[100:] XIV.
Josephine Kleiberg
zou nu toch bij de Soneriussen als huishoudster komen.
Met tegenzin had de vader er in toegestemd maar hij zag eindelijk in
dat het zoo niet voort kon gaan en dat er verandering komen moest.
Op raad van Ludo en van mevrouw van Wegel trad Josephine dadelijk flink
op met haar hervormingsplannen; zij moest een meisje hebben om haar
te helpen en bracht een jong handig ding van zestien jaar, dat zij als
fatsoenlijk en eerlijk kende, uit Wilgenhage mede. Ook besloot zij de
kamers gezelliger te maken en verzocht den heer Sonerius haar vrij te
laten om het noodige aan te schaffen.
Nog geen veertien dagen na haar komst was het een ander huis geworden;
gezelligheid en warmte kwamen je te gemoet. Josephine wist van aanpakken
en spoedig heerschte er zeker comfort. 't Duurde lang vóór
dat de beer Sonerius bekennen wilde dat hij zich in deze omgeving beter
thuis voelde dan in de vorige. Altijd verklaarde bij maar dat het leven
veel gemakkelijker is als men het eenvoudig maakt en dat de ware vrijheid
bestaat in geen behoeften te hebben, maar toen hij in zijn huis een
warm nestje vond, met alle hulpmiddelen om het leven zelfs in den winter
te veraangenamen, begon hij het te waardeeren en al bekende hij 't niet,
toch vroeg hij zichzelf in stilte dikwijls af hoe hij zich toch vroeger
in zoo'n Jan Steens huishouden had kunnen schikken. Zelfs onder Baboe's
regeering liet het veel te wenschen over en toen was het nog zomer geweest.
Wonderlijk, dat hij nu niet meer de voordeelen der natuurlevenswijze
zoo hoog roemde, maar zeer gewoon van den degelijken hollandschen winterkost
door Josephine besteld of klaar gemaakt, genoot.
Idée voelde ook dat het heel iets anders was te
[101:]
studeeren in een
prettig ingericht, warm vertrek dan met een leege maag, rillend van
de koude tegenover haar boeken te zitten.
Zij studeerde nu flink en 't ging haar beter af dan in de laatste maanden.
Somtijds kwam Ludo, die nu ook volgens hem hard werkte, wat praten en
hoewel de heer Sonerius 't een tijdverlies vond, wist Josephine hem
te beduiden dat de boog niet te lang mocht strak blijven en dat Idée
in kracht en opgewektheid won, wat zij misschien aan tijd verloor.
De gesprekken om de theetafel, waaraan Josephine met een handwerkje
zat, werden hem spoedig zelfs aangenaam en hij zou ze niet gaarne willen
missen.
"Ze worden menschen," zei Ludo tot Josephine," "je
hebt eer van je werk!"
"De stumpers! Ik had zoo met hen te doen, zij verkwamen in hun
geleerdheid."
"Nou pas maar op! Maak je maar niet te onmisbaar."
"Wat bedoel je?"
"Niets, niets!"
En hij ging lachend heen.
De tijd voor het examen naderde met rassche schreden; 't was merkwaardig,
hoe thans de heer Sonerius onder Josephine's invloed van practische
vrouw begon in te zien, hoe Idée een rustige aangename omgeving
noodig had voor haar studie niet alleen maar door versterkende middelen
moest worden opgehouden.
"Ik heb 't nooit zoo begrepen, juffrouw Kleiberg! en ik ben er
u dankbaar voor. Ziet u, bij ons in Indië denk je daar niet aan.
Doe me plezier en laat Idée goed melk drinken en eieren eten."
"Ja mijnheer! Dat is nu alles goed en wel, maar na 't examen, onverschillig
of het mooi of leelijk uitvalt moet het kind wat ontspanning hebben;
[102:]
zij mag niet dadelijk
weer aan de studie beginnen."
"Zou u denken?"
"In geen geval; zij is vreeselijk overspannen. Na 't examen komt
de reactie. Niets zal beter voor haar zijn dan in een heel andere omgeving
een poosje door te brengen."
"Maar waar!"
"Mevrouw van Wegel heeft haar geinviteerd in Amsterdam te komen,
niets beter dan zoo'n uitje voor haar. Ze ziet wat van de wereld en
rust uit."
