II.
Aan tafel kwam Idée
Sonerius iets later dan de anderen; zij droeg nu heur haar opgestoken
en had een witte blouse aan, 't viel nu op dat zij een mooi gewelfd
voorhoofd had, maar de oogen hield zij altijd als verlegen neergeslagen,
want zij voelde dat ieder haar aankeek, vooral de oude dames Van Geel,
die zich verbeelden hier de oudste rechten te hebben - en dus 't meeste
durfden zeggen.
Zij kwam alleen want haar vader had zoo'n hoofdpijn dat hij liever op
zijn kamer bleef.
Laura had gehoopt dat men haar naast haar nieuwe kennis zou plaatsen,
maar Frits, de voortreffelijke
[9:]
kellner, die alles
zoo precies regelde, zette haar naast de laatst aangekomen en, want
zoo wilde het de regel van het hotel: de eersten zaten aan 't hoófd
der tafel en als er nieuwen kwamen dan schoven zij langzamerhand op,
terwijl de laatsten het laagst zaten.
Idée zat heel vervelend, zij sprak geen woord uit haar eigen,
naast haar zat mevrouw Bonten, die wat doof was en ook weinig sprak.
Tegenover haar gasten, die alleen kwamen om te eten, een jong paar,
dat onophoudelijk fluisterde en naar niemand omkeek en een reiziger
in wijnen, die ieder aansprak.
Laura en Maddie groetten haar, doch daar zij beiden aan haar kant zaten,
kon zij hen niet zien, alleen Ben was haar bekend, maar hij zat ook
te ver van haar af om een gesprek te kunnen beginnen.
"Ik heb met dat kind te doen, zei mevrouw Van Wegel tot de eene
freule Van Geel, "zou ze geen moeder meer hebben?"
"Hoe heeten ze ook? Sonius? Zeg Aldegonde, hebben wij niet eens
een Martha Sonius gekend, die getrouwd was met den broer van . . . ."
"Maar zij heet geen Sonius - zoo onderbrak freule Aldegonde de
genealogische uitleggingen van haar zuster - Sonere . . ."
"Sonerius!"
"Docter Sonerius, herinner je die niet?"
Mevrouw Van Wegel had genoeg van die familiepraatjes want ze wist dat
de freules het eerste halve uur daar nog niet mede gedaan zou hebben.
Na 't eten vroegen de freules Frits, wanneer nu de nieuwe gasten kwamen,
die studente, hij wist wel.
Frits keek ze half verontwaardigd, half medelijdend aan.
"Maar freule! Mijnheer Sonerius en zijn dochter zijn vanmiddag
reeds gearriveerd."
"En waar zijn ze dan?"
[10:]
"Mijnheer was
niet wel en is op zijn kamer gebleven, maar de juffrouw zat aan tafel."
"Verbeeld je, dat kind, die speen een studente", schreeuwde
Maddie zoo hard, dat Idée het bijna boven hooren moest.
"Kind, schei uit!" riepen allen en gingen naar buiten, om
zooals gewoonlijk een eindje blootshoofd en zonder handschoenen te wandelen.
Zij liepen den dorpsweg op, een mooie laan met aan weerszijden korenvelden
in mooie schakeering - geel, licht en donkerder groen, afgewisseld door
een boekweitveld met witte en aardappelplanten met paarsche bloemen.
Het bosch trok een langen donkeren muur tusschen de bonte akkers en
den roodgouden avondhemel. De zon was moede van het lange schijnen,
zakte langzaam achter het groen weg en haar laatste stralen zetten alles
in oranjegloed.
De meisjes waren nog zóó onder de indruk van het pas gehoorde
dat zij heelemaal hun tennisplannen vergaten en druk over het nieuwtje
spraken, terwijl mevrouw Van Wegel en de freules 't ook over dezelfde
geschiedenis hadden.
"Ik vind 't ongepermiteerd," zeide freule Aldegonda, "zoo'n
jong kind, studente! In mijn tijd mocht zij nog niet eens naar 't pensionaat."
"Ze moesten dat kind leeren mazen en kousenstoppen en letters teekenen,
dat is beter dan in die mannenboeken te zitten blokken. Ik houd niets
van al die nieuwigheden, verklaarde pittig freule Hildegonda.
