XXIII.
In de deftige, stille
huiskamer van het deftige stille huis op de deftige, stille gracht Oude
Delft, zaten de freules Aldegonde en Hildegonde Van Geel, aan de koffietafel,
waarvan Josephine Kleiberg de leiding had.
't Was een hoog, ouderwetsch vertrek met somber lederen behangsel, groote
zijde vakken in gouden lijsten gevat met statige familieportretten,
op den schoorsteen een in het gebeeldhouwde hout gezette, reusachtige
spiegel, uit twee ongelijke stukken glas bestaande. De canapé's
en stoelen waren in Empirestijl, wit en verguld met donkerrood bekleedsel.
Aan de zware tafel konden wel vijftien menschen zitten, het was alles
even monumentaal en degelijk tot zelfs de groote pendule en candelabres
op den witmarmeren schoorsteenmantel, alleen het kokette hondenmandje
met twee kleine vette poedels, was niet in overeenstemming met de reuzenmeubels.
De freules aten stil en afgemeten hun kleine stukjes gesneden boterhammen
en lepelden met verstand hun eitjes uit.
Josephine schonk de koffie; zij zat aan het eene uiteinde der tafel,
van waar zij door de ramen het uitzicht had op den grooten, mooien reeds
groenen tuin, of ten minste op het gewarrel van bladeren, bloeiende
seringen en gouden regens vóór de ramen
[165:]
want de vensters
waren zeer hoog en de breede, bijna geheel door allerlei soort van gordijnen
gemaskeerde ruiten lieten niets zien van het keurig onderhouden grasperk
met de regelmatige bedden vol voorjaarsbloemen.
"Juffrouw Josephine, zou u mij een tikje meer suiker willen geven?"
verzocht freule Aldegonde, haar kopje aan de huishoudster overgevend.
"Ik had u juist willen vragen mij wat minder te geven," sprak
freule Hildegonde, "mij dunkt Aldegonde, dat u veel te veel suiker
eet, dat is niet goed. Op uw leeftijd kan dat aanleiding geven tot suikerziekte."
"Hildegonde, nu overdrijft u weer!"
"Ik heb het gister nog in het Nieuws van den Dag gelezen dat suiker
zoo ongezond is, vooral - als men niet zoo heel jong meer is."
De kleine poedel stond op, schudde zich uit en ging toen tegen Josephine's
kleeren opstaan.
"Ach die snoes! Hij vraagt een stukje suiker," riep freule
Hildegonde in verrukking.
"Dan mag hij 't zeker ook niet hebben, de stumper."
"Hij zal er wel geen suikerziekte van krijgen," zeide Josephine
en stiet het dier van haar japon weg.
Zij had de misschien zeldzame eigenaardigheid geen honden te kunnen
uitstaan.
"Maar juffrouw Kleiberg, zoo'n toon tegen ons hartediefje."
"Hij zit ook eeuwig aan mijn rokken," bitste Josephine, die
toch al in deze atmosfeer hoe langer, hoe prikkelbaarder werd.
"Maar dat is geen reden dat lieve diertje zoo af te grauwen."
"Zeker is dat geen reden," erkende freule Aldegonde, "kom
maar hier lieveling, kom bij de vrouw, suikertjes hebben, slaapjes doen?"
En zij nam het vettige dier op haar schoot, kuste
[166:]
het op zijn rood
snoetje en overlaadde het met de liefste namen.
"Hier Dikkie," vleide freule Hildegonde, die intusschen een
heerlijk papje van melk, beschuit en eieren had klaar gemaakt en hiermede
het andere, logge beest uit zijn mandje trachtte te lokken, maar Dikkie
had geen lust, en liet de vrouw al door flikflooien en roepen; hij verroerde
zich niet en nu werd freule Hildegonde ongerust.
"Zou hij ziek worden, Aldegonde, hij kijkt zoo moe uit zijn oogjes?"
"Hij heeft te veel gegeten," sprak Josephine kortaf, "hij
moet een hongerkuur doen."
"Foei, wat is u wreed, juffrouw Kleiberg, ons liefje, ons troeteltje,
onze schattebout. . . een hongerkuur!"
Josephine met haar flinken, practischte aard werd er wee van; zij had
groote moeite zich hier te wennen. Het was een goed bezoldigde betrekking,
zij had een pracht van een kamer, weinig te doen, maar toch vreesde
zjj het niet te kunnen uithouden. Juist dat weinig werken was haar een
grief; zij kon haar gedachten maar niet afzetten van het eenvoudige,
kaal gemeubelde bovenhuisje van Utrecht, aan welks bewoners zij zoo
gehecht was geraakt, want zij hield innig van Idée, misschien
nog meer dan van haar vader en de gedachte haar verdriet te doen, was
de voornaamste reden geweest van haar heengaan.
