarna de suiker en het laatst. van alles de thee. Eenig!"
"Ik heb met de stakker te doen. Wat zijn wij toch gelukkig Lau,
dat wij uit gewone huishoudens zijn en niets van die extra dingen hebben."
"'t Is toch wel aardig zoo iets bijzonders te zijn. Een studente
in korte rokken met hangend haar!"
Zij kwamen aan hun lievelingsplekje bij den vijver,
[21:]
Laura had een boek
bij zich, waaruit zij Baudine voorlas, die een mooien looper van point
lacé maakte. Soms ging zij ook wat frivolité doen, maar
eigenlijk las zij liever.
Hun plaats was echter ingenomen, mijnheer Sonerius zat in het gras en
naast hem zijn dochter; 't scheen dat zij samen latijn lazen, zij vertaalden
en spraken druk over moeielijke woorden of zinnen.
't Duurde een poosje vóór dat zij Laura en Baudine in
't oog kregen, zoodat deze allen tijd hadden vader en dochter op te
nemen.
't Leek haast of Idée haar vader alles uitlegde, hij luisterde
toe, vroeg even iets, zij antwoordde met korte, vlugge zinnetjes, de
bril had zij niet op en zooals zij daar zat, leek zij haast een meisje
van dertien jaar, zoo fijn en tenger, naast den grooten, flinken man,
die aandachtig naar haar luisterde.
"Versta je er iets van," vroeg Baudine fluisterend.
"Geen steek en jij?"
"Ja, ik domoor - als jij 't niet weet."
"'t Zou toch jammer zijn misschien; als wij haar in iets anders
leerden plezier hebben, zij schijnen zoo gelukkig met hun geleerdheid."
Daar keken vader en dochter op en Idée groette verlegen.
"Wil je mij aan de jonge dames voorstellen, kind," vroeg de
heer Sonerius.
"Juffrouw Laura - va. . . va. . . ."
"Van Wegel"- viel Laura in, "Baudine Doreveld."
"Recht aangenaam, ik hoor dat u gisteren zoo vriendelijk is geweest
voor mijn dochter en met haar gespeeld hebt, maar zij is daar niet in
thuis, ziet u, zij is zoo heel anders opgevoed."
"Wij dachten er haar plezier mee te doen," antwoordde Laura.
"Ja 't is heel aardig van u, heel aardig, maar Idée is zoo
heel anders.. . ."
[22:]
"O ja,"
snipte Baudine een beetje, "wij zijn maar heel domme meisjes, ik
ten minste; maar juffrouw Idée was zoo alleen en wij dachten
eerst dat zij van onze soort was."
"Ik vond het zoo lief dat u mij dadelijk tegemoet kwam," zei
Idée met haar zachte stem, waarin de indische tongval aardig
klonk.
"O ja, zeker, zal mijn dochter het apprecieeren dat u zoo voorkomend
jegens haar is, maar zij doet zware studiën en is door dat ik haar
eenige meester ben geweest een beetje achterlijk in sommige vakken en
nu is zoo'n vacantie buiten uitstekend geschikt om het een en ander
in te halen."
Baudine keek wat spottend.
"Ik woon hier en als de menschen uit de stad buiten komen dan is
't gewoonlijk om uit te rusten niet om zich nog moeier te maken door
studeeren."
Idée zag verschrikt haar vader en Baudine aan, die hem durfde
tegenspreken, iets wat zij zelf nog nooit had gedaan.
"Ieder zijn meening, jonge juffrouw! maar u zal mij, die zoo veel
ouder is dan u en zooveel meer ondervinding heeft, niet kwalijk nemen
dat ik er ook een op na houd en nu moet ik de dames wel bedanken voor
het aangename gezelschap en verzoeken ons te excuseeren, wij hebben
hier juist een heel moeilijken zin."
Idée scheen verlegen en men kon merken dat zij niet op haar gemak
was en moeite had er weer in te komen toen Laura en Baudine een beetje
knak langzaam heen gingen om ergens anders een plekje te vinden waar
zij den morgen konden doorbrengen.
"Een paar frivole, onbeduidende wezens," zeide mijnheer Sonerius,
hen naziende.
"Zij zijn wel goed en hartelijk en Laura's moeder lijkt ook heel
vriendelijk, maar die nare freules met haar uithooren, bah!"
[23:]
"Kindje lief,
leer het van je vader, de beste vrienden zijn de boeken - die stellen
nooit te leur! Hoe had ik anders die lange jaren op het verlaten eiland
om gekregen zonder onze lieve boeken en onze lesuren?"
"Ja vadertje, 't was een heerlijke tijd, en als er dan zoo'n kist
met boeken uit Holland kwam en als den post ons die verrukkelijke tijdschriften
bracht. . ."
"Je hebt je daar nooit verveeld. . ."
"Neen, ik niet en de boeken verveelden mij toen ook nooit, terwijl
hier. . ."
"Wat? Voel je je hier anders, waar je boeken in overvloed, hebt
en bibliotheken en colleges, waar je onmiddellijk de nieuwste uitgaven
kunt krijgen, terwijl wij daar maanden moesten wachten. Vervelen de
boeken je hier soms?"
"Ik weet het niet Vader! wat het is, maar soms voel ik mij zoo
moe."
"Je hebt toch geen moeite de colleges te volgen. Aan je dictaten
mankeert ten minste niets."
"Neen, volstrekt niet. Ik vind de colleges prettig en 't interesseert
mij alles, maar ik ben dikwijls zoo spoedig afgeleid en verstrooid.
