XXIV.
't Was zomertijd;
in "de Vergulde Kreeft" zijn de Van Wegels gelogeerd en ook
Idée Sonerius. Haar vader en zijn jonge vrouw maken hun huwelijksreis;
het huis in Utrecht is gesloten en Idée neemt hier vacantie.
Laura is nog in Amsterdam voor haar studiën maar zal toch spoedig
komen. Maddie en Bau hebben vriendschap gesloten en zijn heel druk met
elkaar. Hoewel heel goed met hen in harmonie, was Idée toch niet
intiem met beide meisjes. Zij wandelde meestal alleen, wandelde in het
bosch of ging op mooie plekjes zitten lezen voor haar plezier.
Haar ziel had vrede gevonden; het bewustzijn haar vader te hebben gelukkig
gemaakt, was haar het oogenblik voldoening genoeg.
Dan dacht zij telkens: nu wandelen zij samen, nu
[172:]
gaan zij de bergen
langs den Rijn op, nu varen zij op de stoomboot en bewonderen het mooie
landschap.
Arm Vadertje! Hij heeft zoo weinig gehad aan zijn leven! Zoo vroeg moest
hij Ma missen en na dien tijd, toen hij nog betrekkelijk jong was, wijdde
hij zich geheel aan mij; nu kan hij eens voor zichzelf gelukkig zijn
en dat dankt hij vooral aan mij.
Zij kreeg opgewekte brieven van het gelukkige paar en mooie ansichtkaarten;
zij leefde geheel in verwachting van de post, wat die haar weer voor
nieuws zou brengen.
Haar grootste afleiding was naar het huis te gaan van haar oude dagmeisje
Truus; het gezin was hier geheel opgekomen en hun tevredenheid en de
welvaart, waarin zij nu leefden maakten haar gelukkig. Zij bracht lekkers
of speelgoed aan de kleine kinderen, ging hun lessen overhooren, maakte
een praatje met de moeder of het oudste meisje, en hoewel Maddie en
Baudine soms wel eens lachten om haar eigenaardige vriendschappen, gaf
zij er niets om en bracht prettige oogenblikken door bij de eenvoudige
menschen.
Ludo was door zijn examen gekomen en maakte nu een fietstocht door Brabant
en Limburg.
In het binnenste van haar hart verlangde Idée zeer naar de komst
van Ludo en Laura; zij kon met hen het beste omgaan, zij wisten zooveel
van haar en begrepen haar eigenaardige positie in de wereld beter dan
anderen.
"Bau," zei Maddie eens tot haar nieuwe vriendin: "wij
moeten die ui eens hebben."
"Ja, maar. . ."
"Nu wat maar? Trek je terug?"
"Och, je weet de gevolgen niet."
"Jij bent bang je aan koud water te branden. Het is immers niets,
een grapje, meer niet. Ik wou d'r gezicht toch eens zien als wij met
zoo iets aankwamen.
"Maar zullen zij 't niet kwalijk nemen."
[173:]
"Nou zeg!
Dat zal nogal mijn zorg zijn dat Lau het kwalijk neemt. Als zij boos
wordt, dan moet zij maar weer goed worden, dat is dubbel werk."
"Ik ben zoo bang dat Ludo het zoo hoog opneemt, je weet die studenten
zijn een lastig volkje."
"Ludo hoeft het niet te hooren. Tegen dien tijd is het al lang
opgelost en ook niemand mag weten dat wij het gedaan hebben. Als je
mij maar zijn kaartje bezorgt, heb je met niets anders te maken."
"En wanneer wil je het doen?"
"Morgen, dan is Ma naar Amsterdam. Dat treft het goed, dan kan
ze het niemand vragen. Wij houden natuurlijk voor den domme, want onze
grote broers en zuster halen ons niet in hun geheimen."
"Ik vind er eigenlijk zoo weinig aardigheid aan en ik begrijp niet.
. ."
"Nu, je zult zien hoe zij zich houdt. 't Is niets dan een grapje."
"Als 't maar goed uitvalt en wij er geen harrewar mee krijgen."
"Laat dat aan mij over. Jij bent zoo onschuldig als een lam. Ik
neem alles op mij! O 't zal zoo leuk zijn."
"Ik zie er de leukigheid niet van in. Als Lau en Ludo het mij maar
vergeven kunnen."
"Ach kom! Doe zoo kinderachtig niet! Wie weet of het hun de oogen
niet opent en of de gekheid geen ernst wordt."
