II.
En nu ging het gebeuren.
Hij kwam terug, - hij wás al terug in het land, en zij wachtte
hem.
[47:]
Zij wachtte hem,
trillend van nerveuse spanning, vol van wanhopig, ongeduldig verlangen...
maar zoo gelukkig, zoo diep, zoo zalig, zoo volkomen gelukkig.
Want hij was veel beter geworden. De zeereis had hem verkwikt, gesterkt,
onnoemelijk veel goed gedaan.
En zoodra hij in Marseille was aangekomen, had hij haar een telegram
gezonden:
Lonkie, ik ben zóóveel beter geworden, ik voel me uitmuntend. Ik ben weer flink en sterk. Je man.
En dit telegram,
na weken van aanhoudende vrees, van vertwijfelende onrust, had haar
doen uitbreken in hartstochtelijk schreien. Méér nog dan
het heerlijk bericht, had het haar ontroerd, dat hij haar Lonkie noemde,
den naam, dien hij voor haar verzon, dien niemand anders gebruikte,
dien niemand kende. Nu zou het weer goed worden, zoo goed als van ouds
tusschen hen. Hij zou genezen, en altijd bleven zij nu voortaan samen,
altijd, altijd, door niets, en nooit meer, te scheiden.
O, de dagen, nadat zij de noodlottige tijding ontving... Zij huiverde
van ontzetting, als zij even daaraan herinnerd, werd. Zij was krankzinnig
geweest van angst en smart, zij had niet geweten, hoe te handelen, zij
was machteloos, om iets te bedenken, iets te doen. Toen was Hans gekomen,
haar broer, en had haar bijgestaan in de moeilijke dagen, en haar geholpen,
totdat zij langzamerhand rustiger was geworden, en had kunnen doen,
wat moest worden gedaan
.
Hans had haar bemoedigd en getroost, en haar
[48:]
niet alleen gelaten.
Hij had haar ook wel hard toegesproken, als hij zag, dat zachtheid niet
gaf, en haar onder het oog gebracht, dat zij zich moest beheerschen,
en dat het zelfzucht was, zoo ziekelijk toe te geven aan haar verdriet.
Allengs hadden zijn woorden invloed op haar gehad, zij was zich gaan
bedwingen, en had gewacht, niet meer in zinnelooze vrees, maar in gedweeër
berusting.
En de dagen waren voorbij-gegaan... één voor één...
Uur na uur sloop weg, en werd verleden... en het in heftig-willend verlangen
verbeid moment was nu toch gekomen Het huis was vol bloemen. Al de kamers
verwachtten hem. Alles had zij ingericht, alsof hij maar voor korten
tijd weg was geweest. En zij voelde het ook zoo: alsof zij pas voor
korten tijd hadden afscheid genomen... en nu weer bij elkander kwamen
in hetzelfde huis, waarin zij altijd hadden gewoond.
Zij kon het zich niet voorstellen, als zij uit het raam keek, dat hij
dit straatgezicht nooit had gezien... zij kon niet begrijpen, dat hij
zich nooit door deze kamers bewogen, dat hij zich nooit aan deze tafel
neergezet had... zij dacht immers steeds zoo aan hem, dat de atmosfeer
overal vol van hem was...
Hij kwam... en hij werd beter.... Dat het nu toch de waarheid was, dat
zij hem zou mogen houden in de omvlijïng harer armen, dat zij haar
wang tegen de zijne zou kunuen leggen... dat zij zijn zoen zou ontvangen...
Zij kon de armen uitslaan in een spontaan gebaar, en blijven staan,
het hoofd achterover geheld, de oogen wijd geopend, de lippen lachend
van een blijden, ontroerden lach... Het jubelde, het zong in haar, zij
voelde zich uitgelaten
[49:]
en jong, zij schertste
en neuriede den ganschen dag, en speelde en stoeide met den jongen,
totdat hun vroolijke stem, hun helle lach het heele huis doorklonk.
