[1:]
't Was een goed, een zeer-goed huwelijk, dat Leonore Marston zou doen; dat zei iedereen; Leonore werd gefeliciteerd, en de ouders werden geféliciteerd en ook de aanstaande echtgenoot ontving van alle zijden de "hartelijkste félicitaties." Hij, - we zullen hem Gérard van Kolven noemen - (maar zoo heette hij n i e t ) was doctor van zijn beroep, Duitscher van geboorte, een levenslustige, vroolijke gezel als er ooit een bestaan heeft, en overigens wat men "in de wandeling" een knap man noemt. Zijn bruine haren begonnen eventjes hier en daar een grijs draadje te toonen, - daar bij de slapen, weet u, waar 't grijzen het eerst begint, - en hij kon een enkel rimpeltje niet ontkennen, dat langsamerhand zich hier of daar om mond en oogen een plaatsje gegroefd had. Maar de blauwe oogen schitterden nog
[2:]
met jeugdig vuur;
de fiere, militaire houding - hij was officier van gezondheid geweest
bij 't leger in Nederlandsch-Indië eer hij particulier geneesheer
werd, - de vlugge bewegingen der lange, slanke gestalte deden eer aan
vijf en twintig dan aan zes en dertig denken. Iedereen die hem kende
- en wat had hij een massa vrienden en kennissen! - mocht hem gaarne
lijden daarom was 't waarschijnlijk dat hij eenige oprecht gemeende
gelukwenschen ontving, oprechter dan die Leonore ten deel vielen van
hare vriendinnen, die haar "den knappen Gérard" wel
wat misgunden.
Toch waren er, onder Gérard's vrienden, die bedenkelijk 't hoofd
schudden toen ze van zijn voornemen hoorden. Enkelen, meer vertrouwden,
gingen zelfs verder:
"Jongen, jongen, - bedenk wel wat je gaat beginnen, Gerritje; 't
is niet voor éen dag, - 't is voor je leven. Nu is 't uit met
het vrije, blijde jongelui's leventje."
"Ja, Goddank, 't zal uit zijn daarmee, en 'k heb er ook hart'lijk
genoeg van. Ik ben zoo jong niet meer als ik eens was; - kijk eens,
'k begin al te grijzen; 't is tijd dat ik me rangeer en eindelijk eens
een braaf huisvader word. Nu, dat zal me niet moei'lijk
[3:]
vallen; he? Je
kent juffrouw Marston, nietwaar?"
"Zeker, zeker, en uw besluit is waarlijk niet onverklaarbaar. En
ze heeft wat fortuin ook, hoor ik. 'k Heb haar nog bewonderd op 't laatste
bal."
"Dat was haar eerste. Ik kende haar evenwel reeds - laat zien -
ja, - een jaar of zes, toen ze nog een kleuter van tien, twaalf jaar
was. Ja, 't is een engel, mijn Gretchen," en de verliefde doctor
zucht even, - een zucht van welbehagen. 't Is een oud vriend en kameraad
met wien hij spreekt; die twee hebben samen gestudeerd, gereisd, gedweept
en gezwierd in hun jongelingsjaren en nu, na een langen tijd, hebben
ze elkaar weer ontmoet op Java's hoofdplaats en George Günther,
zoo een, meent het oprecht als hij zijn vriend gelukwenscht. "Neen,
er is geen fortuin, althans niet veel," hervat Gérard weer,
na een poosje zwijgens dat hij doorgebracht heeft met de wolkjes van
zijn sigaar na te oogen, als zag hij daarin de reeks der gelukkige dagen
weerspiegeld, die hem wachtten.
"Geen fortuin! Maar beste vriend, - gij trouwt een meisje zonder
fortuin? Hoe zul je 't maken?"
"O, opperbest. Ik verdien veel geld, en
[4:]
door de connecties
mijner schoonouders en de mijne moet mijne praktijk zich uitbreiden,
- dat kan niet missen. Ik ga nu stilleven; - huiselijk geluk is al wat
ik verlang; het leven als jongmensch is verbazend kostbaar als men 't
een weinigje ruim neemt, - vooral met dat zwerven naar alle mogelijke
en onmogelijke plaatsen van den archipel. Kom, kom, 't zal wel gaan!"