"Ja, daar moet je Ludo voor hebben en Lau ook. Die is zoo vol van
haar studentikozerij."
Den volgenden middag zat Idée aan tafel.
Daar het eigenlijke vacantieseizoen nog niet begonnen was, waren er
nog weinig gasten; de kelner bracht de brieven en drukwerken binnen.
Idée kreeg een brief, twee mooie prentkaarten en een viskaartenveloppe.
Zij liet den brief liggen; hij was van Vader en en zij
[174:]
stelde zich voor
straks een mooi plekje uit te zoeken en hem dan op haar gemak te genieten.
De prentkaarten bekeek zij even en schoof ze toen Maddie, die tegenover
haar zat, toe,
"Van Josephine en van Ludo!"
Maddie kreeg een kleur. Hoe onuitstaanbaar, dat die Ludo nog uit Valkenburg
een ansicht zond. Hij moest toch in Amsterdam zijn, wilde de grap lukken.
Idée nam nu de enveloppe in de hand, keek naar het een weinig
verdraaide schrift, alsof zij raden wilde van wie het kwam en nam toen
eerst een, toen een tweede kaartje uit.
"Hé, twee kaartjes, beteekent dat niet een verloving, Mad?"
Maddie had haar mond voller gestopt dan met de wellevendheid overeen
kwam en kon dus onmogelijk antwoorden, maar haar oogen waren strak gevestigd
op Idée.
Het meisje las eerst den eenen, toen den anderen naam; even werd zij
bleek, toen joeg het bloed haar naar de wangen, zij knipte even met
de oogen, daarna lichtte zij ze koel op en zeide half verwijtend, half
verbaasd:
"Verbeeld je Maddie, daar heb je mij niets van gezegd. Dat had
ik toch wel vooruit mogen weten, zou ik denken!"
"Wat bedoel je?"
"Dat Laura en Ludo verloofd zijn."
Maddie vergat heelemaal dat zij er buiten moest staan en onwetendheid
voorwenden.
"Ik mocht het niet zeggen," bekende zij.
"Nu ik vind het niets aardig dat zij 't zoo voor mij geheim hielden,
ik stel toch zoo'n belang in hen beiden."
Zij zag er bedroefd uit en Maddie begon spijt te krijgen over haar grap
en alles, waaraan zij vroeger niet gedacht had of niet aan had willen
denken,
[175:]
stormde nu in haar
hoofd. Nu zag zij in eens alle gevolgen in van haar ongepaste aardigheid.
Idée zou de familie Doreveld feliciteeren, en die wisten van
niets en dan zou zij natuurlijk Laura schrijven om haar geluk te wenschen
en te beknorren over haar geheimzinnigheid en wat zouden allen wel zeggen
en wat zou haar Ma boos worden en Papa ging het misschien onderzoeken
en die domme Baudine viel zeker door den mand. Wat was zij toch begonnen!
Waarom dit niet eerder overdacht, maar zoo ging het haar altijd. Vóór
dat zij iets deed, zag zij alles even mooi en schitterend in en later
dan kwamen de naweeën, dan was het of alles heel anders scheen.
Precies een borduurwerk, van voren mooi en gaaf, van achter een warnet,
van allerlei draden en knoopen.
Maar nu kon zij niet meer teruggaan en alles bekennen; zij had Baudine
beloofd de gevolgen te dragen, zij zag dat toen niet in, maar nu vond
zij het vreeselijk. De brutale meid was onder een hoedje te vangen,
zoo klein en schuldig voelde zij zich.
Idée had er echter geen vermoeden van. Zij at met een zeer ernstig
gezicht door.
"Laat mij eens kijken, de kaartjes en de enveloppe," vroeg
Maddie.
Idée reikte ze haar over.
"Waren zij het al lang eens?" vroeg zij.
"Dat weet ik niet. Denk je dat de groote zussen mij ooit hun geheimen
vertellen? Dorette was reeds meer dan een jaar stil geëngageerd,
vóór dat zij het noodig oordeelde het mij officieel mede
te deelen, maar ik had het al lang gemerkt hoor!"
"En nu?"
"Ja - ik wist - neen - eigenlijk wist ik het niet, maar - je weet
- Ludo met zijn examen."
"Ze hebben er blijkbaar op gewacht! Dat spreekt! O 't doet me zoo'n
plezier. Laura is zoo'n goed ver
[176:]
standig vrouwtje,
maar zij is nog wel heel jong. Enfin, ze kunnen toch pas over een jaar
of vijf, zes trouwen; als ze maar niet alles zoo geheim hadden gehouden."
