[3:] I.
Voor haar oogen nog schitterend het schelle lichtgeflikker van de Parijsche boulevards, in haar ooren nog ratelend het wielen van de tallooze rijtuigjes en omnibussen, leek den Haag haar, in dit late avond-aankomen, als een stil, uitgestorven dorp; eenzaam en schemerig-halfduister de straten die zij dóórreed bij 't Hollandsche Spoor; dan de quasi-levendigheid van provinciestadje in de Wagenstraat; en bij 't afslaan om den hoek van de Veenestraat, door het Kettingstraatje, haar het koffers-bepakt rijtuig dof-wegrollend over het zwijgende, doodsche Buitenhof, langs
[4:]
den Kneuterdijk,
de Parkstraat in. . .
Terwijl het kind, in slaap gevallen, tegen haar aandommelde, keek zij,
moe-somber, naar de grauwende, zwijgende huizen, de Kloosterkerk, 't
Bureel van 't Vaderland. . .
"Alles netzoo als toen ze 't verlaten had, bijna geen veranderingen.
. . . . . . ."
"Een nieuwe winkel hier en daar, die er niet was geweest toen ze
heenging, en nieuw die telefoonpalen, en nieuw de kiosken óók.
. . . . ."
"Den Haag, . . . .dat wou méédoen, - méédoen
met de gróóte steden!!"
Ze glimlachte erom, werktuiglijk. -
"God, hoe je gedachten vlogen en warrelden! Hoe gek toch, dat je
zoo inééns denken kan aan iets, dat je immers niets, niets
kan schelen! . . ."
"Die kiosken! - Wat had zij daarmee
[5:]
van noode! Zij,
die hier terugkwam, zoo anders, zoo anders dan ze gegaan was, zes jaar
geleden! . . . . Toen, een echt-van-niets-wetend meisje, héélemaal
vervuld van één groot gevoelen, dat haar beheerschte:
meisjesliefde. . . . . . . . Nu, een weduwe, die had geleden. Een jonge
vrouw, die wist. . ."
. . . . . Onwillekeurig drukte ze 't slapende ventje vaster tegen zich
aan, zoodat hij dommelig opkeek: "Zijn we er moes. . . .?"
"Neen, vent, maar zoo dadelijk toch!. . . .
Ga maar vast rechtzitten."
En, terwijl ze zijn matrozen-duffeltje rechttrok, hem zijn blauw mutsje
opzette, 'n kranig, zoo-even in Parijs aangemeten winterpakje, terwijl
ze met haar nog onbehandschoende vingers gladstreek zijn door 't slapen
verward kroeshaar, gonsde een triomfgevoel heen dóór haar
intense smart:
[6:]
"'k Heb jou
toch, jou, kleine vent! Geen uur van mijn verleden zou ik ongedaan willen
hebben, terwille van jou! . . . . ." - - -
. . . . Ze had niet gewild dat haar zuster en zwager haar van den trein
haalden! . . . .
Ze zag toch reeds zoo vrééselijk op tegen het wéérzien,
tegen de woorden, die ze zou moeten hooren, woorden van: "We hebben
't je wèl voorspeld; we wisten wel, dat het zóó
af zou loopen!!"
En dat te moeten dóórmaken dadelijk aan het station, het
te moeten dóórlijden dáár, onder al die
vreemde menschen, 't koud-wreede gelegenheidsgezicht van haar zwager,
en de lief-conventioneele teederheid harer zuster, . . . dat had ze
niet gewild. . . !!
Ze had hun geschreven, van uit Marseille, "dat ze direct dóórging
naar Parijs, dat ze dáár een dag of wat bleef om
[7:]
haar wintertoilet
in orde te brengen vóór ze naar den Haag kwam. En dat
ze heel graag hun gastvrijheid de éérste dagen wou aannemen
voor zich en Hellmund!
Dan, later, zou ze wel verder zien! . . . . Maar ze moesten haar niet
afhalen, liever niet. . . . . . !!