En als zij alleen was, in den stillen nacht, dan dacht zij aan hem,
en hoe hun leven nu weer zonnig zou worden, stralend van liefde. En
hoe alles nog mooier, nóg volmaakter zou zijn, dan vroeger óoit
... omdat zij elkander twee jaren, twee lange jaren hadden ontbeerd
O,
hij kwam terug... en hij werd beter... En mét hem kwam het geluk,
het lichte, het mooie, het goede, dat zij zoolang had gemist. Nu voelde
zij eerst, hoe arm en eenzaam zij zonder hem was geweest, nu, nu het
zoo prachtig veranderen ging
Toen zij het telegram had ontvangen, en hem over een paar dagen thuis-verwachten
kon, was zij rusteloos en nerveus geworden, zoo opgewonden van vreugde,
dat zij zichzelf niet herkende. Het was weer Hans geweest, die haar
bedaarder, verstandiger maakte. Zij moest kalm zijn, den loop der dingen
niet willen dwingen; zîj had de laatste weken te veel doorstaan,
om niet heel rustig te moeten zijn, wilde er geen reactie komen. Zij
had geluisterd, glimlachend-ongeloovig eerst, later gewilliger, want
ze begreep toch wel, dat hij gelijk had. Zij moest op haar best bij
Jacques' thuiskomst zijn, frisch en jong, zoodat het hem vreugde gaf,
haar weer te zien, en die vreugde door niets werd gestoord
Zij had hem tegemoet willen reizen, maar Hans, die, zij begreep het
nu wel, bang was geweest, voor een te groote emotie voor haar, wanneer
Jacques aankwam, door en door ziek en ellendig, ried
[50:]
het haar af, verbood het haar haast. Hij zou Jacques afhalen, en hem veilig en goed bij haar brengen, daar kon zij gerust op zijn. En zij had toegestemd, het wis ook beter, voor alles, voor haar, voor het kind, en niet het minst voor hèm, omdat hij nu rustiger met Hans zou kunnen reizen, en zij hem in het huis bedaard en blijde kon ontvangen. Zij had het óok goed gevonden, dat zij een nacht zouden overblijven in Marseille, Parijs en Brussel, opdat hij niet te vermoeid aankomen zou. En zelfs deze dagen, nu het verlangen bijna onhoudbaar van spanning werd, waren voorbij gegaan, en niets had haar bijna te hevige blijdschap verstoord. Want telkens had zij telegrammen en brieven en briefkaarten gekregen, en zij voelde het zoo duidelijk, dat het moment van weder-zien nader-kwam, met heerlijke zekerheid. Zelfs de brief van Hans had haar niet uit haar gelukkige stemming kunnen brengen, de brief, waarin hij schreef, dat Jacques zoo veranderd was. Want daaraan ging toch vooraf, dat Jacques zooveel beter was, zoo eindeloos veel beter geworden door de reis.
't Is niet
te zeggen, hoe Jacques me meeviel.
Ik dacht een zieke te vinden, maar daar komt hij aanstappen, flink en
joviaal als vroeger, en slaat me op mijn schouder: Jij ben Hans! Wat
ben 'k verdomd blij je te zien!... Neen maar, Ik wist gewoon niet, wat
me gebeurde. Hij zegt, dat hij zich uitstekend voelt, en dat is dan
ook wel zoo, want hij loopt en praat en doet, alsof hij niets mankeerde.
Ik heb hem met alle geweld tegen moeten houden, om ineens door te reizen,
want dat raadde de dokter toch óok af. Hij heeft een ergen stoot
gehad,
[51:]
ofschoon, er is
volkomen zekerheid op algeheel herstel.
Maar éen ding wou 'k je zeggen, hij is uiterlijk sterk veranderd.
Hij is vreeselijk mager geworden, en zijn haar is een beetje grijs.