De arme Idée was er mooier ingeloopen dan Maddie in haar stoutste
droomen had durven verwachten, en toch had ze er een lief ding voor
gegeven als zij de kostelijk gelukte grap niet had uitgehaald.
Zij wist zich geen houding te geven, de wildzang, die anders voor niets
stond, en zij kon geen gepast antwoord vinden toen Idée haar
vroeg:
Ik heb nooit iets anders dan een heel kameraadschappelijken toon tusschen
ben gemerkt. Ludo was nooit zoo bijzonder groot met Laura, vond je niet?"
"Neen - dat vond ik ook niet."
En toen na een poos stilte weer:
"Ik ben benieuwd of Laura haar studiën voort zal zetten."
Maddie zweeg.
"Weet je het niet?"
"Neen - dat is te zeggen -- eigenlijk niet."
"Goed dat Lau zoo flink het buishouden heeft geleerd, dat zal haar
nu te pas komen."
Daar wist Maddie ook niets op te zeggen.
"Lau is een maand ouder dan ik geloof ik. Het vorige jaar droeg
zij nog korte kleeren, ik ook."
En toen Maddie bleef zwijgen, herhaalde zij nog eens als tot zichzelf
sprekend:
"Aardig vind ik het toch niet, dat stil houden voor mij."
"Ze wilden je zeker verrassen," bracht Maddie er met heel
veel moeite uit.
"Nu, ik dacht niet dat ik voor zoo'n verrassing bij hen in aanmerking
kwam."
't Liefst van alles was Maddie haar om den hals gevlogen, met de haar
eigen onstuimigheid, om dan te bekennen:
[177:]
"'t Is alles
gekheid. Vergeef me! Er is niets van aan. Ik verzon het maar zoo voor
de grap."
Maar haar schaamte behield de overhand. Baudine wist er nog niets van,
die moest zij het toch ook vertellen, maar het kostte haar moeite. Idée
ging na tafel wandelen, zij bleef onder de veranda en in den tuin drentelen
wachten op Baudine.
't Eerste woord van haar vriendin was:
"Is het gelukt?"
"Best. Zij gelooft het vast."
"En waarom kijk je zoo sip?"
"Niets, zoo maar."
"En hoe nam zij het op?"
"Zij had het land, dat zij het haar niet vooruit hadden verteld."
"Niets anders?"
"Neen, niets!"
"Maar zeg dan toch eens wat? Zei ze niet hoe zij 't vond?"
"Zij is bepaald nijdig en schrijft stellig een vinnigen brief aan
Lau en straks zie ik haar naar jullie toe hollen om te feliciteeren."
Baudine werd doodsbleek en het huilen stond haar nader dan het lachen.
"Och Mad, Mad, wat zeg je t Hoe zal dat afloopen, Papa zal woedend
zijn en misschien denken dat het waar is."
"Loop heen t Dat weten zij beter!"
"Wij hebben aan Ludo al zooveel beleefd en Ma wat zal die zeggen
en mijnheer en mevrouw Van Wegel, ik zie er het einde niet van, maar
't is jou schuld," griende zij.
"Nu ja," bitste Maddie, "jij was er ook niet afkeerig
van, anders had je mij Ludo's kaart,ie niet bezorgd."
"En jij zei dat je alle verantwoordelijkheid op je nam."
"Wat denk je dan, dat ik jou verklikken zal? Neen,
[178:]
ik neem alles op
mij, ik zal vertellen, dat ik het kaartje nog had en dat ik alles, alles
heelemaal alleen op mijn geweten heb. Dan wordt ik beknord en gestraft
en voor een heele, groote misdadigster aangezien en jij blijft buiten
schot en kunt met de anderen meedoen om mij te beschuldigen en uit te
schelden."
"Praat toch zoo niet," snikte Baudine, "jij hebt vooruit
gezegd, dat je alleen voor alles zou staan."
"Dat doe ik immers ook. Ik zeg dat ik alles voor mijn rekening
neem en dat niemand mij geholpen heeft. Meer kan ik toch niet doen of
zeggen."
"Maar wat valsch lijkt dat van mij, jou te laten opkomen voor alle
gevolgen."
"Een moet het toch gedaan hebben en 't is beter dat er maar één
gestraft wordt dan twee."
"Och, laten wij haar maar alles bekennen."
"Ik zou je hartelijk danken," hernam Maddie, die hetzelfde
idee had gehad, maar nu Baudine er mee aankwam, het ver van zich wierp.