Haar zuster had toen nog teruggeschreven, dat ze 't natuurlijk zelve
moest weten, maar dat je wel merken kon, hoe ze nog altijd iets excentrieks
behouden had! Wie reisde nu bij voorkeur alléén, als je
zoo'n prettig gezelschap kon krijgen, als Meneer en Mevrouw van Dale;
die haar immers zóó graag gechaperonneerd hadden, die
haar nog wel dadelijk in Parijs waren gaan opzoeken, zoodra ze hoorden
van haar aankomst! Toch erg-lief, als je maar voor een veertien dagen
in Parijs bent voor je ple
[8:]
zier, om dan nog
den tijd te vinden een oude kennis, die zielig-alleen uit Indië
aankomt, op te zoeken en van dienst te zijn, en haar aan te bieden voor
alles verder te zorgen! . . . . . Enfin, de oude eigenzinnigheid zat
er nog wel in, dat ze dat alles geweigerd had, en liever, een paar dagen
later, heel-alleen achteraan kwam. . . . . !"
Ze had dien brief van haar zuster schouderophalend verscheurd! Die begreep
nooit iets; begreep niet wáárom het gezelschap, juist
van die goeie, gelukkige van Dale's, haar zoo hinderde, háár,
de eenzame, de weduwe!
Die begreep niet, dat ze 't niet kon aanzien, wanneer Em van Dale zoo
vertrouwelijk tegen haar man aanleunde, met een stommen blik, die stil
zei haar kalm levensgeluk. . . . . . . .!
Die begreep niet dat zij daarom ontvlucht
[9:]
was aan het gezelschap
van die twee, die haar onophoudelijk herinnerden haar verloren-geluk.
"O God, dat zij zóó moest terugkomen, zóó!.
. . ." In de Surinamestraat zocht de koetsier 't huisnommer. Zij
ook keek mee! Ah dáár was 't. Daar stond de groote koperen
plaat:
"A. W. graaf van der Heijden!! . . ."
"Wat een mooi huis! Je kon zien, dat ze geërfd hadden in den
tijd van haar wegzijn! Zooals zij hen gekend had, in die ouderwetsche
boel aan den Nieuwen Uitleg, woonden ze heel wat nederiger. . . ."
". . . . Liesbeth. . . . arme. . . . arme. . . . lieve Liesbeth.
. . . Wat een weerzien!"
Haar zuster omarmde haar theatraal, zei theatraal die comediewoorden
van gemaakte aandoening. . . . . !
[10:]
Ze voelde, hoe
er een spottend zenuwachtig trekje trok om haar lippen! Ze zag tegelijk,
achter in de breede vestibule, haar zwager, correct, kaalhoofdig, gedistingueerd,
een Leeuwtje vroolijk-deftig schitterend in zijn zwart en witte plakaatachtigheid
van jas en overhemd. . . Zij stak haar hand naar hem uit, vormelijk.
"En dat is dus je zoontje! . . . . O Liesbeth, jij met zoo'n grooten
jongen, wáár blijft de tijd!!!" - galmde haar zuster.
. . .
"Hellmund, geef oom en tante een hand," zei ze koel. - Maar
in haar oogen straalde een moeder-fierheid van: "Wat zeggen jullie
wel van 'm! - Is hij niet mooi! . . . ."
Ze gingen naar de eetkamer. Fanny, haar zuster, ratelde al maar dóór;
van dat ze maar had laten dekken voor 't sou
[11:]
per! Liesbeth zou
zeker nog wel iets gebruiken willen!! . . . .
En terwijl zij gingen zitten herkende ze 't oud-blauw van thuis, dat
Fanny, na mama's dood, uit den inboedel had overgenomen. 't Hing overal
aan de muren, en stond op den breeden mantel van den ouderwetschen schouw,
waarin de houtblokken lekker-warm knapten, en al de aandacht in beslag
namen van Hellmund, die nooit nog haard-vuur had gezien!. . .
Ze bemerkte óók, met de helderziendheid voor kleinigheden,
die je hebt in héél zenuwachtige oogenblikken, hoe ze
at met het haar welbekende familiezilver van de van der Heijdens, dat
nu natuurlijk in 't bezit was van haar zwager-zelf, nu de oude Kamerheer,
zijn vader, met pracht en praal was uitgeleide gedaan van 't wereld
[12:]
tooneeltje waarop
hij, wat Holland betreft, een hoofdrolletje had vervuld! En 't vergankelijke
van dat alles trof haar inééns zóó, dat
de tranen van aandoening haar in de oogen sprongen, ondanks den deftigen
impassiblen knecht, die haar bediende, en. ondanks 't verstijvend-kille
van alles om haar heen! . . . .