En hij lacht hoopvol en vroolijk klopt hij den ouden vriend, die hoe
langer zoo bedenklijker kijkt, op den schouder.
"Enfin! ik wensch u van harte alle geluk, mijn beste Gérard,
- dat al uw droomen verwezenlijkt mogen worden."
"Dat zullen ze: ja, dat zullen ze. Mijne Leonore is een engel;
eenvoudig, zachtmoedig, vroom als een duifje. Zoo als zij is, heb ik
mij altijd Faust's Gretchen voorgesteld, zoo blond en blank..."
"Ja, ze is zeer blond, - allerliefst blond!" zegt vriend George
- en 't is alsof hij nog ernstiger kijkt.
"Allerliefst? Zeg verrukkelijk, bekoorlijk, engelachtig! Kom, oude
vriend, voor u wil ik 't niet verhelen, al houd ik mij voor de anderen
koel en kalm, - ik ben doodelijk verliefd op haar; - als ik haar niet
had gekregen, 'k
[5:]
geloof, ik had
me voor den kop geschoten. 't Is. voor 't eerst in mijn leven, dat ik
een meisje zoo bemin
"
Nu lacht de vriend toch, "'t Is niet voor 't eerst in mijn leven,
dat ik u dit hoor zeggen. Nu, als 't maar voor 't laatst is!"
"Daar kun je staat op maken. Ik ben nu te oud om te veranderen.
En nu, George, my boy, moet ik verder. A revoir!"
De schoone blonde
Leonore, alias Gretchen, zit met eene vriendin te keuvelen in het prieeltje
dat over 't groote plein uitzicht heeft.
"Wil je wel gelooven," zegt de vriendin, ook een lief meisje,
doch zwart van oog en haar, "wil je wel gelooven, Nora, dat ik
een paar dagen vroeger vroeger ben teruggekomen, enkel om uit je eigen
mond dat ongelooflijke nieuws te hooren bevestigen?"
"Ik zelf kon het nauw'lijks gelooven, beste Sophie; ik vond hem
altijd zoo - zoo - hoe zal ik zeggen, - weet je, een man om met een
zeer groote, deftige, rijke dame te trouwen. Je weet, hij is overal
gezien, - hij komt bij de grootste lui in huis, niet alleen
[6:]
als doctor, maar
als vriend. O, wie hij ook gevraagd had, hij had haar gekregen, dat
is zeker! Hij is bepaald onweerstaanbaar, vindt je niet?" zegt
het mooie blondinetje, opgewonden sprekende.
Sophie haalt eventjes, nauw merkbaar, de schouders op. 't Is een wijs
hoofdje, die twintigjarige!
"Och, zoo heel bijzonder ken ik hem niet: 'k heb wel eens met hem
gedanst, en enkele keeren hem op recepties en zoo gesproken, - maar,
- ik ken hem niet zoo bijzonder."
"Nu maar, vind je 'm dan niet allerliefst in de conversatie? En
een mooie, knappe man? En hij, - waarlijk Fie, hij kon wel aan eIken
vinger een meisje krijgen, en nu gaat hij mij kiezen! O, Sophie lief,
ik ben zoo gelukkig! Hij is mijn beau idéal van een man!"
"Kind, kind, laat hem maar niet merken, dat je zoo erg vereerd
zijt met zijn aanzoek, en, dat je zoo verliefd zijt op hem. Maar zoo'n
wonder is 't niet dat hij jou vroeg, me dunkt, hij had slechter kunnen
kiezen. Wat zullen al je andere bewonderaars beginnen? Ik verwacht dat
de heeren doctoren heel wat te stellen zullen krijgen
[7:]
met allerlei hartkwalen
onder de jonge heeren van Batavia en omstreken. En dat alles door "le
beau Gérard"! Nu, hij heeft wat op zijn geweten, - maar
jij niet minder; hoeveel dames zullen zich de oogen rood schreien nu
ze haar enfant chéri moeten afstaan, en dat aan zoo'n jong ding?"
"Nu, 't is minder, jij behoort althans niet tot die rampzaligen,
Fietje, ik geloof, dat jij je om niemand zoudt dood treuren, zou je
wel?"