Hier zou zij zich nooit thuisvoelen, zoo bekende zij zichzelf met een
diepen zucht en het was toch haar levensbestemming zich overal te moeten
wennen, zij die geen eigen huis had, geen familie, geen geld, geen diploma's.
Zij zuchtte even en vergeleek haar lot met dat van die vreemde, vertroetelde,
aangebeden, leelijke hondjes van de oude freules.
"Houdt u nu in het geheel niet van honden, juffrouw Kleiberg?"
vroeg freule Hildegonde.
[167:]
"Om u de waarheid
te zeggen, volstrekt niet freule, ik kan ze eigenlijk niet uitstaan."
"O foei! Hoe is 't mogelijk, men zegt wel, 't is geen goed mensch
die niet van honden houdt."
Josephine kon natuurlijk niet zeggen dat wat haar 't meest tegenstond
de honden aanbidding was, waaraan de freule zich schuldig maakten.
"Het is jammer dat u het niet vooruit gezegd heeft, juffrouw Kleiberg,"
hernam freule Hildegonde zeer hoog, "of liever dat wij ons niet
eerst op de hoogte gesteld hebben van uw antipathieën. Waar zulk
een groot verschil bestaat in de gevoelens van huisgenooten, daar is
geen volkomen harmonie te verwachten. Mijn zuster en ik verschillen
in menig opzicht, maar in onze liefde voor die snoezige diertjes, zijn
wij het gelukkig eens."
"Zeker, zeker!" en freule Alegonde overlaadde haar Fikkie
met de zoetste naampjes en de teerste kussen.
Josephine voelde dat deze woorden een soort van wenk bevatten om maar
heen te gaan.
Zij wilde het echter zoo niet opnemen en zeide, zichzelf een weinig
vergoelijkend:
"Ik houd niet van honden, maar ik zou ze toch geen kwaad kunnen
doen."
"Dat moest er nog bijkomen."
Er werd getikt en de meid kwam binnen met een visitekaartje. De dames
des huizes rekten de halzen uit; 't was iets bijzonders om dezen tijd
een bezoek door een kaartje aangekondigd, maar de meid gaf het aan Josephine,
die verwonderd las en haar oogen haast niet vertrouwde:
IDÉE SONERIUS,
Cand. O. L.
Zij gaf het aan
freule Hildegonde.
"Hé, dat kind uit uw vroegere betrekking. Candi
[168:]
daat, verbeeld je,
wat staat dat mal! Moet ze u spreken?"
"Dat schijnt zoo!"
"Wel wij kennen haar immers ook, mag ze niet hier komen, Hildegonde?
En haar vader zoo'n hoogst gedistingueerd man."
Freule Hildegonde brandde van verlangen naar een kleine afwisseling
in haar eentonig bestaan, maar nu Aldegonde het ook wenschte, vreesde
zij haar waardigheid te kort te doen door er in toe te stemmen.
"Als het tweede ontbijt geëindigd is kan juffrouw Kleiberg
het meisje te woord staan. 't Past niet het kind in onzen kring te ontvangen,
wanneer zij onze juffrouw komt bezoeken. Laat de jonge dame in de kleine
spreekkamer, Dina."
Zoo moest Idée dus wel een klein half uur wachten in een kamer
aan het einde van de gang, de kleine spreekkamer, die bijna zoo-groot
was als hun huiskamer in Utrecht.
Eindelijk kwam Josephine binnen, die ook in de grootste agitatie had
moeten afwachten tot de freules hun boterhammetjes opgegeten, hun eitjes
uitgelepeld, hun drie kopjes opgedronken en daarna Dikkie en Fikkie
genoeg gestreeld en geaaid hadden.
Nu was't haar plicht nog geweest de fijne porceleinen kopjes om te wasschen,
doch haar vingers beefden zoo, dat zij, hoe ongaarne ook, verlof vroeg
dit straks te doen, zij was er zeker van ze te breken - en eindelijk,
eindelijk kon zij gaan naar Idée, wier angstig wachten zij mee
voelde.
"Idée, wat 'n verrassing!" riep zij werkelijk blijde
uit - "Hoe lief van je. . . ."
Maar Idée stond voor haar met neergeslagen oogen en trillende
lippen.
"Juffrouw Josephine, ik kom u wat vragen."
"Mij vragen?"
"Ja, ik - ik kom u vragen of u terug wil keeren,
[169:]
of u voor goed
bij ons wil blijven als - als. . . .Papa's vrouw."
"Idée! Hoe kom je er aan mij dat te vragen? Wie heeft je
dat gezegd? Is dat uit je eigen?"
"Ja, natuurlijk. 't Is voor Vaders geluk."