. . . . .Die goeie, kortzichtige, bekrompen-voorname, liefdevolle mama!
Dood! . . . . Die ijdele, domme, van burgerdeugd en vaderlandsliefde
opgeblazen, onbeteekenende Kamerheer, wiens evenbeeld was zijn zoon,
haar zwager, de tegenwoordige graaf-stamhouder! . . . . Dood! . . .
.
En dood ook hij! Haar man! Zoo jong toch nog maar, en zoo gezond, en
zoo vol levenslust. . . .! Dood!" - -
't Gesprek kwijnde! Om de tegen
[13:]
woordigheid van
den knecht wou niemand zich vrijuit laten gaan! Haar zwager vroeg afgemeten
naar Indië. "Was de warmte op den duur toch niet heel afmattend?
- En was het niet héél-gemêleerd, zoo'n gezelschap
aan boord? -"
"Maar ze had gelijk, dat ze de Fransche mail genomen had. Die was
niet zóó vulgair als de Hollandsche; je kon je meer op
een afstand houden! . . . . ."
En Fanny rammelde er liefjes tusschendóór tegen Hellmund,
die niet veel antwoordde, wat verlegen deed, en geeuwde van slaap, onwennig
tegen de vreemde tante en de vreemde omgeving. Dan weer mengde ze zich
tusschen 't gesprek van haar man en Liesbeth . . .. "O God neen!
'n Zeereis, nóóit! Maar anders, Marseille is leuk hè?
Du Louvre et de la Paix is
[14:]
beter dan dat andere
hôtel; vindt jij ook niet? Hoe héét dat ook maar
weer? O ja Noailles! En zeg, hoe vondt je Em van Dale? Ouder-geworden
hé! Ze is vrééselijk op haar retour!! Wat hij in
die vrouw ziet!. -"
. . . . . . . . . Ze stond op, bond Hellmund z'n servet af. "Vindt
je goed, dat wij maar naar boven gaan! Ik ben óók moe!
En hij slaapt al half" . . . .
Toen, boven, terwijl Fanny nazag" Of ze alles wel had", en
vroeg "Of ze haar ook kon helpen met het een of ander", toen
kwam "dat", dat waarvoor ze zoo gevreesd had: het "vertrouwelijke"
gesprek "Ik ben toch je eigen zuster; ik heb toch recht alles te
weten!" .. . . . drong Fanny . . . . .
"Er is niets te weten. . . . . Ik was gelukkig. . . . . dat is
al; -" zei ze mat. . . . . .
[15:]
Maar Fanny liet
zich zóó niet afschepen!
"Je hoeft er tegen mij geen geheim van te maken! Iedereen sprak
er over. . . . . Heusch, 't is bespottelijk van je, het niet te willen
weten Batavia is zóó ver niet. . . . . En Indisch-leven
is net 'n glazen kast! Iedereen schijnt er nog meer alles van mekaar
af te weten, dan wij-hier. . . . ."
"Ik weet niet, wat je toch bedoelt". . . . .
Toen werd Fanny bepááld boos. "Nu als je er niet
over spreken wilt, ik kan je niet dwingen! Indiscreet zal ik niet zijn,
en je mijn sympathie opdringen! Maar ik moet je zeggen. . . . . als
je van iedereen, - letterlijk van iedereen, - hóórt, dat
je zwager je zuster ongelukkig maakt, en als je je huis voor haar en
haar kind openzet, dadelijk, dan heb je, dunkt me, wat beters verdiend!
. . ."
[16:]
Liesbeth, nerveus,
keek naar haar diep-slapend ventje, dat zoo héérlijk,
en toch tegelijk zoo angstig véél op "hèm"
geleek!
"Fanny, je vergist je, heusch! Praatjes gaan wel eens over iedereen,
over elk huwelijk! . . . . Maar heusch . . . ik ben héél
gelukkig geweest, zóó gelukkig. . . . als ik 't gehoopt
had! . . . ."
