[116:] XVI.
Daags vóór
Oudejaar kwam Ludo onverwacht over; hij bezocht de Van Wegels en vond
hen juist terug van de ijsclub. Allen hadden rozige gezichten en flikkerende
oogen en waren vol van de pret, die zij genoten en van plannen voor
morgen - zij wilden rijden naar Weesp en Abkoude en Haarlem - en bespraken
het druk of het ijs te vertrouwen was en wie zij zouden meenemen in
hun clubje.
Idée luisterde toe zonder er eigenlijk iets van te begrijpen;
zij stond er buiten en voelde er heel weinig vóór, daar
hoorde zij roepen:
"O daar is Ludo! Die moet voorrijden en wij er achter aan één
stok. Niemand kan het zoo goed als hij!"
En toen voelde Idée voor 't eerst de wensch in zich opkomen,
kon ik ook maar rijden!
Ludo had haar nog niet opgemerkt; zij zat wat achteraf en de anderen
praatten druk en luid door elkander - maar zij zag dat hij haar zocht
- toen kreeg hij haar in het oog en liep op haar toe.
"Wel, hoe gaat het je, amice? O je bent bijgekomen, fameus! Dat
zal ik Jo schrijven! Ver van je boeken en je colleges gedij je het beste."
Zij bloosde en lachte - hij vond haar er vreemd uitzien, heel anders
als thuis, misschien zat heur haar ook anders - of kwam het door het
lachen?
"En rijd je ook mee?"
"Neen, ik - ik doe 't niet!"
"Waarom, is 't je te kinderachtig?"
Zij vertrok haar gezicht als van inwendige pijn.
"O neen Ludo! Dat niet - je weet het wel maar ik kan 't niet -
ik kan 't niet leeren."
"En 't zou juist zoo goed voor je zijn. Je moet het leeren, je
moet! 't Is ook alweer een gebrek in je opvoeding, niet te kunnen schaatsenrijden."
[117:]
"Ik heb zoovele
gebreken in mijn opvoeding"! bekende zij ootmoedig.
"'t Wordt tijd die af te leeren. Ik zal je wel leeren schaatsenrijden."
"Ik zou je tijd in beslag nemen en je pret bederven."
"Dit is het voornaamste! Morgen gaan wij naar het krabbelbaantje
en dan zal ik het je leeren."
Idée streefde niet tegen; zij vond het heerlijk dat Ludo zoo
tegen haar sprak; met haar meegaand karakter voelde zij er behoefte
aan te worden gesteund en vooruit geduwd.
De anderen waren echter niets tevreden, Ludo was zoo'n flinke cavelier,
zij hadden zulke aardige plannetjes om met hem groote tochten te maken.
En nu moest hij dat wicht leeren rijden, niemand echter was ontevredener
dan zijn zuster en Mad, die door 't dolle heen was nu zij rijden kon.
"'t Is ongehoord, wat kan hem dat nu schelen of Idée mee
rijdt of niet? Zij heeft er geen plezier in. je moet iemand toch niet
dwingen tot zijn genot."
"Ludo is altijd in de contramine," pruttelde Baudine, "thuis
ook. Ma kan nooit iets goeds doen en wij ook niet. Hij wil altijd precies
het tegenovergestelde. Dit kind zat immers goed bij d'r boeken. Ik begrijp
Lau niet ze hier te halen."
"Och, wij hadden met haar te doen,'t is zoo'n stumper, Ma en Laura
hebben dat bedisseld."
"Ik vat niet wat jullie allemaal in haar vinden. Dat ze knap is,
nu ja! wat kan ons dat schelen? In de Kreeft vond ik het al zoo vervelend
dat Ludo en Lau haar in alles haalden, ze loopen haar na en hebben er
niets geen satisfactie van."
"Weet je wat ik denk?" vroeg Maddie en haar oogjes tintelden
van ondeugd.
"Nu wat dan?"
"Dat zij verliefd op Ludo is en daarom wil zij nu wel van hem leeren.
Je weet toch hoe hij dat huis
[118:]
houden van hen geredderd
heeft, hoe hij daar keukenmeid heeft gespeeld en werkmeid er bij."
"Och Mad! je zeurt!"
"Heusch het is zoo! Wist je het niet?"
"Wel nee! Hij vertelt ons nooit wat."
"O 't is zoo leuk!"
En met veel overdrijving vertelde Maddie haar de Utrechtsche gebeurtenissen.
Baudine luisterde aandachtig.
