[68:] IX.
La vanité nous rend aussi dupes que sots.
FLORIAN.
Gibraltar of, zooals de inboorling het noemt, Gib, met zijn purperbloesems
en rotsgevaarten, lag reeds verre; de Elwine stoomde voorwaarts met-
volle kracht; de zon scheen vroolijk en de zee was effen.
Onder de passagiers was het alles couleur de rose. Men amuseerde zich
niet alleen met de herinnering aan het drietal dagen, dat zoo prettig
was doorgebracht, maar men genoot meer en meer van de genoegens, die
de gezellige omgang bij nadere kennismaking aanbood.
's Morgens groette men elkaar op de hartelijkste manier; 's avonds zat
men zeer laat op in vroolijke groepjes; deze vond genen alleraardigst,
gene vond dezen allerliefst; de heeren wandelden gearmd het dek op en
neer, soms uren lang; de dames zaten onderling te fluisteren alsof de
grootste geheimen verhandeld werden; diensten werden bewezen, boeken
en andere zaken geleend; men was onuitputtelijk in beleefdheden, in
vriendelijke glimlachjes, in hartelijke dankbetuigingen. De kapitein
werd gelukgewenscht met den "goeden geest" aan boord. Hij
glimlachte even. "We praten daar nog wel eens over als Batavia
in het gezicht is!" zeide hij, en toen hij zoo fijntjes lachte,
lachten verscheidenen van de oudgasten mede.
[69:]
Die oudgasten waren over het geheel veel minder toeschietelijk dan
de nieuwelingen; ze schenen zich voorgenomen te hebben alle intimiteiten
te vermijden; ze praatten weinig, sliepen veel en lazen voortdurend,
maakten geregeld hun partijtje, lieten zich zelden overhalen om laat
op te blijven en hielden hun opinie over de medereizigers geheel voor
zich; een zeer onvriendelijk gedrag, dat niet weinig ergenis gaf.
Intusschen was men reeds gewoon geraakt aan de vaste en geregelde leefwijze
aan boord.
Ten acht uur, als het ontbijt weggenomen en er voor niemand meer iets
té verkrijgen was, - behalve voor Bugg, die met hofmeester en
kellners op den meest vriendschappelijken voet stond, - werd er gelezen,
brieven geschreven, wat genaaid, gehaakt of geborduurd tot tegen een
uur of elf de bel voor het luncheon luidde.
Na het luncheon kwam een lange tijd, waarin vrijwat werd afgegeeuwd;
men moest toch tot vijf uur toe zich trachten te amuseeren, zoo goed
zoo kwaad het ging. De heeren slaagden hierin vrij wel met de hulp van
whist en quadrille, van romans en middagdutjes, van bittertjes en cognacjes,
maar de dames
.
Zij hadden veel minder hulpmiddelen, want de meesten lazen niet en speelden
niet; nu aanmerkingen te maken over elkaars uiterlijk en toilet, wordt
op den duur wel wat vervelend, terwijl de stof begint te ontbreken in
een kleine omgeving, waarin weinig voorvalt. Mevrouw Belmberg scheen
zich dan ook aan die zware proef liever niet bloot te stellen; haar
meesttijds somber en bewolkt gelaat, werd na het tweede ontbijt zelden
meer gezien, en eerst tegen etenstijd kwam zij wederom te voorschijn;
ook Clara bleef het grootste gedeelte van den dag in haar hut.
Geen wonder dat de horloges op die lange middagen herhaaldelijk uit
ceintuur of vestjeszak te voorschijn gehaald, met stille verzuchtingen
weer weggeborgen wer-
[70:]
den; - geen wonder dat het diner, hoe weinig genot het dan ook wèl
beschouwd aanbood, als een aangename, afwisseling werd tegemoet gezien.
Gewoonlijk haastte men zich, zoodra het was afgeloopen, wederom naar
boven, zoowel om van de benauwde, lucht in het salon bevrijd te worden,
als om op het dek door op en neer te wandelen zich de zoo noodige beweging
te verschaffen.
Hun, die eenig gevoel bezaten voor natuurschoon wachtte elken middag
een prachtig schouwspel.
Er is toch wellicht geen grootscher tafereel denkbaar, da; in volle
zee de zon te zien ondergaan; dien schitterenden vuurbal te midden der
rozeroode en vergulde wolken, die haar omgeven, hoog boven de blauwe
zee; dan den gouden sluier, waarin ze zich dichter en dichter hult,
langzaam met haar te zien wegzinken in den Oceaan, wiens zachte golvingen
schijnen te blozen van zoet verlangen naar de in het purper getooide
bruid - alles, de lucht,de zee, de wolken, gloeiende op het oogenblik
dat de bruid wegzinkt in de armen van haar eeuwig geliefde, - waarlijk
men behoeft dichter, schilder, noch dweper te zijn om dat in verrukking
gade te slaan!
Ternauwernood hadden de wolken en golven hun veelkleurige tinten verloren,
of ze werden overgoten met dien liefelijk en zilverschijn, die meer
en meer helder en zuiver wordt, naarmate men het zuiden nadert.
Soms ook kwamen de fonkelende sterren den onbewolkten hemel verlichten;
maar aan menigeen kwamen maanlichtglans noch stergeflonker zoo schoon
voor als die donkere nachten, wanneer de blauwe zee werd opgeluisterd
door het onverklaard natuurverschijnsel van de gloeiende phosphorstrepen,
de gouden en zilveren vonken, die, als zoovele lichtende punten, heen
zweven om de toppen der golven en, nu hier dan daar, een vurig lint
door de wateren vlechten.