"Neen neen! Dat zou haar te veel verstrooien. Idée is geen
gewoon meisje, daarvoor heb ik haar niet opgevoed. Met haar groote geestvermogens
heeft zij een heel ander levensdoel en ook een andere toekomst."
Josephine had moeite een lachje te verbergen.
"Zeker, zeker! Ik ontken 't niet, maar men kan ook te veel van
iemands vermogens vragen."
"Zij wordt daar te wereldsch, te oppervlakkig."
"O daar ben ik niet bang voor. Een beetje meer wereldschheid, zooals
u dat noemt, zal Idée in haar studie ten goedë komen."
Zoo kwam de tijd voor het examen. Idée zag er ellendig uit, doodsbleek
met zwarte kringen om de oogen, en in die oogen zelf een uitdrukking
van een afgejaagd hert.
"Kind, kind!" vroeg Josephine bezorgd, "is dat examen
nu toch zooveel waard?"
"Wat waard bedoelt u?"
"Wel je gezondheid, je zielerust, je tijd, je jeugd, dat alles
besteed je er aan en waarom?"
"Ja, dat vraag ik mij tegenwoordig ook telkens af en dat maakt
het juist zoo erg. Vroeger dacht ik "'t moet", maar nu vraag
ik telkens, waarom moét het eigenlijk?"
"Ik zie het practische nut er niet van in, maar ik ben een heel
dom mensch."
[103:]
"Neen juffrouw
Josephine, dat is u niet. U kan zooveel doen, wat ik niet kan en ook
nooit zal kunnen. Tot nu toe was het mij altijd genoeg te weten dat
vader het verlangde en dan dacht ik: Vader weet het wel.
"En nu!"
Idée begon het gezicht te vertrekken van het huilen en toen kwam
het van de bevende lipjes:
"Nu, weet ik niet of. . . of vader wel gelijk heeft of hij zich
niet vergist --,- en ik vind het zoo verschrikkelijk dat ik 't denk,
zoo verschrikkelijk dat ik maar spoedig die gedachte wegjaag - wij moeten
er maar niet meer over spreken, juffrouw Josephine."
"Dus studeer je niet omdat je het prettig vindt? Interesseert je
dan dat alles niet?"
"Heel veel wel - maar niet alles en dan ben ik zoo bang te stralen."
"Kom, kom, wind je niet op! Dat is 't slechtste wat je doen kunt.
En steek vooral de laatste dagen je neus niet teveel in de boeken. Ga
liever wat rusten."
"Ik kan toch niet rusten."
Het examen liep goed af maar toch voelde Idée dat zij geen schitterend
figuur had gemaakt. Ook haar vader was maar half tevreden.
"Ik had stellig een cum voor je verwacht," zeide de heer Sonerius.
Toen sprongen de tranen haar in de oogen.
"Och vadertje, zonder die geschiedenis met Baboe was 't zeker beter
geweest; en als wij juffrouw Kleiberg niet hadden gekregen, zou alles
mis zijn gegaan, vrees ik."
"Ja, dat vrees ik ook; verbeeld je toch eens! Neen - 't is een
heel verstandige streek van mij geweest dat ik dien knoop heb doorgehakt
en een andere regeling in onze huishouding heb gebracht."
Idée voelde zich onaangenaam aangedaan; meende Vader dat werkelijk
en had hij zoo'n slecht geheugen
[104:]
om niet meer te
weten dat Ludo en Laura dit buiten hem om en tegen zijn wil hadden geschikt
of was hij niet zoo'n man met vaste beginselen en helder doorzicht als
zij altijd had gedacht? 't Zou haar minder hebben teleurgesteld als
hij eenvoudig bekende:
"Ik heb 't toegestaan uit liefde en medelijden voor jou, maar 't
was een offer dat ik aan mijn beginselen bracht."
Dat hij nu alles vergeten scheen en den schijn aannam of hij er altijd
mede ingenomen geweest was, en het zelf zoo had geregeld, viel haar
tegen.
Thuis vonden zij alles in feestdos; Josephine had zich bij den kruidenier
laten telephoneeren of Idée er door was en versierde trap en
kamer met bloemen.
Ludo kwam met een prachtig bouquet aanloop en en ook andere studenten
brachten bewijzen van belangstelling.
Idée zag er gelukkig uit zooals zij daar stond tusschen de bloemen
en de felicitaties in ontvangst nam.