"Nu wat zal Ma daarvan opbooren. t'Huis zit bij altijd te schelden
op ons geestdoodend huishouding doen en handwerkjes maken en daar speelt
hij de . . ."
"Schoonmaker. Nu, ik ben benieuwd wat dat schaatsen leeren bij
haar zal uithalen."
"Om hem zal zij haar best doen."
Maar helaas! viel den volgenden dag de dooi in en van de lessen kwam
niets tot Idée's grootste vreugde, want zij was er zoo angstig
voor en schaamde zich dat Ludo haar zijn tijd, dien hij veel beter gebruiken
kon, opofferde. Zij had den geheelen nacht er over gedroomd en 't deed
haar prettig aan toen zij 's morgens den regen tegen de ramen hoorde
kletteren, maar voor de meisjes was het een groote teleurstelling.
Daags na Nieuwjaar was er een cendrillon bij de zuster van mevrouw Van
Wegel, die op de Heerengracht woonde en ook eenige dochters had.
"Laat mij niet meegaan," bad Idée, "ik zie er
zo tegen op."
"Kind," bemoederde Laura, "wij zijn bezig je opvoeding
te voltooien. Je moet alles zien en ondervinden en mensch worden, niets
menschelijks mag je vreemd blijven. Hoe heet het ook: Homo Sum .. ."
"Et humani nihil a me alienum puto". [Ik ben mensch, niets
wat menschelijks is acht ik mij vreemd]
"Juist! Gister heb je de Gijsbrecht gezien."
"O ja heerlijk, die verzen van Vondel."
[119:]
"En Kloris
en Roosje! toen heb je hartelijk gelachen, een bewijs dat je goed wordt
en niets te hoog of te min voor je geleerdheid vindt."
"Heb ik dat ooit gedaan?"
"O neen, niet met je wil, maar onwillekeurig, je kunt het niet
helpen, arm schaap!"
"Ik heb geen toilet!"
"Dan koop en wij nog een mooie blouse. Je portemonnaie is toch
goed gespekt?"
"Wat dat betreft. . ."
"Dat is al zoo leuk er voor te zorgen."
"Komt Baudine ook en - en Ludo?"
"Bau zeker, maar Ludo niet; hij moet vossen."
"Och, laat mij maar thuis blijven. Ik zou toch den 4en vertrekken,
dan ga ik den 2en heen. Ik kan niet dansen en niet. . . ."
"Flirten! Neen, dat staat niet in je opvoedingsboekje, maar dat
doet er niet toe. Je moet toekijken hoe anderen dat aanleggen, dan krijg
je er ook plezier in en gaat het leeren."
"Och, dat gaat toch niet!"
Zij voelde zich hoe langer hoe vreemder tusschen al die vroolijke, kakelende
meisjes, zij begreep niet hoe zij zoo om niets konden lachen, ernstig
redeneeren over een mooie blouse en een hondje van een hoed en snoezige
bottinetjes.
Zij vond het leeg en hol, zij kon er geen belang in stellen, evenmin
als in het zware geredeneer van Cor van Putten over allerlei philantropische
onderwerpen, terwijl haar moeder er afgetobd en zwak uitzag.
Haar prettige wandelingen met Laura waren gedaan; zelf trok zij zich
terug om haar bij Baudine te laten en ging alleen de musea bezoeken,
waar zij nog het meest genoot.
Alles verwarde haar, zij verlangde naar huis, naar haar stille studeerkamer
en naar haar boeken.
[120:]
Ludo was weer naar
Utrecht vertrokken; zij wilde dat zij er ook terug was.
Zij liet zich dien avond door de zoo hartelijke Laura gewillig kappen
en kleeden, zij had er in toegestemd haar een champagnekleurige blouse
te laten koopen, en toen de anderen meisjes kwamen kijken konden zij
een uitroep van bewondering niet in houden.
Zij zag er dan ook allerliefst uit, het haar in bandeaux gekapt en wat
laag afhangend met een paar gouden spelden versierd, het matte kleurtje
even rozig doorademd en mooi afstekend tegen de zachte, teere kleur
der soepele zijde. Niets om den hals dan het fijne kant langs de vierkante
bescheiden uitsnijding.
Haar kleine handen en dunne polsen kwamen allerliefst uit de rijk gegarneerde
dofmouwen.
"Wat zeg je van mijn werk?" vroeg Laura trotsch.
"Je hebt er alle eer van."
"En verbeeld je nu, dat zij nog niet eens in de spiegel heeft gekeken."