Daarop moet je voorbereid zijn, en ik zeg 't je expres, opdat je niet
te veel schrikken zal. Maar dat is natuurlijk niets, en in Hollend komt
hij gauw genoeg weer bij. Dat hij zich goed voelt, dat is 't voornaamste
Ja, dat was 't voornaamste, 't eenige. Zij zou hem zóo verzorgen
en verplegen, zóo alles voor hem doen, hem zóo met goedheid
en liefde omringen, dat hij weer spoedig de oude werd. Zij begreep het
wel, dat een zoo ernstig ziek-zijn het gestel aanpakte, en in het uiterlijk
voorkomen óok merkbaar moest wezen. Natuurlijk was hij veranderd.
Maar, o, als zij hem maar eerst bij zich had, als hij maar eerst weer
de koesterende warmte van haar liefde voelde, dan zou dit ook wel weer
in orde komen.
Want hij voelde zich immers goed? O, goddank, hij voelde zich immers
goed
Want het was haar, of zij ondankbaar en verkeerd er aan deed, om hierover
te klagen. Er was zooveel, zóoveel, waardoor zij gelukkig werd
En het oogenblik kwam... het oogenblik kwam.. het was bijna tijd...
en alles was te zijner ontvangst gereed... Overal geurden de frissche
bloemen
het kind holde opgewonden door de kamers heen en weer...
en zij wachtte... zij wachtte
Het rijtuig kon nu dadelijk komen. Zij mocht hem niet van den trein
halen, had hij gewild. Het eerste weerzien moest zijn in hun eigen huis
Haar handen waren koud, zij kneep de duimen
[52:]
in de palmen, om
de spanning te kunnen verdragen.
Zij trilde van ontroering, en glimlachte nerveus, onbewust, al den tijd.
Zij keek uit het raam, en dwaalde er dan weer van weg, te onrustig,
om langer dan een oogenblik in dezelfde houding te blijven..
- Maatje! O, nou komt Paatje
héél
gauw!
- Ja, kind! zei ze blij, met glanzende oogen.. Ja!
- O! 'n rijtuig! daar is 't! daar is 't!
Het kind holde naar de deur, en wierp die rumoerig open.. Zij hoorde
het geluid van een rijtuig, dat stil hield, en wijd spanden haar oogen
zich open, een oogenblik kon zij geen adem halen, zij hijgde
Toen keek zij, kéek met al de gretigheid van haar duldeloos verlangen...
Het portier werd opengeworpen
iemand steeg uit... een magere,
geelbleeke man, wiens vreemde, donkere oogen zoekend opgingen naar het
raam... God was dat Jacques...haar man - Ach zuchtte zij. Werktuigelijk
ging zij naar de deur, maar bleef leunen tegen den post, zonder veerkracht,
zonder moed met gesloten oogen, en slap langs de zijden neerhangende
armen.
Zij hoorde hem komen... toen eensklaps voelde zij zich omvat
.
en zoende hij haar, in trillenden hartstocht, waarin zij zich machteloos
liet... en noemde hij met gesmoorde stem haar naam, aldoor haar naam
En eindelijk, overwonnen door zijn herhaalde vraag:
- Zie me toch 's aan... zie me aan zie me aan
lichtte zij even
de oogleden op, maar, stikkende in haar snikken, sloeg zij ze dadelijk
weer neer.
Want daar zag zij weer dat vreemde gezicht, en nu
[53:]
zoo dicht bij haar,
dat het haar verbijsterde. Dit was de man niet, die in haar verbeelding
geleefd had... maar een andere... een, dien zij nooit had gekend
Jacques moest haar los laten, zoo beefde en schreide zij. Zij zonk neer
op een stoel, krampachtig wrong zij den zakdoek tegen de oogen, terwijl
lange, sidderende snikken haar heele lichaam doorschokten. En telkens,
als hij iets bedarends zei, barstte zij heviger uit, in een acces van
smartelijken angst.
Hij stond er bij, teleurgesteld, wanhopig, op haar neerziende met oogen,
waarin de wilde blijdschap dadelijk tot bedroefde verbazing getemperd
was.