Fanny, mooi, gedistingueerd, elegant gekleed, liet haar koel-blauw oog
even glijden langs het zwaar-rouw- en weduwkleed, dat Liesbeth's vermagerde
figuur omsloot. En toen, onderzoekend, scherp-starend op haar wit, smal-geworden
gezicht, waarin hol lagen de ernstige, treurige oogen:
"Nu, je ziet er anders niet naar uit, of je het in die zes jaar
erg prettig gehad hebt. Ze zeggen: Indische jaren tellen
[17:]
dubbel!
Maar jou kan men dat wèl aanzien, in elk geval!" - -
Ze ging Liesbeth, alleen gebleven, zonk in een fauteuil, keek, zonder
te zien, in de vlammen van 't houtvuur, dat, hier-óók,
gezellig-winter-hollandsch brandde. . . . . .
Langzaam, haast onbewust aan haarzelve, dropten de tranen néér.
. .
Gelukkig geweest! - Had ze gelogen? Neen, neen! Dat had ze niet! Als
ze 't mocht overdoen, zou ze 't morgen weer sluiten, datzelfde huwelijk,
dat haar zooveel tranen had gebracht, zóó-veel leed. .
. . . en toch onuitsprekelijk geluk! Omdat ze hem had liefgehad. . .
. . . ."
En ze dacht weer terug aan haar heen-gaan, nu zes jaar geleden! Ze had
haar engagement dóórgezet, tegen iedereen in.
[18:]
Mama vond den onbemiddelden
ingenieur, die geen klinkenden naam had, en nog geen positie bezat,
niet deftig genoeg! Had Fanny niet een graaf getrouwd, een van de eerste
partijen van de stad? - En ging zij daardoor niet uit in de hofkringen,
en was het niet héél waarschijnlijk, dat zij haar zuster
Liesbeth, met behulp van al die relaties, een even goed-huwelijk zou
kunnen doen sluiten?
Fanny-óók betuigde harerzijds, dat, heusch in hun positie,
een zwager als Hellmund Smeth toch te min was! Dat kon je niet vergen
van háár man, van Alexander, dat hij zóó'n
schoonbroer accepteerde! . . . . .
Toen, terwijl Liesbeth, beslist, zonder een haarbreed af te wijken van
haar opinie, volhield: "Ik hou van Hellmund, en ik
[19:]
trouw hem,"
was de oude graaf van der Heijden, de Kamerheer, voor den dag gekomen
met zijn "informaties."
. . . . . .. Hij, door zijn relatiën, overal bekend, in den Haag,
in Indië, waar hij den Gouverneur-Generaal vrij-goed kende, van
vroeger-samen-gestudeerd hebben, hij wist, zooals hij met zijn benuIlige
deftigheid knipoogend zei, "overal achter te komen."
"U kunt het gerust aan mij overlaten, mijn lieve mevrouwtje,"
had hij gezegd aan Liesbeth's moeder, die huilde omdat haar kind "niet
voor rede vatbaar was". "Ik zal wel te weten zien te komen,
wat dat is voor een familie, die Smeth's, en wat voor soort die meneer-zelf
is . . . . . ."!
En op een middag, terwijl Liesbeth, lusteloos, na weer een scène
met mama, bladerde in een boek, haar moeder, huilend
[20:]
als-gewoonlijk, tegenover haar, op een middag had het hofrijtuig, dat de Kamerheer steeds tot zijn particulieren dienst mocht gebruiken, voor hun huis in de Javastraat stilgehouden De voorname-man was de trap opgestrompeld, kuchend, kortademig, en, toen hij zat op zijn gemak, en Liesbeth hem een kopje thee had ingeschonken, en stilletjes wou gaan handwerken in de breede vensterbank bij 't raam links, haar vaste plaatsje, toen had hij, met zijn blanke, beringde, weeke vingers, haar hand in de zijne genomen, en, op z'n zoet-vleiend-familiaar-vaderlijken toon, dien ze nooit kon uitstaan, gezegd . . . . . "Hoor-eens kindjelief, je moet Mama en mij nu eens even alléén laten! Gewichtige dingen te verhandelen! Héél gewichtig!" - Hij knipoogde, en zij had
[21:]
hem kunnen sláán
erom, dat hij, die oude vent, dien ze onverdraaglijk vond, zich durfde
bemoeien zóó, . als sprak 't vanzelf, met háár
en met Hellmund! . . . . . .