"Ik begrijp eigenlijk niet, wat jou bezielt, we zouden een grap
uithalen met Idée, we hebben het gedaan, zij is goed gelukt en
nu kibbelen wij er samen over en jij huilt alsof - er iets heel ergs
gebeurd was."
"Ik ben ook zoo bang."
"Dat had je eerder moeten bedenken. Nu is het te laat."
"Maar jij hebt toch. . ."
"Als je belieft geen verwijtingen. We hebben a gezegd, nu moeten
wij b zeggen en voortgaan tot z en dan desnoods weer terug naar a."
"En dan blijjven jokken als het uitkomt?"
"Nu dan, laten wij dat afwachten, je bent een echte zeur en een
huilebalk."
"Wat heb ik mij toch ook afgegeven met zoo'n wurm," zoo verweet
zich Baudine in stilte. "Maddie is nog een kind. Ik had wijzer
moeten zijn, maar nu kan ik 't niet eens bekennen, want dan breng ik
[179:]
haar in ongelegenheid.
Misschien is Idée reeds naar huis en weten zij 't daar."
Maar Idée was er niet heen geweest; zij had een groote wandeling
gemaakt en deed haar best om met zichzelf in het reine te komen - zij
wilde zoo gaarne weten of zij 't prettig vond of niet. Eigenlijk moest
zij wel, maar zij kon er niet over heen komen, over dat gebrek aan vertrouwen.
Ten minste dit dacht zij en toen met een gevoel van achteruiizetting,
zuchtte zij:
"Ze doen alles buiten mij om. Pa en Josephine en nu weer Ludo en
Laura. Dat komt er van dat ik zoo dom ben in de meest gewone dingen
en alleen maar deug om tusschen de boeken te zitten."
Zij voelde zich verdrietig en neergedrukt; zij had wel meer zulke buien,
als zij eens diep voelde dat zij nooit meer iets doen kon voor haar
vaders geluk, omdat een ander er voor zorgde en zij op de tweede plaats
kwam, maar zij onderdrukte die dadelijk en zocht bij haar oude vrienden
Cicero of Plato troost.
't Scheen of zij hen beter begreep, of zij duidelijker tot haar spraken;
na haar emoties in de laatste maanden was het of de studie der klassieken
een andere beteekenis voor haar kreeg. Zij had ze vroeger gelezen en
vertaald, maar zij was er nooit dieper in gegaan, de beteekenis van
veel ging haar onrijpen geest voorbij, maar nu kwam zij er meer in.
Zij hoorde hen spreken en leerde met hen denken en voelen, zij had geleden
en de smart, de groote leermeesteres, die ons plotseling vlak voor het
Leven duwt en ons dwingt het aan te zien in het soms zoo wreed grijnzend
gelaat, er mede te worstelen en het te onderwerpen, had haar veel van
haar geheimen geopenbaard.
Zij leerde nu belangstelling, lijden voor zichzelf en om anderen, zich
zelf vergeten, verkeerd begrepen te worden, want nu weer voelde zij
zich achteruit gezet, ontgoocheld.
"O mijn boeken, mijn lieve boeken! Gij alleen be
[180:]
driegt mij niet
- en zij keerde tot hen terug, niet meer zooals vroeger moedeloos, zonder
ijver en lust, maar met innig, vurig verlangen naar troost en opbeuring.
Dien avond zou zij niet naar de Dorevelds gaan feliciteeren; zij wilde
ook nog niet aan Laura schrijven; zij haatte van alle soort werk 't
meest correspondentie.
Zij wist niet hoe zoo'n felicitatie in elkander te zetten en toch achtte
zij zich verplicht iets van zich te laten hooren.
Den volgenden morgen aan het ontbijt vertelde Maddie, die opvallend
stil en bedaard was, dat Mama en Laura eerst 's avonds zouden terugkomen.
"En Ludo?" vroeg Idée.
"Dat weet ik niet. Hier is de briefkaart, zij schrijven van niets."
"Als zij komen, moeten wij hen met bloemen ontvangen, dat hoort
immers zoo?"
"Ik zou 't maar laten."
"Ja, 't is misschien ook beter," en zij dacht aan haar zoo
jammerlijk mislukt bloemenfeest bij den terugkeer van haar vader.
Maddie besloot tot elken prijs haar af te houden van een bezoek bij
de Doreveld's.
"Ga je ook nog uit vanmorgen?"
"Ja, ik wou de familie feliciteeren."
"Doe 't maar niet, zij willen er niets van weten."
