XIII.
Baboe was begraven
en 't scheen of het huis nu nog stiller, nog verlaten er was dan anders.
Idée zat als altijd in de voorkamer aan het bureau, haar vader
in de achterkamer met de deur tusschen hen dicht.
't Leven was bij hen nu zoo eenvoudig mogelijk ingericht; zij dronken
niets dan koude melk en aten brood met boter en kaas en vruchten uit
den treure; de kachel aanmaken probeerden zij maar niet meer hoewel
't vinnig koud was. Zij had handschoenen en wintermantel, de vader zijn
dikke winterjas aan.
"Vind je niet dat het zoo best kan, en dat wij geen juffrouw noodig
hebben, geen vreemde dwarskijkster?"
"Ja vader!"
"Heb je het koud?"
"Och! neen - 't ligt zeker aan mij, dat ik inwendig zoo ril."
"Je moet maar straks flink loop en als je naar het college gaat.
Ik ben van plan naar de Bilt te wandelen. Dat houdt het bloed in beweging.
Je zult zien hoe gezond het is die natuurlevenswijze, niets eten dan
brood, melk en vruchten."
"Ja vader!"
[93:]
Haar oogen staken,
haar hoofd duizelde, zij voelde zich onbeschrijfelijk mat. Zij had niets
geen verdriet meer scheen het over Baboe, zij verlangde haar niet terug
en 't was ook of zij nooit meer in iets plezier kon krijgen.
't Liefst lag zij maar te slapen, en terwijl haar vader dacht dat zij
verdiept was in haar studiën, zat zij met de handen voor de oogen
te suffen en in te dornrnelen.
Er werd gebeld.
De heer Sonerius rnoest natuurlijk open doen. Hij trok aan het touwen
zag een dametje voor de geopende deur staan.
"Mijnheer, is ldée thuis?"
"Ik heb de eer niet u te kennen. Mag ik weten. . !"
't Vlugge ding liep de trap reeds op en zei met een vroolijk stemmetje:
"Kent u mij niet meer, Laura van Wegel."
"O . . . zoo. . ."
"Weet u niet meer uit de Kreeft. Ik hoorde dat Idée zoo
verdrietig was omdat zij haar oude meid had verloren en toen heb ik
maar een retourtje genomen naar Utrecht om haar wat te komen opfleuren."
"U is heel vriendelijk maar u begrijpt dat Idée veel heeft
gemist door de drukte van de laatste dagen en het nu moet inhalen. Zij
heeft van middag college en is bezig zich te prepareeren."
"Mag ik haar dan niet even spreken. . .?"
.De deur van Idée's kamer was reeds geopend en 't meisje kwam
op de gang.
"O Laura," riep zij uit de volheid van haar hart, "hoe
snoezig van je, dat is nu eerst echt lief!"
't Deed haar goed een meisje van haar leeftijd te spreken; 't wekte
haar uit haar dofheid op en gaf haar wat meer belangstelling in 't leven.
De heer Sonerius keek heel zuinig en bromde wat maar hij was toch te
veel een gentleman om een
[94:]
jonge dame, die
zijn huis bezocht onbeleefd te behandelen. Hij ging dus weer naar de
achterkamer terwijl Idée, Laura in haar studeervertrek meenam
en een stoel opruimde om haar te laten zitten.
"Maar kind!" riep Laura, "wat zie je er uit! Je lijkt
wel een geest, je bent niet bleek maar groen, en heb je geen vuur aan?"
Idée klappertandde en trok den wintermantel dichter om haar magere
leden.
"Neen, Pa zegt 't is ongezond. Wij volgen de natuurlevenswijze
moet je weten."
"En hoort daarbij honger en kou lijden?"
"Geen gekookt eten mogen wij hebben."
"En geen vleesch?"
"Ja soms als hij te wee is en ik ook, koopt Vader een paar ons
rookvleesch. 't Moet zoo gezond zijn die natuurlevenswijze."
"Men zou het niet aan je zeggen. Je ziet er allervreeselijkst uit
en je vader ook."
"Vind je?"
"Ja zeker - maar enfin! Dat moet jelui weten. Wat zielig van dat
ouwe mensch, hè?"
"Hoe heb je het geweten?"
"Door Ludo! Hij kwam gister bij ons afscheid nemen want hij wil
hier studeeren en toen vertelde hij 't van jullie - hoe hij je gevonden
had en hoe hij je toen hielp."
"Heeft hij je dat verteld?"
En Idée kreeg een kleur.
"Ja, 't is wel een aardige jongen en goedhartig ook jammer dat
hij zoo lichtzinnig is en te weinig studeert want hij is knap genoeg."
"O ja," antwoordde Idée lusteloos.
"Maar dat ik je zoo zou vinden, had ik niet gedacht. Toen je de
Kreeft verliet, zag je er zoo flink uit en toen had je de natuurlevenswijze
toch niet gevolgd."