Maar zij was dadelijk gegaan, gehoorzaam, welopgevoed Haagsch-jong-meisje.
Ze was dadelijk gegaan, terugglimlachend-even, welopgevoed-beleefd-blijvend!
Maar in de gang had zij de tong naar hem uitgestoken, bij wijze van
troost. . . . . .
Mama zei niets over 't gesprek, later aan tafel, was alleen overdreven-opgewekt,
en overspannen-vroolijk, als had ze goed-nieuws gehoord. - Na den eten
kwamen Alexander en Fanny theedrinken. - Die waren natuurlijk ook al
ingelicht door de intieme "informaties" van den Kamerheer.
En toen, sterk met hun drieën, waren ze op háár aangevallen,
machtig zich voelend,
[22:]
in hun méérderheid
van getal. . . . . .
"Hij deugde niet, die meneer Smeth.. . . , Hij deugde niet . .
. . . . ."
Zij bleek van machtelooze woede en van een vagen schrik, zei domkoppig,
als een echt niet-wetend, niet-begrijpend jong-meisje: "'t Kan
me niets schelen; niets; ik houd toch van hem" . . . . . .
Toen had haar zwager plechtig gezegd:
"Dat er dingen zijn in een mannenleven, die een jong meisje niet
begrijpen kan, en waarover men niet met haar moet spreken; maar die
treurig zijn, - héél treurig! En als oudere, verstandige
menschen nu zeggen, dat zoo'n man niet geschikt is voor een jong meisje,
dan moet ze niet verder vragen, maar berusten!"
Mama. had van aandoening gehuild en er bijgevoegd. . . . "Ik zag
je liever dood"! !
[23:]
En later, met haar
alleen, had Fanny op háár manier uitleggingen gegeven
in halve woorden "'n Liaison had hij gehad. . . . . .met een g
e m e e n gemeen meisje.. . . . Ze was gelukkig doodgegaan Maar wie
weet, wat er anders uit vóórtgekomen zou zijn!. . . .
. . En bij was héélemaal iemand van die kracht!. . . .
. . . "
"O God, hoe ongelukkig was ze dien avond geweest! Zij, die nooit
iets geweten, iets begrepen had van mannenleven! Zij, conventioneel-groot-gebracht
wereld-meisje, die een man hield voor een 'fauchnitz-editie-held van
een Engelschen damesroman!"
Ze had het hem verteld, later, zoodra ze hem een oogenblik sprak, bij
zijn nichtje aan huis, die haar vriendin was. En hij had een heel ondeftig
woord gezegd over de bemoeiziekheid van den deftigen Kamer
[24:]
heer! Daarom, om
dat grappige scheld woord, had ze moeten lachen. En daarna had hij haar
verzekerd, dat het "gemééne meisje" een éérlijk-deel
jongelui's leven was geweest; niet iets waarover hij zich behoefde te
schamen.
Hij had haar leeren kennen, had hij gezegd, toen zij beiden nog heel
jong waren, hij, pas student, zij, een winkeljuffie! Ze had oprecht
van hem gehouden. . . . En daarna. . . ; Hij lei haar niet precies uit
wat hun verhouding eigenlijk geworden was! Maar hij sprak met eerlijke
tranen in zijn oogen van haar vroeg-sterven, al na een paar maanden,
aan vliegende-tering!
- En zij begréép, met de reinheid van haar zuiver-lief-hebben,
dat hierin, in déze geschiedenis, niets geweest was, dat hem
voor haar behoefde te verlagen, haar
[25:]
verplichtte hem
haar liefde te ontzeggen.
Maar óók begreep ze, vaag, onduidelijk, zonder er toen,
in haar onervaren jeugd, heel veel bij stil te staan, dat er dingen
zijn in 't mannen-leven, wrééde dingen, waaronder de vrouw,
die hem haar liefde geeft, lijdt,. . . . bitter lijdt. . . .