"Pas pour le moment, ten minste, en om uw beau idéal zal
ik geen traan laten; stel je gerust."
"Maar je vindt hem toch ook charmant, ja? Kom zeg nu eens, dat
je 'm waarlijk ook - a l l e r li e f s t vindt, anders zou ik kunnen
denken, weet je, dat je jaloersch zijt op mijn geluk."
"Ik, jaloersch op uw geluk, Noralief? Dat weet je beter; ik hoop
en bid dat je waarlijk gelukkig zult zijn, lieve; O, als je maar gelukkig
wordt met hem, dan is al 't overige niets wat er ook gezegd wordt..."
Sophie houdt stil in haar rede, als verschrikte zij over die laatste
woorden. Ze bloost een weinig en speelt met haar waaier om dien blos
te verbergen, als Nora vraagt:
[8:]
"Al 't overige?
wat meen je? Er is immers niets, niets, tegen Gérard te zeggen?
Gérard, - wat 'n lieve naam, ja? Ik mag gaarn een mannennaam
met een R of wat er in. Dat geeft zoo'n flinken klank, vind je niet?"
"Ja, - o ja, - zeker; ik ook," antwoordt Sophie, nog altijd
wat bedremmeld kijkende.
"Maar zeg me nu, wat je met a l 't o v e r i g gemeende. Iedereen
zegt dat het zoo'n goede partij is, - en ik heb zooveel félicitaties
gekregen, van alle kanten. Als er iets op af te dingen viel, zou men
dat immers niet doen, wel?"
"Neen, zeker niet. Ja, 't is een goede partij, - wat de positie
aangaat, - den stand en zoo
"
"Leonore ziet hare vriendin wat wantrouwig aan; doch deze slaat
de oogen neer, en 't meisje kan dus niet ontdekken wat Sophie eigenlijk
bedoeld heeft, met haar "wat er ook gezegd wordt."
"Maar, wat wordt er dan gezegd? Wat is er aan te merken, op hem,
op mij, of op ons engagement? O, stellig deze of gene, die hem gaarne
tot man had gehad, en nu jaloersch is op mijn geluk, ja?"
[9:]
"Waarlijk
niet, Nora, - maar - ik vind, let wel, ik zeg het uit mij zelve, en
niemand heeft het mij die opmerking gemaakt, dat verzeker ik u, - dat
het verschil vanjaren wel wat groot is. Zes en dertig en achttien -
de helft meer aan den eenen kant..."
"O, is 't anders niets! Bah, daar geef ik niets om. Hij gelijkt
geen zes en twintig, zoo vlug en vroolijk is hij; een man in zijn beste
jaren, Mama zelf zegt het ook. Hij behoeft voor geen jongen van twintig
onder te doen, zoo jeugdig ziet hij er uit. En hij danst heerlijk! en
hij zingt ook, allerliefst, hij heeft zoo'n lieve stem."
"Ja, dat weet ik, 'k heb met hem gedanst en 'k heb hem hooren zingen,
met die mooie mevrouw... hoe heette ze ook weer? Die was toen ter tijd
immers met hem
zijn
, O ja, je gingt in dien tijd nog niet
uit; 't is dan ook al lang geleden, - twee. drie jaar; ja, hij zingt
goed, en hij danst keurig: nu Leonor, dat ge nog menigmaal met hem dansen
en zingen zult, hoor!"
Sophie zegt dit alles zoo rap als wilde ze gauw van 't àpropos
af zijn, Ze weet dan ook dat ze, met al haar twintigjare wijsheid en
wereldkennis, haar mondje voorbij gepraat heeft. Doch Nora is onrustig,
nieuws
[10:]
gierig geworden,
en vraagt weer:
"Wie was die mevrouw? en wat was zij van hem? Hoe heet ze, ken
jij haar?"
"Ik? God bewaar
ik meen, neen. O, ze zong heel - mooi en
ze zong dikwijls met doctor van Kolven, - op recepties, - weet je."
"Maar wát was ze van hem, zei je?"