Daar had ik niets geen afleiding, elke dag was gelijk aan de andere,
maar als ik nu in de verte een draaiorgel hoor b.v. of ik zie een boom
langzaam groen worden, nadat hij den heelen winter dor is geweest en
het zonnetje schijnt zoo heerlijk na een paar dagen van regen, dan kriebelt
het in mijn hoofd en in mijn oogen en in mijn voeten en dan weet ik
niet of ik huilen of lachen moet, maar dan heb ik zoo'n trek mijn boek
dicht te slaan en het den heelen dag niet meer open te doen."
"Maar kind, dat is toch verkeerd, de vreemde omgeving doet het
en de eigenaardigheid van het kind."
"Dat is 't zeker want 't gaat buiten mij om, ik kan er niets aan
doen, hoe vervelend ik 't ook vind."
"En wij dachten 't hier zoo stil te hebben en nu willen die meisjes
je ook tot zich trekken. Ze be
[24:]
grijpen niet in
wat voor een heel andere sfeer je leeft."
"Ja!"
"Kom, zullen wij weer met onzen Tacitus beginnen - waar waren wij
ook gebleven?
"Hier."
"Zucht je?"
"Zuchtte ik? o neen, maar ik dacht wat voor boek hadden ze toch
wel bij zich. Ik wou den titel zien maar kon hem niet lezen."
"Zeker 't een of ander romannetje."
"Zoo iets als de Gouden Ezel van Apulojus?"
"Wanneer je 't hoogste hebt genoten wat de menschelijke geest ooit
volbracht als je Aeschylos en Sophocles, Homerus, Virgilius, Horatius,
Dante en Shakespeare in 't oorspronkelijke leest, hoe kunnen dan die
banale dingen je interesseeren?"
"Alles wat boek is, interesseert mij, dat weet u wel."
En toen zich tegen hem aan vleiend, vroeg zij liefkoozend:
"Wil Paatje niet, dat ik met de meisjes omga?"
"Willen, willen? Je bent geen gewoon kind meer, je bent studente,
ik wil je niet in iets binden, je moet het weten. Ik vind maar alleen,
't stoort je in de studies, 't leidt je af dat beken je zelf en je wil
toch in de kortst mogelijken tijd je candidaats halen."
"Natuurlijk!"
"En daarvoor is blokken noodig en dat hindert je toch niets hè,
die studie?"
"O, neen, 't is mijn leven!"
"Dat wist ik wel, lief, dapper meisje! en ik weet ook dat je te
degelijk bent om je met die kinderachtige beuzelingen in te laten."
"Ja maar vadertje - ik. . :"
"Nu wat dan?"
"Ik speel niet graag de zonderlinge, ik vind het zoo naar dat ik
anders doe en anders ben dan die
[25:]
meisjes, ik had
zoo graag gewild dat ze er niets van gemerkt hadden. . ."
"Wat gemerkt?"
"Dat ik studente was, ik wou zoo graag doen als zij. . . ."
"Maar meisje, hoe kom je daar aan! Een ander zou trotsch zijn op
je positie."
"Ik niet, ik vind het verschrikkelijk een uitzondering te zijn,
verschrikkelijk als iets bijzonders te worden aangekeken, overal opzien
te baren."
"Ik begrijp je niet, 't is een groote eer de jongste studente te
zijn in heel Holland, misschien van de wereld en dan nog een vrouw,
een indisch meisje."
"O neen, ik vind 't akelig. . .
En zij verborg rillend het gelaat in de handen.
"Dat is je nu pas aangewaaid."
"Och, op ons lief eiland wist niemand het en niemand hoefde het
te weten en als u gasten had, kwam ik ook voor den dag, ik wist niet
dat ik iets bijzonders was, maar aan boord is het begonnen, toen voelde
ik dat ik niet was als andere meisjes van mijn jaren."
"Des te erger voor die nare meubels aan boord, dat was toch niets
om op te willen lijken. Dat waren onbeduidende meisjes, jongensgekken."
"En toch keken zij op mij neer."
"Foei Idée, dat je niet meer eigenwaarde hebt. Zie naar
mij, ik dwing ze naar mij op te kijken."
"Ja u, u, maar u is ook mijn vader, er is geen mensch knapper en
verstandiger en hooger staande dan u en ik ben maar een dom, onverstandig
kind en daarom wou ik zoo graag dat u mij wat ouwelijker liet kleeden
dat ik geen bakvisch schijn en dat men niet dadelijk over mij smoezelt
en mij aanwijst als. . . als een orang oetan."
"Ik herken je niet, kind! Zet die gedachten uit je hoofd; ga je
gang, blijf wat je bent en verlaag je
[26:]
niet door te willen
worden wat die schepsels zijn. Ze benijden je en zou je met hen willen
ruilen, zeg, jij met je ontwikkelde geest, je groote talenten, ik zei
haast je genie. Wil je dat?"
"N e e n."
"Je zegt dat niet flink genoeg!"
"O als ik een jongen was!"
"Dan zou je een vlug kereltje zijn maar niet iets bijzonders zooals
nu."
Idée boog het hoofd en trok grassprietjes in diep nadenken uit.
"Ik wou dat ik 't uit kon leggen, wat het is, dan zou u 't duidelijker
begrijpen, maar ik weet het zelf misschien niet . . ."
"Je praat wartaal. Zullen wij voortlezen?"
"Ja vader, heel graag!"
En zij lazen samen, maar beider gedachten waren ver van de boeken, Idée
dacht den heelen tijd aan de beide meisjes, die zij zoo lief en vriendelijk
had gevonden, en die nu zeker boos op haar waren en de vader was geêrgerd
omdat zijn dochter zulke domme dingen zeide, die hij zelf nooit pad
gedacht.