"'t Meisje schijnt buitengewoon begaafd te zijn," meende mevrouw
Van Wegel "en dan zou het toch jammer zijn als zij haar talenten
niet ontwikkelde.
"Dat is goed voor een jongen, maar een meisje. . ."
Mevrouw Van Wegel glimlachte even.
"Onze lieve Heer schijnt er niet naar te vragen of Hij zijn talenten
geeft aan een jongen of een meisje,
[11:]
maar dat is zeker,
Hij zal ons eens rekenschap vragen over elk talent dat Hij ons gaf."
"Dus als dit kind uw dochter was, zou u haar ook die onvrouwelijke
studiën laten doen?"
"Zeker! Ik zou 't mijn plicht vinden als zij een bepaalde richting
in wilde slaan haar daarin te helpen, en als ik een dochter had, die
b.v. een bijzonder muzikaal talent had zou ik haar niet naar de naaischool
zenden maar naar het conservatoire."
"U is ook al door het moderne hondje gebeten," bitste de freule
terug op de kalme, besliste woorden van Laura's moeder. "Dat had
ik nooit van u gedacht."
"Ik waardeer wat onze tijd goeds heeft en profiteer er van, ik
hoop met verstand en overleg. Mijn kinderen geven tot nu toe van geen
bepaalden aanleg blijk, maar mijn man wil toch dat zij zich voor iets
bekwamen. - Laura zou niets liever willen dan een graad halen, maar
wij weten nog niet of zij daartoe geschikt is."
"'t Zou zonde zijn. Zoo'n mooi meisje als uw Laura hoeft niet bang
te wezen dat zij ongetrouwd blijft."
"Dat is 't juist, mijn meisjes moeten zich zelf kunnen helpen door
't leven, zonder te wachten op een man, die misschien nooit komt."
Terwijl de oudere dames zoo over de toekomst spraken, haalden de meisjes
en Ben hun indrukken van zooeven op.
"Als ik daar nu aan gedacht had, dat kleine ding!"
"Ze ziet er niets naar uit - nog zoo'n bakvisch."
"Jij lijkt nog meer op een studente, Lau," lachte Ben.
"Och jongen, jij droomt!"
"Bá, daar is Bau met Jo en Jaap!"
Toen was 't dadelijk:
"Zeg Bau, zij is 't. . ."
"Wie, wat bedoel je?"
"Zij is de studente - Idée."
[12:]
"Wat. . . .
och kom, zeur zoo niet!"
"Ik verzeker je. . . zij wacht zeker op ons, wij hebben immers
gezegd tot straks op 't veld."
"Ik kan 't niet gelooven."
"Ja maar Frits heeft het gezegd en Frits weet alles," gierde
Maddie, "ik vind 't eenig, dol, zoo'n miniatuur-studente met nog
niet opgestoken haar. Zeg! zou die ook ontgroend zijn?"
De meisjes holden terug naar de Kreeft; onder de veranda zat Idée
te lezen; 't was een boek met grieksche letters. Toen 't vroolijke groepje
aankwam, legde zij gauw het boek weg, zóódat men den titel
niet lezen kon en kwam hen tegemoet.
"Pa slaapt gelukkig," zeide zij.
In de gauwigheid hadden de meisjes afgesproken dat zij maar zouden doen
of zij er niets van wisten wat Idée eigenlijk was en haar behandelen
als een gewoon meisje. Josephine had dit aangeraden, en Dorette, die
er nu ook bij was gekomen, vond dit ook het beste.
"Wil u met ons mee gaan naar het tennisveld," zeide Laura
en trachtte zoo gewoon mogelijk te doen, zich in stilte ergerend over
Maddie, die haar opnam of zij iets zeer bijzonders aan zich had.
Ben, die op de 4de klas gymnasium was en den naam had heel vlug te zijn,
berekende dat het meisje eer jonger dan ouder was dan hij en voelde
zich wel een beetje achteruitgezet en vernederd door die geleerde juf.
"Heel graag!" zeide het meisje en bracht haar boek eerst naar
binnen, "maar u moet geduld met mij hebben want ik ben heel erg
dom in die dingen."
"In die dingen," herhaalde Baudine bij zich zelf, "ik
geloof toch wel dat zij pedant is en op ons neerziet."