"Niets, niemendal, zooveel als zijn partner bij 't zingen, bedoelde
ik. Ze werden altijd verzocht te samen te zingen, zie je, omdat hun
stemmen zoo goed bijeen kwamen, anders niet... 't was een mooie en een
lieve vrouw, maar - ze is al lang naar Padang, Samarang, Soerabaia,
ik weet niet meer recht waarheen."
"Zoo!" Nora laat een zucht van verlichting hooren en zegt
dan met levendigheid: "nu zal ze niet meer met hem zingen: nu zingt
hij met mij! O, Sophie, ik hou toch zoo veel, zoo innig, zielsveel van
Gérard!"
En 't tengere jonge blondje valt der vriendin om den hals en verbergt
haar lief gezichtje dat over die gulle bekentenis bloost, aan den boezem
der zwartoogige Sophie. Een poosje zitten die twee zoo stil zonder te
spreken; Sophie streelt de glanzige, goudblonde vlechten van haar vriendin,
met een gebaar, dat bijna aan meedogen doet denken,- zoo
[11:]
als men een kind
liefkoost, dat zich bezeerd heeft. Haar mond noch haar goed hart kon
ze altijd het zwijgen opleggen, - en ze heeft nu erg spijt; dat ze zich
iets heeft laten ontglippen, van 't geen ze gehoord had, van 't geen
"men" zei van den mooien Gérard.
Enfin, - als hij Leonore maar gelukkig maakt!
"Foei, wat ben ik toch een égoïste!" roept deze
eensklaps uit, het hoofd oprichtende.
"Nu heb ik je enkel over mijn eigen affaires de coeur gesproken,
en niet eens nog naar de uwe gevraagd. Zeg gauw, hoe staat het er mee?"
Sophie zucht en schudt het hoofd. Een treurig lachje plooit haar roode
lippen, als ze, de oogen opslaande, antwoordt: "nog altijd hetzelfde.
Niets veranderd."
"En, heb je hem gezien, gesproken? Ja, toch?"
"O ja; twee maal. Eens op Batoe-Toelis, toen we te paard er heen
waren gereden. Wie 't hem verteld had, dat we er op dien ochtend komen
zouden, weet ik niet, ik denk wel, dat neef John 't gedaan heeft: Die
houdt van Ernest, - hij is zoo goedhartig."
"En de tweede keer? Heb je hem alleen gesproken? Want - met zoo'n
gezelschap, wat heb je daaraan!"
[12:]
"De tweede
keer sprak ik hem alleen, en niet alleen, zoo als je 't nemen wilt.
't Was op 't maalfeest, op de fabriek van R
; je weet, die ligt
een paal of twintig boven Buitenzorg. Nu er was souper, en tandak voor
de inlanders en wij hebben ook gedanst. Hij was 's avonds tegen acht
uur gekomen; kassian - hij had wel twintig paal gereden om te komen,
omdat hij wist dat ik er zijn zou
"Heerlijk, en toen heb je nog met hem gedanst ook, zeker; nou,
dat vind ik prachtig!"
"Neen, 'k heb niet met hem gedanst. Hij was doodmoe, dat kon ik
hem aanzien. Denk eens, van 's morgens vijf uur af in de tuinen, tot
elf, twaalf uur, - dan tot vijf uur in de fabriek, en dan nog dat eind
rijden, enkel om mij te zien, en bij moest om twaalf uur weer heen;
dus wou ik niet hebben dat hij zou dansen."
"Saai, hoorl Wat ben jij toch wijs en verstandig, Fie, ik zou 't
niet kunnen weerstaan; dansmuziek hooren, en niet meedoen! Onmogelijk!"
"Je zoudt wel kunnen, als je in mijn plaats was, hoewel, - wanneer
je getrouwd zijt, zal de danslust wel wat bedaren, denk ik."
[13:]
"O, volstrekt
niet, hoor! Gérard heeft me dan ook heilig moeten beloven, dat
ik alle bals mag bijwonen, en dansen naar hartlust. Neen, 'k zal juist
meer uitgaan, -de opera, de concerten, en zoo..."
"Meer is niet wel mogelijk, Noralief, je zijt immers overal bij.
Ik begrijp niet hoe je 't volhoudt, i k zou er geen lust in hebben,
dat verklaar ik je."
"Omdat je liefste er niet bij kan zijn; maar was Ernest hier, je
zoudt wel meedoen!"