Waarom huilde zij zoo?... Was het de schok van het terug-zien... of
had hij iets gedaan .. iets gezegd
Toen kwam Hans, en zei, met zijn geruststellende stem:
- Laat d'r maar even... 't is de reactie... ik ben er wel bang voor
geweest .. ze was veel te opgewonden in de laatste dagen... Dit moest
er wel op volgen.
En die woorden kalmeerden haar óók
. zij gaven haar
een houvast: ja, zóo wilde zij, dat Jacques het begreep, - het
was de reactie, de breking harer zenuwen, nadat deze te strak en te
lang gespannen waren geweest
Zij moest zich beheerschen
.
want nooit, o, god, nooit, mocht Jacques iets van dat vreemde, ontzettende
vermoeden
Zij keek op, en glimlachte; ofschoon haar tanden zich nerveus beten
in haar lip, toch glimlachte zij tegen hem. En greep zijn hand, zijn
arme, vermagerde hand, en drukte die tegen haar mond. En
[54:]
toen hij zich boog,
en haar kuste, in krachtigen, te lang bedwongen hartstocht, liet zij
het toe, als was het een handeling, die niet doordrong tot haar gevoel.
Zij was nu weer geheel kalm, en keek naar hem, die eindelijk notitie
nam van het kind, het tusschen zijn knieën liet staan, en met blije
verbazing zijn flinkheid en vroolijkheid bezag. En Bobbie, even beduusd
door het tooneel van zijn schreiende moeder, was nu weer de wilde, brutale
rakker, en trachtte tegen zijn vader op te klauteren, van wiens goedheid
en gulheid hij zooveel had gehoord, en dien hij zich ook nog wel als
iets vroolijks en vriendelijks herinnerde, zoodat hij hem, zonder de
geringste bevangenheid, vragen deed, die afleiding gaven aan de gespannen
gedachten van zijn vader en moeder.
Zij keek; en zij wist, dat zij nu niet meer schreien zou van desillusie
en vrees, maar een koud gevoel was in haar, terwijl zij naar hem zag.
Wat was er toch veranderd in hem... en zij dacht: alles. De uitdrukking
van zijn gezicht.., het geluid van zijn lach... de klank zijner stem
Waren zijn oogen altijd zoo hard-glanzend donker geweest?... of kwam
het, door de tegenstelling met de vaal-gele kleur van zijn gezicht?
Wat was hij mager... en zoo gebogen... met ingevallen schouders .. en
smalle borst
en de vreemde toon van zijn stem... en zijn grijzende
haar... en zijn dun-doorschijnende handen.... Waren zijn gebaren altijd
zoo bruusk
.omhelsde hij haai altijd zoo wild en ruw... en zoende
hij haar vroeger ook met zoo heftige kracht
Waar was Jacques toch,
waar was de persoonlijkheid, die zij liefhad, die zij had aangebeden?..
Zij voelde nu niets voor hem dan een diep, ingrijpend
[55:]
medelijden... en
angst... angst voor zijn vreemde wezen
Hoe vreeselijk had zijn ziekte hem veranderd... en misschien het afzijn
ook... Zij wist het niet.., en zij kon er niet over peinzen.. Opeens
zette hij den jongen weer van zich af, en kwam naar haar toe.
- Waarom kijk je nou zoo treurig, hè? Ben je dan niet blij? ben
je nou niet blij? Hè?...zeg?
- O, ja... ja... ik ben blij
- Waarom kijk je dan zoo bedroefd?
Zij drukte haar gezicht tegen zijn borst, opdat hij het niet zou zien.
- Omdat
Ach, je ben toch nog ziek
Hij lachte.
- Ziek? nee! ik ben beter! Geen tobben meer over mij God! lach tegen
me. .. zoen me... zeg, dat je blij ben... dat je van me houdt
Lonkie, zeg, dat je van... me... houdt -- Hij trok haar op, en tegen
zich aan, haar ademloos aanziende, met dringenden, domineerenden blik.