De groote meisjes gingen het bosch in wandelen en de jongelui begonnen
te spelen.
[13:]
Idée deed
erg onhandig. Zij kon niet overweg met de raketten, sloeg telkens mis,
werd vermoeid, struikelde, maar wilde het toch niet opgeven, ofschoon
men genoeg aan haar gezicht kon zien dat het spel haar niets interesseerde.
"Ik geloof dat u pleizieriger zou spelen als er niet zoo'n spelbreekster
bij was," zeide zij eindelijk.
"O neen," trachtten de meisjes haar te verzekeren, "'t
is ons een eer dat u met ons mee doet!"
't Meisje werd vuurrood.
"Waarom? Ik zou niet weten waarom. . ." stotterde zij.
"O," flapte Maddie uit, "men kan niet in alles uitmunten.
Dit is maar kinderwerk voor u."
Toen keek Idée hun hulpeloos als om steun en medelijden vragend
aan.
"Och, dit moet u niet zeggen. Ik begrijp heel goed dat anderen
er plezier in hebben en ik zou 't ook wel willen maar ik kan 't niet
helpen. Ik ben zoo heel anders opgevoed."
"Daar hoeft u niet om te huilen," lachte Maddie en sloeg haar
bal wild in de hoogte.
"Maddie, nu vliegt de bal over de heining, nu kunnen wij hem weer
gaan zoeken."
"Daarvoor hebben wij jongens", Maddie sloeg de armen over
elkaar en ging in het gras zitten."
"Jongens moeten toch iets uitvoeren, nu meisjes jongenswerk gaan
doen. . . ."
"Maddie . . ."
"Schei jullie toch uit met je Maddie, Maddie. Ik wil zeggen, wat
ik op 't hart of op de tong heb en dan mag jullie 't ook doen. Hoor
eens juffrouw Idée, want werkelijk ik durf zoo'n geleerde dame
niet maar gewoon bij den geleerden naam noemen. - Wij weten 't nu allemaal
dat u zoo'n knappe bol bent, maar dat kan ons niet schelen, u is er
niets minder om in ons oog."
[14:]
Baudine en Laura
keken weer heel bezorgd, je kon nooit weten wat die Maddie 't eene oogenblik
zou zeggen of doen, je zat altijd in angst voor haar dwaze invallen,
maar Idée's gezicht helderde op en zij zeide tot de meisjes veel
levendiger en vrijer dan ze tot nu toe gesproken had:
"Dat vind ik erg lief van je Maddie, en ik hoop dat je zusjes en
vriendinnen en broers dat ook zullen denken. 't Is werkelijk mijn schuld
niet. Als ik een ander leven had gehad, zou ik misschien juist zijn
als jullie, maar ik ben altijd met Vader alleen geweest op een eenzaam
eiland in den Indischen Archipel, en daar hadden wij geen andere afleiding
dan te studeeren en ik heb nooit vriendinnetjes gehad, ik weet niet
eens of ik met hen zal kunnen omgaan."
"Wij zullen het u niet moeielijk maken," zei Laura hartelijk
en ook Baudine gaf haar de hand en Laura verklaarde toen:
"Ik vind 't zoo heerlijk studente te zijn en ik wou 't heel graag
worden, misschien leer ik nog wel wat van u."
"Maar nu moeten wij er niet meer over praten, willen jullie dat?-
De dokter heeft gezegd dat ik de wei in moest en dat ik al dien tijd
geen boek meer mocht inzien."
"En zoo pas zat je weer te studeeren! Nou, denk je dat ik mijn
huiswerk zou afmaken als ik niet hoefde. Fuut! Jongens, de bal halen,
wij beginnen weer!"
"Dat had ik niet moeten doen, maar er was een grieksch woord waar
ik niet op kon komen en toen keek ik even na. . ."
De jongens stonden op een afstand te praten, elkander verzekerend dat
zij 't lam vonden dat geleerde juffertje in hun gezelschap te moeten
dulden en dat de meisjes veel beter hadden gedaan ze niet op te nemen
in het clubje.
"Nu moet je maar eens toekijken Idée," zeide
[15:]
Baudine toen ze
een nieuw spel en nu voor goed begonnen, "een volgenden keer doe
je mee."