Zij had een kleur van opwinding en plezier, zoodat men het zwakke en
afgetobde in haar smal gezichtje niet meer zoo opmerkte. Door Josephine's
zorgen was zij ook heel lief gekleed in eene goed zittende blouse en
heur haar was met zorg opgemaakt.
"Ik kan 't mij niet voorstellen dat het afgeloopen en goed afgeloopen
is," zeide zij telkens.
"O ja," verklaarde de vader, "'t is heel best maar er
had toch een Cum bij moeten zijn."
"Och, och!" riep Ludo, "wat zal mijn vader blij wezen
als zijn zoon er heel langs 't kantje komt."
"Nu ja, maar daarvoor ben je een jongen!" lachte Josephine,
"kom laat ons maar gauw aan tafel gaan. Ludo eet toch zeker mee,
niet waar mijnheer?"
"'t Zal mij een eer zijn!"
Ludo had aan de van Wegels getelegrafeerd en tegen acht uur verschenen
Laura en Maddie met groote bouquetten.
[105:]
"O wat aardig,
wat lief van jullie!" riep Idée opgetogen, "hoe wisten
jullie dat zoo gauw?"
"Wel, Utrecht ligt naast de deur! Hartelijk geluk hoor! en u ook
mijnheer! Wat heeft u toch een knappe dochter!"
"Ja, maar zij had het nog beter kunnen doen."
"Och Pa, ik heb zoo mijn best gedaan."
"Zeker, zeker! Ik verwijt je niets maar toch 't is een eer voor
je dat ik je zulke eischen stel, zoo hoog als aan niemand. Ik weet wat
je kent en wat je kunt."
"Nu," flapte Maddie er uit, "me dunkt dat het al mooi
genoeg is. Laat een jongen het haar nadoen en nu Lau, zeg je boodschap."
"Ja mijnheer Sonerius en Idée, u moet de groeten hebben
van Ma en of zij nu bij ons een gedeelte van de vacantie of de heele
vacantie mag doorbrengen om wat op te knappen."
"Maar Idée hoeft niet op te knappen. Zij is heel flink en
zoo gezond als je het maar wenschen kan, niet waar kind!"
"Zoo gezond als een konijntje om mee door de tralies te eten, -
maar daar moet je ook meisje voor zijn om zoo achter mekaar te studeeren,
hé Ludo!"
Vader Sonerius vond Maddie een ondeugend, wijsneuzig nest; in zijn hart
verwenschte hij al de "Kreeften" zoo als hij de kennissen
uit Wilgenhage noemde op de Mookerheide en betreurde het zelfs ooit
een verandering in zijn levenswijze te hebben gemaakt - ofschoon het
hem leelijk zou zijn tegengevallen, als hij het comfort door Josephine
rondom hem gebracht weer had moeten missen.
"Idée moet beslissen," zeide hij eindelijk met de geheime
hoop dat zij zou weigeren.
"Mag ik 't nog in bedenking houden," vroeg Idée weifelend.
"Ja, onder voorwaarde dat het bedenksel goed uitvalt, hoor!"
[106:]
Josephine gaf den
jongelui een knipoogje. Zij zou er wel voor zorgen, beteekende het.
De avond ging tamelijk vroolijk om. Josephine schonk warme punch en
dat maakte zelfs den heer Sonerius zoo vroolijk op zijn manier, dat
hij allerlei grappige stukjes uit Indië begon te vertellen maar
hij kon ze niet ten einde brengen, zoo waren de jongelui vooral Maddie
aan 't giegelen. Alleen Josephine luIsterde met ongeveinsde belangstelling
zoodat zij eindelijk samen alleen in de huiskamer zaten en de anderen
in de studeerkamer. Ludo had natuurlijk 't hoogste woord en Maddie niet
minder. Idée lachte stil maar hartelijk en Laura fluisterde haar
toe:
"Je komt toch logeeren, hè!"
"Als Vader het niet te naar vindt."
"Hij heeft nu toch goed gezelschap; kom, toe! Doe het maar. We
zouden het zoo leuk vinden."
"Die vader is een idioot!" was 't eerste wat Maddie uitriep
toen zij en Laura met Ludo, die hen naar den trein zou brengen op straat
waren. "Als ik zoo'n Pa had, zette ik hem op pensioen."
"Foei Mad, wat 'n praatjes," vermaande Laura.
"Idée is vrij wat beter dan jij, maar ik wou dat ze kwam."
"Laat het Jos maar over. Ik wed dat ze het klaar speelt,"
verzekerde Lau.