En zij gaf zich over, gedwee, terwijl een tintelende kou haar door de
leden trok, en zij zijn stem hoorde, wier klank haar met pijnlijken
nadruk door de hersenen ging, en die vroeg, die smeekte, om uitingen
van haar liefde... totdat zij met wanhopige kracht zich aan hem vast-klemde,
en hem kuste, en met hijgende lippen zijn naam noemde... en hem dan
weer kuste... in radelooze hoop, dat hij toch tevreden mocht zijn...
En hij was tevreden... zijn oogen straalden zóo van hevige, innerlijke
vreugd, dat haar mededoogen haar moedeloosheid overwon... zij zag hem
aan, voor de eerste maal met teedere oogen
[56:]
zij nam zich heftig
voor, zichzelf te bedwingen.. en met geweld wrong zij haar zware stemming
om, tot een van opgewektheid en scherts
Zij nam luchtig zijn arm,
en zei:
- Kom, willen we nu 't huis 's bekijken? Kom, Hans!
En toen Jacques haar wenkte, dat zij Hans maar beneden moest laten,
riep zij vroolijk:
- Nee, Hans heeft me zoo geholpen alles mooi te maken, hij moet mee!
En zij trokken door het geheele huis, en Jacques was zóo werkelijk
gelukkig, en Hans deed zóo opgewekt, en Bobbie schreeuwde in
zóo schallende luidruchtigheid zijn blijdschap uit, dat zij een
tijd-lang niet voelde, hoe haar vroolijkheid geveinsd was, en dat haar
zenuwen haar hielpen voor te wenden, dat zij ook gelukkig wás,
hoewel haar de ware vreugde ontbrak.
Maar opeens werd haar rust weer verstoord door een gezegde van Hans:
dat hij zich haasten moest voor den trein.
- Nee! nee! riep zij gejaagd. Je blijft eten! Ik heb op je gerekend!
Nietwaar, Jacques? hij moet blijven! en toen Jacques niet dadelijk antwoordde,
voegde zij er snel aan toe: O, hij is zóoveel voor me geweest...
ik weet niet, hoe 'k zonder hem deze maanden zou zijn doorgekomen! Hij
moet bij onze eerste maaltijd zijn, doe je 't, doe je 't, Hans?
Hans schikte zich lachend. En aan het diner waren allen zoo levendig
en druk, dat haar stemming tot uitgelatenheid steeg. Haar wangen gloeiden,
zij lachte het luidst en het langst van allen, en zij schertste zoo
spontaan, dat de vroolijkheid telkens
[57:]
uitbarstte in opgewonden
uitroepen, en het schateren van den kleinen jongen. Zij voelde zichzelve
niet, zij deed en sprak als onder de bevangenheid van een droom... maar
soms schokte zij een secondenkort moment van hartbonzenden angst in
elkaar, als zij Jacques' hel-glanzende oogen ontmoette. Maar dadelijk
weer was zij in den gang der opgewekte luidruchtigheid terug-gevoerd,
en lachte dan nog aanhoudender en helderder dan een oogenblik te voren.
Het dessert duurde lang, met Jacques' grappige verhalen en toasten,
en zij verzon telkens weer iets anders en nieuws, om het langer te laten
duren. Als het diner was afgeloopen, zou er een stilte, een leegte om
haar heen komen, waarvoor zij bang was in een niet te onderdrukkken
vrees. Maar eindelijk vond Jacques het noodig er een eind aan te maken;
hij verlangde naar kalmte en rust.
- Bob moet naar bed, verklaarde hij.
Maar het kind, dat zich dol vermaakte, klemde zich vast aan zijn vader's
arm, en protesteerde heftig, maar Jacques schoof hem lachend van zich
af.
- Naar boven, bengel! of 'k draag je vierkant de trappen op.
Bob gierde van pret: of hij dat astublieft doen wou! maar Jacques hield
zijn vrouw, die het kind naar boven wilde brengen, vast bij den arm.
- Nee! zei hij, glimlachend-jaloersch. Jij blijft nou hier, hoor! Bij
mij! De meid kan 'm wel naar bed brengen voor éen keer.