"Waarom niet?"
"Och, ik weet niet, Bau zei het, zij zijn er niet mee ingenomen."
"Niet mee ingenomen, met zoo'n lief meisje als Laura van Wegel."
Maddie werkte er zich hoe langer, hoe meer in.
"Nu, ja, ik zal je later wel alles zeggen, maar je zult mij plezier
doen, er niet heen te gaan."
"Ook al goed."
Zij ging het dorp in en telegrafeerde aan Laura:
[181:]
"Hartelijk
gefeliciteerd!"
't Was akelig grauw, regenachtig weer; onophoudelijk zeefde een kille,
fijne regen neer; in haar regenmantel en met een ouden dol van een hoed
op, ging Idée naar het telegraafkantoor, toen naar haar eenvoudige
vrienden, maar zij voelde zich down, van binnen ook zoo kil en grauw.
Niets in de toekomst scheen haar meer plezier te kunnen doen, ten minste
zij kon aan niets met inwendige vreugde denken.
Baudine liet zich den geheelen dag niet in de Kreeft zien en Maddie
zat aan haar borduurwerkje met een ijver te pikken of zij er den kost
mee verdienen moest.
"Zeker zijn er onaangenaamheden tusschen de beide familie's,"
dacht Idée.
De regendag kroop om; de lectuur boeide niet en het gesprek wilde niet
vlotten.
"Als de zon maar even er door kwam," dacht Idée, en
om maar iets te zeggen, zeide zij:
"Ze zullen nu mijn telegram wel hebben."
"Je telegram, wat voor telegram?"
"Wel, om Laura te feliciteeren! Ludo zal nu wel in Amsterdam bij
haar zijn."
Maddie werd doodsbleek.
"Wat zal dat vanavond geven?" dacht zij met schrik. "Ik
kan mij alleen door jokken er uit redden en ik kan zoo moeilijk jokken
en 't is ook zoo slecht. Zal ik bekennen, ja of neen?"
Maar telkens verschoof zij het oogenblik en dan dacht ze weer:
"Wat helpt dat bekennen nu? Ze weten het reeds in Amsterdam en
vanavond als zij hier komen dan - dan - o dan heb je de poppen aan 't
dansen en als ze onderzoek doen, komt alles dadelijk uit."
't Was of er geen einde wilde komen aan de lange, sombere, doffe, trage
uren. De weinige logé's huisden nu onder de veranda; de kinderen
waren lastig en dreinerig, wilden van geen spelen weten; men maakte
[182:]
een beetje muziek,
ging hier en daar een praatje houden, dat hoofdzakelijk over 't nare
weer liep en verlangde naar de maaltijden, die alleen wat verzet brachten.
Na het diner begon de onvermoeide regen eindelijk genoeg te krijgen
van zijn eindeloos zeuren en hield op neer te siepelen.
"Zullen wij een loopje maken, Maddie, vroeg Idée, "'t
is nu wel droog."
"Dank je, het is mij te nattig.'
"Nu naar zoo'n beetje regen behoef je niet te kijken als je buiten
bent. Je kleedt er je op en gaat er op uit."
"Ik blijf toch liever."
"Best!"
Zij ging alleen langs den grooten weg en trachtte door vlug te loopen
het matte, drukkende gevoel dat haar den geheelen dag bevangen had te
overwinnen.
Zij sloeg den tegenovergestelden weg in van het dorp, dwars door het
natte, druipende bosch leidend, de klinkers waren echter droog, de lucht,
nog dik en grauw, scheen in twijfel wat te doen, of zich weer oplossen
in regendruppels of wel de wolken wegschuiven en voor 't laatst dien
dag nog even lachen.
Zij liep haastig voort, totdat het bosch eerst aan de eene, toen aan
den anderen kant terugweek en zij nu in 't open veld was met aan weerskanten
de gele korenakkers bestrooid met vonkelende papavers en droomerige
bluetten en toen vlak voor haar scheidden de wolken hun donkergrijs
vaneen en daar brak een zachte rose gloed door, hen als 't ware doortintelend,
en toen werd het ook lichter in Idée's ziel.
Zij kon haar oogen niet afwenden van de rose, grijze wolkjes, totdat
zij eindelijk plotseling zich oplosten in schitterend rood en goud.
De avondzon, een reusachtige gloeiende bol, brak geheel door en nu purperden
de velden en brandden
[183:]
de papavers en
lachten de korenbloemen, en in de huizen gloeiden de ramen en de roode
daken spikkelden in het groen, 't was een apothéose van goud,
purper en licht, en Idée stond in 't midden van dien kleurenbrand
en haar hart juichte en jubelde mee.