"En 't uwe dan?"
"O wat komt dat er op aan? Dacht u dan dat ik gelukkig kon zijn
als Vader verdriet had en dat om mij? Want zonder mij zou u ja hebben
gezegd."
"Maar Idée, wil jij het ook?"
"Ja, ik wil 't ook."
"Om je vader alleen."
"Wat doet het er toe? Ik blijf thuis, als u en Vader het goed vinden,
afstudeeren en dan ga ik een betrekking zoeken. . . en ben ik niet meer
tot last."
"Tot last, o Idée, heb je dan nooit gevoeld hoe veel ik
altijd van je hield en daarom ook van je vader? En om je niet ongelukkig
te maken ben ik heengegaan."
"'t Hielp niet. Vader is niet gediend van mijn hulp. Hij mist u
ieder oogenblik van den dag, hij kan zich niet wennen zonder u en daarom
heb ik Ludo uw adres gevraagd en kom u vragen of u bij ons terug wil
komen - en Vader zoo gelukkig wil maken, als ik 't niet kan."
Groote tranen druppelden uit haar oogen en Josephine zag hoe zwaar 't
haar viel.
"'t Gaat je niet van harte; je vindt het treurig, 't valt je moeilijk
mij dit te vragen."
"Dat kan ik niet helpen! Ik kan niet jokken en niet veinzen, maar
toch het zal mij zoo gelukkig maken als u ja zegt en u terug komt. Ik
beloof u dat ik alles zal doen om het u prettig te doen zijn en gemakkelijk,
maar dan moet u geduld hebben, 't was zoo'n illusie van mij alleen voor
Vaders geluk te zorgen en natuurlijk is 't een teleurstelling nu ik
inzie dat het niet kan, maar ik wil er over heen komen."
[170:]
"En
dus cijfer jij je geheel weg?"
"Pa's geluk gaat boven alles. Och toe, juffrouw Josephine, zeg
toch ja! Ik kan nog weg met den trein om tegen 't eten thuis te zijn.
Wat zal het Vader een verrassing zijn of is u reeds te veel gehecht
aan de freules?"
Idée's wensch was te veel in overeenstemming met Josephine's
verlangen dan dat zij zonder onoprechtheid langer weigeren kon.
"Ik zal mijn best doen voor jou ook een - een goede vriendin te
zijn, want ik weet heel goed van moeder is geen sprake. Je moet mij
Josephine noemen, daar sta ik op."
"Dus u neemt 't aan, nu dag juffrouw Josephine, ik moet dadelijk
weg, anders mis ik den trein. Wat zal Papa gelukkig zijn! Nu ben ik
zeker dat ik hem verras, heel iets anders dan bij zijn terugkomst, toen
mijn arme bloemen en lekker menutje volstrekt geen succes hadden. Morgen
is Vader zeker bij u en kan u alles met hem regelen. Ik dank u weI!"
En hartelijker dan zij ooit gedaan had, kuste zij Josephine, die in
tranen was uitgebarsten.
"Ach, nu huilt u ook. Voor 't eerst heb ik Vader zien snikken,
dien avond toen hij thuis kwam en u niet vond. O 't was zoo schrikkelijk!
Ik ben nu zelf ook blij - dat is toch maar het ware anderen gelukkig
te maken. Dag lieve, beste juffrouw! aanstaande mevrouw Sonerius!"
En zij kuste haar nog even en tripte vlug de stoep af, Josephine in
allerlei tegenstrijdige gevoelens achterlatende.
Toen Idée thuis kwam, een beetje te laat voor het eten, vond
zij haar vader in de eenzame huiskamer treurig zitten.
"Waar ben je geweest? Om twaalf uur kwam je ook niet thuis. Liesje
heeft me gootwater als koffie voorgezet en nu weer zoo laat? Hoe komt
dat?"
[171:]
"Vadertjelief
moet niet meer knorren en niet meer bedroefd of boos kijken. Vadertje
wordt heel gelukkig, want u moet de groeten hebben van juffrouw Josephine
Kleiberg, die beloofd heeft uw vrouw te worden."
"Kind! Wat beteekent dat? Hoe weet je dat? Waar heb je haar gesproken?"
"In Delft. Ik ben uw jawoord gaan halen."
"Heb jij dat gedaan! Jij! O Idée, wat dank ik je, wat 'n
lieve, goeie dochter ben je."
En hij sloot haar in zijn armen en kuste haar herhaaldelijk in zijn
groote vreugde.
"Dus je vindt het goed?"
"O Vader! als 't u zoo gelukkig maakt."
"Kind! wat zullen wij nu een heerlijk leven hebben met ons drieën."
"Ja, zeker, u met haar, ik met mijn boeken."