Zij gehoorzaamde zwijgend. De angst, de zware, drukkende angst was weer
op haar gevallen, en maakte haar stil en schuw. Gejaagd vroeg zij Jacques
en Hans naar boven in de suite te gaan, terwijl zij
[58:]
toezicht hield op
het opruimen der tafel. Maar Jacques wilde haar mee hebben, en zij ging
mee, in gedweeë lijdelijkheid.
In de suite was het rustig en koel. In de voorkamer brandde het licht
- stond het theeblad gereed, en lagen de couranten op tafel.
- 't Is nog geen tijd voor me, zeg, zei Hans verontschuldigend. M'n
trein gaat nu pas om tien uur
Ja, 't is mijn schuld niet! Maar
kom hier! zei hij, nam Jacques en zijn zuster beiden bij een arm, en
duwde hen in de donkere achterkamer. Ik zal me wel amuseeren hoor, met
'n courant en thee.... Praat jullie nu maar even rustig samen, dat hebben
jullie de heele dag nog niet kunnen doen... als 'k weg ga, roep ik jullie
wel. "
En hij schoof de suite-deuren achter hen dicht.
Daar stond zij sidderend in Jacques' omarming.
Zijn wilde, gretige zoenen benamen haar den adem, zij voelde zich onder
zijn passie verdooven. Een drang tot radeloos schreien rees in haar
op, zij was zwak in pijnlijke weerloosheid, en opeens zóo vermoeid,
dat zij zachtjes vroeg:
- Laten we gaan zitten... kom... en zij voerde hem bij de hand naar
de canapé, waarop hij neerviel en haar trok op zijn knieën.
Door de reten zag zij een licht-streep schemeren... daar, in de andere
kamer was Hans toch nog... en zij voelde het als een verlichting, een
veiligheid, hem daar te weten. En allengs bedaarde zij
Jacques
was zoo gelukkig, zoo heerlijk-volkomen gelukkig, dat de ontroering
haar angst vermilderde tot teeder medelijden. In het donker zag zij
zijn vreemde oogen niet, en niet zijn veranderden mond... het fluisteren
[59:]
dempte den harden
toon van zijn stem... zoodat zij zich soms verbeeldde het oude, lieve
geluid weer te hooren... en de greep zijner magere, klamme handen was
zachter en weeker, in de eigen emotie, die hem beven deed van diep-verrukkende
vreugde.
Hij sprak dicht aan haar oor, en vertelde haar,hoe hij naar haar had
gehunkerd en gesmacht, al dien tijd
En dringend vroeg hij haar
telkens en telkens weer: of zij ook naar hem had verlangd?...
- Ja.... ja
- Zeg me dan hoe... zeg 't dan... zeg 't
- Je weet t... Je weet t´
Ja, hij wist het... hij had het
aldoor in haar brieven gelezen... haar brieven, o, haar brieven... die
hadden hem zoo gelukkig gemaakt.. maar ook soms zoo opgewonden tot gek-wordens
toe... o, als zij wist.... Hoe hij niet slapen kon, in de lange, ellendige
nachten van brandend verlangen... als hij de armen vast-klemde op zijn
borst, om de wanhopige leegte daarin niet te voelen... en in zijn kussen
beet, om zijn krampachtigen, wilden hartstocht te smoren
o, als
zij wist
Had zij óok zulke nachten gekend... waarin je ziek
bent, radeloos van verlangen... waarin je je niet bedwingen kán
en je toch móet bedwingen
Maar nu... eindelijk, o, eindelijk
toch... was alles weer goed... hij had haar nu in zijn armen.. hij kon
haar zeggen, dat zij zijn alles was .. hij mocht haar zijn liefde toonen
Was zij nu óok gelukkig... zoo gelukkig als hij?..
- Ja
ja
Jacques
- Zoen me dan... zeg me dan... ik heb je lief... O, god, god, ik heb
jou zoo lief..