"Toen was het ook zoo lekker warm en zoo heerlijk
[95:]
buiten en ik heb
de laatste dagen zoo veel gehuild dat maakt een mensch ook lam."
"Arm diertje!" En Laura kuste haar hartelijk.
't Contrast tusschen die twee was groot. Idée zoo vermoeid, bleek
en koud in haar dikken, onbevalligen wintermantel, 't haar in een kondé
(wrong) achter opgestoken en glad naar achter gekamd. Laura daarentegen
in een keurig wintercostuum van engelsche stof, met vergulde knoopen
op het jaquet, een grooten winterhoed op met mooi schotsch lint en een
witte boa van zwanendons vlug slingerend om haar hals, zoo geheel in
de puntjes van haar mooie gele schoenen tot aan haar grijze handschoenen.
"Wat lijk ik daar een vaatdoek naast. Ik zie er zoo onoogelijk,
ja vies uit in vergelijking van haar. Wat moet Ludo het toch een verschil
vinden tusschen tusschen haar en mij", dacht Idée.
En misschien voor 't eerst in haar leven kwam de wensch in haar op er
ook zoo net en elegant uit te zien als Laura - Toen in Wilgenhage na
't feest had zij 't ook met oprechte nederigheid zich zelve bekend dat
die anderen er zoo heel anders uitzagen maar tot jalouzie was 't niet
gekomen - nu begon zij zich af te vragen: Waarom zij wel en ik niet?
Ik ben toch ook jong en ik heb mooi haar en een goed figuur en Papa
heeft toch geld genoeg om nette kleeren voor mij te koopen, waarom moet
ik er altijd uitzien als een vogelverschrikster?
"Br, wat is 't hier koud. Heb jelui dus geen kachel aan?"
"Neen."
"Hoort dat ook tot de natuurlevenswijze?"
"We hebben niemand om ze aan te maken!"
"Dus heb je geen meid en wie doet 't huiswerk?'
"We doen geen huiswerk!"
"Laat jullie dan den boel, de boel?"
"Och ja!"
[96:]
"En 't vuile
water?"
"We hebben geen vuil water, wij wasschen ons bij de waterkraan
en den gootsteen."
"Maar 't is toch iets onmogelijks zoo'n leven. Zoo doen alleen
arme lui."
Een flauw rood tintte even Idée's wangen toen zij een beetje
afbijtend antwoordde:
"Och, Vader en ik zijn er mee tevreden. Wij vinden dat beter dan
zoo'n dievegge in huis als Dien."
Laura begreep dat geen fatsoenlijke meid in zoo'n huishouden zou willen
dienen; zij zweeg, - verder doorgaan op dit punt zou indringende onbeleefdheid
schijnen - en bracht het gesprek op haar studiëen maar ook hiervoor
toonde Ideé weinig geestdrift.
Zij leek in- en uitwendig zoo koud dat niets haar scheen te kunnen verwarmen.
"Ik ben zoo blij," ging Laura voort, "ik zal het jou
maar zeggen, jij vertelt het toch niet over. . ."
"Neen, ik ken immers niemand."
"Daarom! Ma heeft het van Pa er doorgekregen dat ik van den winter
ga studeeren voor mijn staatsexamen dan ga ik voor de Letteren. Dol,
gewoon dol! Dan word ik ook studente!"
"Vindt je dat prettig?"
"O ja, heerlijk! Maar er is een maartje bij. Onze Mien is veel
sterker thuis gekomen en kan in 't huishouden bezig zijn en 't zal nog
wel een jaar duren vóór Dorette gaat trouwen, dus kan
men mij missen, want Maddie mag ook niet studeeren en valt later in."
"Heeft ze er geen lust in? Ik zou juist zeggen dat zij er beter
voor deugt dan jij."
"Hé waarom?"
"Och ik weet het niet; Jij kleedt je graag mooi en jij bent zóó
netjes. Maddie is meer een robbedoes."
"Daar zou je je toch in vergissen. Maddie houdt veel van koken
en handwerkjes maken en leeren ook
[97:]
wel, maar alleen
waar ze plezier in heeft. Aan examens heeft zij een broertje dood."
"Geen wonder!"
"En weet je wat Ma nu gezegd heeft? Wij stemmen er in toe dat je
hoogere studiën doet, maar je moet vóór alles meisje
blijven en vrouw worden. Daarom moet ik om de week de huishouding doen
en in de keuken leeren koken bij Dorette, die op de huishoudschool is
geweest en bij onze oude Ka die verrukkelijk kookt; of 't een jaar langer
duurt vóór je examen dat komt er niet op aan."
"Wat krijg je dan veel te doen!"
"Dat is de eenige voorwaarde."
Laura zei er niet bij dat Ma haar nog gezegd had, hoe zij er op vertrouwde
dat zij altijd netjes en elegant gekleed zou gaan en niet haar toilet
mocht veronachtzamen uit gemakzucht of aanstellerij. Dit kon een soort
van verwijt aan ldée schijnen.