Later, na haar huwelijk, had ze er dikwijls aan teruggedacht, aan haar
vaag, onbewust half-begrijpen van toen! . . . .
En ze had zichzelve de gelofte gedaan, dat háár dochtertje,
als ze óóit een meisje kreeg, intijds weten zou, weten
zou, vóór haar huwelijk, opdat ze niet zóó
wreed zou worden ontgoocheld dáárna. . . .
Want, O God, haar lijden van dat eerste jaar in Indië!
Hij was daarheen vooruitgegaan! Haar moeder had eindelijk toestemming
gegeven
[26:]
tot het huwelijk,
onder die voorwaarde dat ze een jaar lang gescheiden zouden wezen door
zijn vooruit-reis! Als ze dan van hem blééf houden, en
hij van haar, dan moesten ze, in Godsnaam, dan maar met den handschoen
trouwen!
't Was zóó gebeurd! En, al bij haar aankomst in Indië,
hadden ze, de menschen, gefluisterd!
En had zij niet begrepen! . . . .
Ze had niet geweten van het Indische huishoudster-systeem, niet geweten
van de beteekenis der dubbelzinnige glimlachjes van sommige harer bedienden.
. .
Totdat een Indisch-Europeesche dame haar, goedhartig maar onhandig,
meenend dat ze, als Indische meisjes, verstond en begreep, heel de waarheid
verried, de voor háár nieuwe waarheid, die iedereen wist,
[27:]
behalve zij . .
. . van de mooie Chineesche, die woonde in de kampong, en die hij nog
wel eens opzocht, óók nu, na haar aankomst. . . . opzocht
om het, om zijn kind.
Ze had hem lief! Daarom, omdat ze hem liefhad, had ze hem kunnen vergeven!.
. . .
En van lieverlede had ze óók beter begrepen zijn oppervlakkige,
hartstochtelijke natuur, die toch hield van háár; en toch
was ontrouw aan haar! - Van hààr hield hij, zooals hij
dat deed van géén andere; van hààr ziel,
van hààr geest, van hààr hart, hield hij!
-- Maar haar lichaam, mooi en jong toch, kon hem niet alléén
voldoen! - En hij vergat haar dan, . . ., dronk in zijn zwijmelroes.
. . . . En keerde tot haar terug, berouwhebbend, beterschap-belovend,
hààr liefhebbend met het beste dat in hem was,
[28:]
zelf-lijdend omdat
hij haar terdood-toe bedroefde. . . . . En toch te zinnelijk-zwak om
zichzelf te overwinnen in dat opzicht. . . . .
Men sprak er over te Batavia. . . . . .
Oud-Hagenaars schreven 't nieuws gretig naar de residentie Mama, Fanny-óók,
doelden op die "on-dit's" in heur brieven aan haar, wilden
't fijne ervan weten.. . . Zij, onwankelbaar in haar liefde, die alles
droeg, alles gaf, had steeds gedaan of ze niet begreep hen, steeds gezwegen
op zinspelingen. . . . . .
. . . . . Toen was hij ineens gestorven.
Ze wist wel, dat "men" gefluisterd van vergif, "wraak",
door een kokki. Maar ze wist ook, dat dit leugens waren, 't uitvloeisel
van praatzucht, die alle levens
[29:]
ellende kwebbelend
erger nog máákt, dan ze reeds is.. . . . .
Hij was gestorven inééns, onverwachts, aan een buikziekte,
hevig in verloop en in verschijnselen, zooals Indische ziekten zijn!
Zij had hem opgepast met al haar onverzwakte liefde, die hem afdwingen
wou aan 't graf. En, in die twee dagen, had elk zijner woorden, èlk
zijner blikken, haar gezegd, hoe hij haar dankte, te laat begreep, misschien
eindelijk-begréép, de oneindige, gróótheid
harer onsterfelijke liefde. . . . .
. . . . . En toen hij, stervend, iets zei van zijn berouw, toen had
ze hem snikkend verzekerd de wààrheid, die ze voelde:
"Ik ben toch gelukkig geweest; ik zou 't niet anders gewild hebben
dan zóó! - Want ik heb je lief!"