[60:]
Zij kon niet meer
denken; afgemat sloot zij de oogen, en lag stil aan zijn borst, en luisterde
naar zijn hartstochtelijke woorden, zwijgend, gelaten. Haar vrees was
niet voelbaar meer, loom en dof stroomde het bloed door haar aderen,
traag werkten haar hersenen, en begrepen niet meer, wat hij zei
Vaag
gingen de klanken over haar heen... een warme slaperigheid beving haar..
zij voelde zich rustig en goed
Maar eensklaps stoorde een plotseling geluid haar vreedzame kalmte.
Hans tikte op de deur, en waarschuwde, dat het zijn tijd worden ging.
En trillend over al haar leden van onbeheerschten angst, sprong zij
op, schoof de deuren open, en stortte zich snikkend in haar broeders
armen.
Zij kon geen woord uitbrengen, maar drukte zich tegen hem aan, als om
bescherming te zoeken, en schreide zoo heftig, dat Hans verschrikt,
bezorgd, haar aanvatte bii de armen, en haar van zich af-hield, om haar
aan te zien.
- Wat is dat nu? Madelon!
Jacques ontstelde. Hoe kwam zij nu zoo opeens, terwijl zij zooeven nog
zoo rustig bij elkander zaten, en praatten?... En Hans, zijn gespannen
blik ziende, en den pijnlijk-verwonderden trek om zijn mond, trachtte
zijn zuster wat te bedaren; hij meende het wel te begrijpen, waarom
zij zoo huilde; het was uit onrust om Jacques, om diens slecht en ziekelijk
uitzicht, wat zij aldoor had onderdrukt, om hem niet te grieven, maar
dat zich toch, natuurlijk, weer baan brak, en vooral op het oogenblik,
dat hij heen moest gaan, en haar dus niet meer kon troosten En hij zei,
geruststellend, bemoedigend:
[61] - Maak je maar niet ongerust, hoor. Jacques ziet d'r nog wel 'n
beetje verdaan uit, maar dat trekt gauw genoeg weer bij. Is 't niet,
Jacques? vroeg hij, zich tot zijn zwager wendende, wiens gezicht opklaarde,
toen hij:
- Och! natuurlijk! zei. En haastig trok hij zijn vrouw naar zich toe,
om haar nogmaals en nogmaals de verzekering te geven, dat hij zich best
voelde, op zijn woord van eer.
En Hans sprak haar nog eens moed in, op zijn hartelijke wijze, en fluisterde
haar toe:
- Houd je 'n beetje goed, hè... voor hèm
't is anders
zoo naar voor hèm... en je hoeft niet ongerust te zijn, heusch
niet, waarachtig niet.
En zij glimlachte, vaag-blij, dat er dezen uitleg aan haar tranen gegeven
werd, en schreide niet meer; zij berustte. Zij werd overwonnen door
de omstandigheden, zij kon daar niet tegen op
zij berustte
En toen Jacques, nadat Hans heen was gegaan
zij verwachtte het
wel... snel op haar toe-trad, en haar omving, en zijn wang legde tegen
haar gezicht en fluisterde met gedempte stem, dat zij nu toch bij elkaar
waren voor goed.. en eindelijk
. eindelijk alleen
onderwierp
zij zich aan zijn wil, weerloos-gelaten...
- Ga je nu mee naar boven?..
- Ja, knikte, zij, sprakeloos.
- Kom dan, kom... O, jou... Even keek hij haar aan, en zij huiverde
van sidderenden angst.
Maar zij sloot haar oogen, opdat hij de uitdrukking daarin niet zou
zien
Hij liep, met een gemakkelijkheid vap beweging, alsof hij zich hier
al geheel thuis voelde, naar de [62] gang, om de voordeur te sluiten,
en het gas uit te doen.
En zij, in dit éene oogenblik van nog zichzelve zijn, kneep de
handen tot vaste vuisten samen, en smeekte zich toe, in hartstochtelijken
drang: o, laat hij 't toch nooit merken... dat 'k me zoo vreemd tegen
'm voel... laat hij 't toch nooit merken
dat 'k
bang voor
'm ben... O, laat hij 't toch nooit merken..