Idée bleef toekijken maar hoe zij ook haar best deed, 't kon
haar niets schelen hoe de ballen kaatsten en terugkaatsten, en begreep
niet waarom de jongelui vroolijk lachten en pret hadden.
"Ik wil mij niet onderscheiden, ik wil niet den naam van pedant
hebben. Het is toch zoo vreemd, ik heb niets geen pleizier daarin en
toch, ik geloof dat ik gelukkiger zou zijn als ik 't ook kon en er aardigheid
in had."
Dien avond bij het theedrinken vroeg mevrouw Van Wegel haar, zich bij
hen te voegen; zij bracht eerst haar vader een kop boven en toen zij
terug kwam, vond zij de beide freules Van Geel daar ook bij zitten.
Freule Aldegonde vroeg dadelijk of zij familie was van Dr. Sonerius
van Maassluis.
Idée verklaarde nooit van dien naam te hebben gehoord. Na een
beetje heen en weer spreken, tegenpraten en bedenken, bleek dat een
Dr. Vanerius was bedoeld.
Idée vond het eigenaardig de freules te hooren; zij waren het
nooit eens; als de eene iets beweerde, dan verklaarde de andere direct
het tegenovergestelde.
Alleen als zij het over de meisjes van voorheen en thans hadden, waren
zij merkwaardig eenstemmig.
Nu moest Idée eens degelijk en grondig worden uitgehoord.
"Of ze lang in Utrecht woonde?"
"Anderhalf jaar."
"En in welke straat?"
Zij noemde een uit de nieuwe buurten, waarvan de freules zelfs den naam
niet hadden gehoord.
"En vóór dien tijd?"
"In Indië."
"Ah zoo! Had ze daar ook Dominé Dinges gekend?"
[16:]
"Neen."
"Majoor Zus misschien."
"Ook niet."
"Had zij dan niet op Batavia gewoond?"
"Neen op 't eiland Makau."
"Waar lag dit in 's hemelsnaam?"
"In de zee der Molukken, niet ver van Banda."
"Daar?"
De meisjes schoven nader en zelfs de jongens gaven teekenen van belangstelling.
Een Robinson-eiland, zoo verbeeldden zij zich.
"Wij waren daar de eenigen bijna; vader was assistent-resident
en na mama's dood had hij niemand meer dan mij, dus zijn wij altijd
bij elkander gebleven, en papa leerde mij alles wat hij zelf kende."
"Heb je nooit een gouvernante gehad?"
"Neen, ik had geen anderen meester dan mijn vader."
"En wie nam jullie huishouden dan waar?"
"Baboe "
"En waar is baboe nu? Daar gebleven?"
"Neen, zij is mee gekomen - in Utrecht. Het oude mensch is zoo
aan mij gehecht, zij kon mij niet verlaten. Wij waren reeds aan boord
en toen kwam zij ons achterop en zoende mijn voeten en wou mij niet
laten gaan - maar meereizen."
Haar stem trilde van aandoening.
"Maar hoe is u dan studente geworden?"
Idée werd nog rooder toen zij antwoordde:
"Ik heb mijn staats-examen gedaan, een half jaar nadat wij in Holland
waren."
Het gesprek viel haar zwaar te voeren; mevrouw Van Wegel en de groote
meisjes merkten het wel.
De beide freules zetten haar als 't ware op de pijnbank om haar al die
vragen te ontwringen.
"Is je Pa ziekelijk?" klonk het nu weer.
"Pa heeft een zonnesteek gehad, maar nu is hij veel beter, alleen
soms nog wat hoofdpijn."
[17:]
"En hoe heet
je eigenlijk. Ik heb nooit zoo'n naam gehoord. Idée, komt dat
van Ida?"
"Neen, van Orchidée."
"Orchidée, Orchidée! Heet je Orchidée, hoe
verzint men dat. Zoo heet een bloem maar geen mensch."
"Ik kan 't niet helpen," bekende zij verlegen.
"Nu kind," zei mevrouw Van Wegel, "breng je vader maar
weer een lekker kopje thee en dan moet je hier eens goed met de meisjes
spelen en ravotten. Dat zal je flink opknappen in de vacantie."
"Ja mevrouw," antwoordde het meisje gedwee, toen nam zij het
kopje en ging er mee naar boven; men zag haar dien avond niet meer.