"Toch niet, ik hou wel van vroolijkheid, maar elken avond uitgaan
brrr, ik zou 't besterven."
"Ik niet! EIken avond, en eIken morgen, en eIken middag ook. Nu,
als ik maar eens getrouwd ben, zul je zien. Wat is dan ook heerlijker
dan uitgaan, vooral als je een mooi toilet je hebt en niet precies à
faire horreur zijt, - he?"
En de kleine coquette pinkt een oog toe en blikt met het andere in 't
miniatuurspiegeltje van haar waaier.
Sophie ziet dit glimlachend aan, doch trekt het spiegeltje weg en zegt:
"Allons, coquet schepseltje! Als je wilt trouwen, moet je 't uitgaan
en de beeldige
[14:]
toiletjes wat uit
je hoofd zetten, dan moet je aan manlief, aan je tafel, en - in 't eind
ook aan je kroost gaan denken, en aan niets anders."
"Dat ben ik niet geheel met je eens, wijze gans; Gérard
heeft me juist beloofd, dat ik in alles mijn zin mocht volgen. Maar,
vertel me nu verder, wat zijn jelui plannen? Wanneer moet er toch een
eind komen aan dat verboden engagement? Verbeeld je eens, dat we op
denzelfden dag trouwden, hoe prachtig zou 't zijn, he?"
"Prachtig, doch daar is geen kans op, we kunnen nog jaren wachten.
Papa wil een schoonzoon, die zijn compagnon kan worden. Nu, Ernest heeft
nooit voor notaris gestudeerd, en al begon hij nu, hij is niet geschikt
er voor; hij zou sterven als hij een kantoorleven moest leiden, hij,
die van zijn jeugd af, eerst in Holland - zijn vader was heereboer,
- en daarna hier, altijd buiten, altijd om zoo te zeggen in de open
lucht heeft geleefd."
"Kon hij 't toch niet beproeven, denk je? Als je Pa zag, dat hij
er werklijk niet voor deugde..."
"Dat weet Pa van zelf wel - bovendien houdt hij niet van Ernest;
dat idée van een
[15:]
schoonzoon tot
compagnon is maar een voorwendsel, dat begrijp ik wel. Neen, Nora,!
mijn kind, niet iedereen is zoo gelukkig als jij, lieve; nu, ik gun
het je van harte."
Sophie zucht en er blinkt een traan in haar donkere oogen. Nora bemerkt
het en ook hare lieve, blauwe Gretchenoogen vullen zich met tranen.
"Kassian! wat moet jelui toch doen!" zegt ze.
"Wachten, er zit niet anders op: wachten tot Ernest een administrateursplaats
vindt; doch hij heeft zoo weinig kans, hij is pas drie en twintig en
zulke betrekkingen geven ze liever aan ondere mannen."
"Alsof hij niet precies zoo knap was als de oudste administrateur
maar wezen kan!" meent Nora, verontwaardigd de schouders ophalende.
"Dankje, lieve, voor 't goede idée over mijn armen Ernest;
- ik denk er ook zoo over, maar wat geeft het? Papa is en blijft onverbiddelijk,
anders waren we lang getrouwd."
"Zou je dan met een armen opziener van eene fabriek durven trouwen,
Sophie?"
"Als die arme opziener Ernest Kortland heet, ja! Rijkdom maakt
nog geen geluk...
[16:]
maar nu moet ik
weg; daar komt Pa me al halen en ik mag de paarden niet laten wachten.
Adieu, tot ziens, Nora! en mijn compliment aan doctor van Kolven, ja?"
"Adieu, Fie; ik kom - we komen spoedig bij je, hoor!"
Met een hartelijke omhelzing nemen de meisjes afscheid van elkaar. Sophie
stapt in 't rijtuig bij haar vader, den rijken notaris van der Laan,-
en zij zucht als ze aan 't besprokene denkt
Leonore gaat huppelend en zingend het huis in; zij klapt in de handen
van blijdschap terwijl ze aan den avond denkt, dien ze met haren Gérard
hoopt door te brengen op eene luisterrijke receptie, bij een der "groote
lui" waar de mooie Gérard zoo gezien is.