"Och, waarvoor! Als jullie 't zoo goed vindt."
Laura geleidde haar voor den psyché.
"Zie nu eens!"
"Hé!" riep zij in oprechte bewondering, "zie ik
er nu werkelijk zoo uit?"
Allen lachten hartelijk en Maddie plaagde:
"Neen je ziet er veel beter uit in je dikke wollen japon met gladgestreken
haar. Schande, een student in zulk een wereldsche kleedij."
Laura kreeg van ieder complimenten over haar beschermeling, behalve
van Baudine, die hoe langer hoe jaloerscher werd. Zijzelf zag er niets
gezellig uit, in een veel te overladen grijze japon, en toen Laura op
haar vraag: "Hoe vind je mij?", antwoordde:
"Erg suffisant, men denkt zoo, kan er niets meer bij?"
"Dus eindelijk ben ik opgedirkt. Nu ja, ik ben ook maar een boerin.
Niet ieder kan zoo'n smaak hebben als jij."
[121:]
"Maar Bau,
word toch niet boos! Je vraagt mijn oordeel en nu ik 't zeg, neem je
het mij kwalijk."
"Ik neem het niet kwalijk, maar als je anderen zoo goed raad kunt
geven, waarom dan niet mij? Ik ben niets meer voor jou, nu je die andere
hebt."
Zij slikte een paar tranen weg.
"Wees toch zoo kinderachtig niet. Houd je fatsoen," vermaande
Laura. "Ik ben in 't geheel niet veranderd, maar ik heb zoo met
dat kind te doen."
"Waarom, me dunkt zij verdient geen medelijden. Als er niemand
meer te beklagen is dan zij, zou het een goeie boel zijn op de wereld.
Maar denk je dat het prettig is te moeten aanzien dat mijn beste vriendin.
. . ."
"Nu laten wij dat morgen uitkibbelen. 't Is hier de plaats niet
en de tijd."
Baudine, die eenige jongelui kende, danste veel; Idée werd wel
gevraagd, maar zij bedankte. Met droomerige oogen keek zij naar al dat
dansen en springen; 't interesseerde haar niet erg.
"'t Zal toch wel prettig zijn dat ze allen er zoo vroolijk uitzien,
maar je moet van jongs af er in zijn, ik vind er niets aan, me dunkt,
het is eigenlijk gekkenwerk."
Haar oogen vielen soms toe van de slaap, de warmte in de zaal, de muziek,
het lamplicht maakten haar dommelig; zij moest worstelen om wakker te
blijven.
"Idée!"
Juist had ze de oogen gesloten in een zalig gevoel van even toegeven,
even maar!
Zij schrikte op, keek verward rond en lachte toen zij Ludo ontwaarde;
al haar slaap was weg, haar oogen schitterden en 't blosje van haar
wangen gloeide nu.
"Ben je toch gekomen?"
"Och ja! Bau schreef mij zoo'n dringenden brief,
[122:]
ze hadden dansers
noodig en ik ben zoo zwak, Idée. Nu jij niet in Utrecht bent
om mij aan de studie te herinneren, loop ik er telkens af."
"O foei!"
"Maar wat zie je er aardig uit. Ik had moeite je te kennen."
"Anders dan toen je mij de kachel hielp aanmaken?"
't Schalksche licht in haar oogen en in haar lach maakte haar veel jonger
en meisjesachtiger en voor 't eerst merkte Ludo dat die lach een ondeugend
kuiltje in de wangen groef.
"Dat moet je nogal vragen. Hoe jammer dat je niet danst. Had ik
je dat maar geleerd in plaats van die mislukte schaatsen geschiedenis."
"O neen, dat zou ik nog minder durven!"
"Kom wat wandelen!"
Zij liepen samen; Idée keek van haar kant ook welgevallig haar
cavalier aan. Zijn avondtoilet kleedde Ludo goed. Hij en Laura vond
zij toch maar de aardigsten en gezelligsten van allen, die zij ontmoet
had; als die twee haar vriendelijk toelachten of aanspraken, dan voelde
zij zich niets vreemd meer en waar zij ook was, scheen zij dadelijk
thuis. Die hielden van haar, die kon zij vertrouwen.
Zij praatte heel gezellig met Ludo over zijn studiën en over de
hare, over de proffen en de colleges, en over haar vader, dien hij bezocht
had en die maar mopperde omdat Idée zooveel tijd verloor.
Toen Idée na haar eerste bal zich uitkleedde, moest zij zich
bekennen dat zij toch wel een prettigen avond had gehad.