"Ik hoop dat je veel succes zult hebben."
Zij had slechts een half oor geleend aan Laura's gezellige praatjes,
want steeds duidelijker hoorde zij hoe haar vader in de andere kamer
onrustig werd, op en neer ging, stoelen verzette, aan de deur morrelde
en zij begreep dat hij zich ergerde over die stoornis in haar studiën.
Eindelijk kon zij 't niet langer uithouden en sprak:
"Je moet mij niet kwalijk nemen, ik moet naar 't college en dien
mij klaar te maken."
"Heel best hoor! Dan ga ik een eindje met je mee."
Idée stak haar vulpen bij zich, nam haar dictaten cahier en zette
haar hoed op; daar zij haar wintermantel aan had, was zij in eens klaar.
"Dag vader, ik ga maar heen."
"Is 't niet wat vroeg?
"Beter te vroeg dan te laat."
"Ben je heel geprepareerd?"
"O ja wel. Laura brengt mij weg."
[98:]
"Juffrouw
van Wegel, ik dank u voor uw bezoek, mijn respect aan uw ouders."
"Dank u wel mijnheer!"
Beide meisjes gingen de straat op.
"We kunnen nog een straatje omloopen, je hebt nog meer dan een
half uur tijd."
"Ja, hard loopen dan word ik warm, - en toen als bedacht zij iets
- Laura zeg me oprecht, zie ik er erg gek uit en schaam jij je met mij
te loopen?"
"Maar kind, hoe verzin je het? Je ziet er studentikoos uit maar
niet burgerlijk, men ziet dadelijk dat je een dame bent."
"Ik heb zoo'n moeite gehad er door te krijgen lange rokken te dragen
en mijn haar op te steken. Gelukkig heb ik dat kinderachtige niet meer."
Laura keek haar tersluiks aan; ieder onderdeel van haar kleeding was
afschuwelijk, van haar verfomfaaiden hoed tot haar ruigen, vuilgrijzen
wintermantel, haar grove schoenen en dikke, wollen handschoenen.
Zij rilde bij de gedachte in zulke kleeren te moeten rondloopen maar
moest toch bekennen dat Idée de onoogelijke plunje nog met zekere
gratie droeg.
"Je moet er meer door zien te krijgen," raadde Laura heel
wijs. "Geloof me, ik spreek niet uit bemoeizucht, maar alleen omdat
ik zoo met je te doen heb. Je kunt zoo niet voortleven, en je vader,
die zoo jong niet meer is, ook niet. Ludo had er mij wat van verteld,
maar toch zoo erg had ik me niet voorgesteld dat jullie je behielpen
uit vrijen wil."
"Heeft Ludo dat verteld en lachte hij er over?"
"Neen, integendeel; 't viel ons op dat Ludo, die anders om alles
lacht, het zoo serieus - ten minste voor zijn doen - opnam; zou je het
naar vinden als Josephine bij je het huishouden kwam waarnemen?"
"Ik weet het niet - als vader het goed vindt."
"Maar jezelf dan! Heb je geen wil?"
[99:]
"Ik vind het
heel best als vader het verlangt."
"Idée, wat ben je veranderd sedert je in de Kreeft waart.
Toen kon je soms zoo gezellig en aardig zijn, men vergat dan heelemaal
je geleerdheid en nu doe je zoo precies of je zeggen wilt - Och, wat
kunnen die kleinigheden mij schelen."
"Dat is zoo niet! Je moest eens weten hoe onverschillig mij alles
laat; mijn studie 't meest. Ik denk te veel aan Baboe, ik voel me zoo
alleen. . ."
"Zal ik zeggen, wat je mankeert. Je hebt honger, je bent koud,
je voelt je armoedig."
"Neen, - och neen!"
"Daar is een fijne banketwinkel. Laat ons daar wat taartjes eten
en een kop thee drinken."
Zij gingen er heen en de warme drank en de lekkere appelbollen knapten
't meisje zichtbaar op; zij bedankte Laura met meer warmte dan zij nog
getoond had.
"Wat is 't gezellig zoo samen uit te gaan en wat te praten,"
zeide zij, "ik vind 't erg lief en hartelijk van je Lau, dat je
mij bent komen opzoeken."
"Doe me dan plezier en haal je vader er toe over dat hij hulp neemt,
hij gaat er onder door en jij ook. Ludo deed er zoo'n moeite voor, hij
stelt zoo'n belang in je beiden."
Idée keek een anderen kant uit, zij voelde zich een kleur krijgen.
"Ja, ik zal er met vader over spreken en zeggen dat ik zoo niet
studeeren kan, want als ik zei dat het voor hem goed was, zou hij er
niet van willen weten. Die beste vader denkt alleen aan mij."
Laura antwoordde maar niet. Ludo en haar huisgenooten dachten over dien
besten vader heel anders dan zijn dochter.