Nu voelde zij dat zij jong was en zag het leven zich voor haar uitstrekken
lang en mooi en zonnig, tenminste het kon dat worden, evenals de lange,
sombere dag nog eindigde in zonneschijn en kleurenpracht.
't Was een belofte, een profetie.
Zij zag niet hoe een fietser haar tegemoet wielde; hij was reeds vlak
bij gekomen, toen hij plotseling zijn karretje inhield en er afspringend
naar haar toekwam.
"Kom je mij te gemoet? Dat is lief van je, Idée."
"Ludo! Ik wist niet dat je op komst was, Ik ga wandelen en ik geniet
zoo van dit prachtige vuurwerk. - O, maar ik vergat het heelemaal, Ik
moet je nog feliciteeren. Van harte hoor! Ik ben zoo blij voor jou en
ook voor haar."
"Wat bedoel je? Mij feliciteeren met mijn examen? Dat heb je toch
al gedaan? En wat wil je zeggen van haar?"
"Wel je engagement?"
"Mijn engagement? Je weet meer dan ik en met wie. ."
"Wel met Laura natuurlijk!"
"Met Laura. Ik met dat kind, maar Idée hoe kom je er op."
Hij liep naast haar voort, zijn hand op het stuur van zijn fiets. Zij
gingen de zon tegemoet, die nu alle wolken rondom haar verdreven had,
en met felle regenboogkleuren alles overschitterde,
"Door de kaartjes, die ik van je beide ontving." En zij haalde
ze uit haar zakboekje en gaf ze hem.
"Dat oude kaartje van mij en van Laura, 't Is een grap, een zoutelooze,
flauwe mop, zeker van de meisjes."
[184:]
En hij verscheurde
ze nijdig.
"Is 't heusch niet waar?" vroeg Idée.
"Hoe kom je er aan! Laura is een aardig meisje, maar ik zou nooit
een van de van Wegels tot vrouw willen hebben."
"Waarom niet?"
"'t Is mijn genre niet. Ik stel andere eischen aan een vrouw; dat
wil zeggen, mijn vrouw."
En toen, zonder eenigen overgang:
"Heb je nooit gedacht Idée, dat als er ooit eens een man
bij jou zou passen, het zoo'n soort moest zijn als ik?"
"Een man, ik, ik trouwen! O neen Ludo, dat kan immers niet. Zoo'n
dom, onhandig schepsel, zoo'n boekenwurm als ik."
"Je bent al zoo veel veranderd sedert verleden jaar en kijk eens,
als je ooit eens aan mij mocht denken,dan zou 't zijn heel ver in 't
verschiet, zoo iets als de zon op 't einde van een akeligen, grauwe
dag - over vijf, zes jaar kan ik pas klaar zijn, dan ben ik zeven en
twintig en jij pas drie en twintig, dus nog jong genoeg."
"En dan moet ik mijn studies opgeven?"
"Neen, je moet juist studeeren, want ik zal er trotsch op zijn
een vrouw te hebben die Doctor is en toch vrouw blijft, een lieve, liefhebbende
vrouw. Je hebt nu tijd en gelegenheid je te oefenen in beide - en zie
na donkere, sombere dagen zal ook voor ons de zon nog eens schitteren,
geloof je niet, Idée?"
En zij lachte, terwijl hij zijn arm op den hare legde en haar wees naar
het vizioen van schoonheid vóór hen in dien wonder stralenden
avondhemel.
"Hé, daar zijn ze samen!"
Idée en Ludo keerden zich om en stonden vóór Baudine
en Maddie, die juist bij de kromming van den weg het bosch hadden verlaten.
"Komt het van jullie die mystificatie," vroeg Ludo, half boos,
half lachend.
[185:]
Beiden kregen kleuren
als boeien en wisten niet wat te zeggen.
"Nu, ik geef jelui over aan de wraak van Laura, die 't diepst beleedigd
moet zijn daar jullie haar zoo'n keus lieten doen. Wat mij betreft,
misschien is dit voor mij een vingerwijzing geweest, een wenk, die mij
waarschuwt, waar het geluk te vinden."
Idée zeide niets, maar hare oogen straalden, voor haar beteekende
de heerlijke zonsondergang het begin van een nieuwen, mooien dag, het
morgenrood van een leven vol krachtig werk, hoop op geluk, recht tot
toewijding en plicht van liefde.