[71:]
Het is heden een maanlichtavond. De passagiers hebben zich, als naar
gewoonte, in groepjes verdeeld. Hier in twee dicht tot elkaar geschoven
luierstoelen, vinden we het jonge paartje, den verliefden blik nu eens
naar de maan, dan op elkaars gelaat gericht; - dáár de
heer Vuiste in gezelschap zijner vrouw, die de nare gewoonte heeft van
hem altijd bij zich te willen houden, hetzij ze in de hut of op het
dek vertoeft; iets verderde Krobsen, nu en dan gestoord in hun gesprek
door een gil uit de hut, waar de baboe's tevergeefs alle kracht inspannen
om de Njo's [Jongeheer] en Nonna's [Jongejuffrouw] en Adé [Jongste
kind] stil te houden; dicht in hun nabijheid een kleinen kring van menschen,
zoo als men op iedere plaats, in iedere boot, in elk gezelschap vindt;
menschen met wie zich niemand inlaat, en die, na vergeefsche pogingen
te hebben aangewend om toegang tot andere kringen te verkrijgen, zich
maar bij elkaar aansluiten. Verderop Lina Riethaag, alleen, peinzende
en droomende van het ouderlijke huis met zijn geldelijke zorgen en genoegelijke
huislijkheid; eindelijk kapitein Scbock in een vrij ernstig gesprek
gewikkeld met den beer van Berkesteyn, die, voor dezen avond zijn gewoonte
van zich niet te animeeren ontrouw wordt en met veel vuur zijn conservatieve
denkbeelden omtrent vrijen arbeid en koffiecultuur verdedigt tegen den
gezagvoerder en eenige andere heeren, die een tegenovergestelde meening
zijn toegedaan.
In een beschut hoekje zit Kitty Stark. Ze ziet er nogal aardig uit in
haar lichtblauw neteldoekje, nu de maan, het steenrood harer wangen
en rosachtig geel harer krullen een weinig verzacht. Zij is niet alleen;
integendeel, haar wordt ook op dit oogenblik druk het hof gemaakt door
de drie heeren, reeds vroeger verliefd.
Wij zullen het maar rondweg bekennen, - hoewel we vreezen dat bet de
sympathie voor de jonge dame
[72:]
niet weinig zal verminderen - Kitty ging naar Indië om te trouwen.
Al haar doen en laten, al haar gedachten waren op dit ééne
punt gevestigd, en zij was slim genoeg om haar doel te bereiken; want
onder haar onbezorgden lach verborg ze een groote mate van berekening.
Het zwak van den mensch in het algemeen, maar van den man in het bijzonder
kennend, had zij haar veldtocht geopend met het streelen der ijdelheid,
die de meeste heeren bezitten, en er zich op toegelegd elk in het bijzonder
te doen gelooven, dat ze op zijn gezelschap zeer gesteld was.
Nu, noch de heer Halekamp, noch de heer Altens, noch de heer Kreisfeldt
had tot dusver reden gehad om zich "l'enfant chéri des dames"
te gelooven, hoewel vooral Halekamp zeer geneigd zou zijn geweest om
iets van dien aard te denken; dit luitenantje toch was ijdel, nietig
en kleingeestig in zoo hooge mate, dat zijn kameraden hem zelfs den
rug toedraaiden; Kitty vond hemook niet zeer aangenaam, maar gedachtig
aan haar doel toonde zij hem zulks niet.
Integendeel.
Eens was ze zeer toevallig in de gelegenheid geweest, den heer Augustus
Halekamp te bespieden, terwijl hij er geknield lag voor zijn spiegel
- een hachelijke positie b.v het schommelen der boot - om ieder haartje
van zijn knevel, Iedere oneffenheid op zijn glad gezicht, met groote
nauwkeurigheid te onderzoeken, - een onderzoek, dat minstens een kwartier
duurde. Toen ze kort daarna opmerkte, hoe het jonge mensoh bij een koude
van bij vijftig graden geheel in het wit gekleed ging, omdat dit zijn
donker uiterlijk goed stond, had de slimme Kitty het den luitenant zoo
spoedig mogelijk laten bemerken, dat ze hem een "ijselijk mooi"
man vond. Op zekeren ochtend had ze hem gevraagd: of het niet lastig
is, als men zulk een zwaren baard heeft? - hij schoor zich om de veertien
dagen; op dit oogenblik zat ze
[73:]
hem in den maneschijn te spreken van: "de oogen, die spiegels
der ziel!" en de arme Halekamp paste haar gezegde met een welvoldanen
glimlach toe op zichzelven, te dom om te begrijpen dat zijn oogen dan
alle uitdrukking moesten missen, daar zijn ziel zoo bitter weinig te
weerspiegelen gaf.
N°. 2 van Kitty's bewonderaars was wederom op eene andere wijze
in den "muizenval" geraakt, zooals Kitty het in haar confideflties
aan neef Bugg noemde. Hij werd door de overige passagiers zwaar op de
hand gevonden - en daarvoor was reden.
Na aan de academie te Delft verscheidene jaren te hebben doorgebracht,
was hij eindelijk met moeite gesleept door het examen, dat hem tot oost-indisch
ambtenaar moest maken; hij meende toen den prijs te hebben gewonnen,
maar nauwelijks was hij gedurende en paar maanden in gezelschappen verschenen
of het werd hem maar al te duidelijk, wat hij reeds lang vermoed had,
dat hij vervelend gevonden werd, en dat hij over zeer weinig dingen
kon meepraten.
Hij kwam op het denkbeeld zich in de politiek te steken; - dat was een
gezocht onderwerp - en drie maanden achtereen woonde hij de debatten
der eerste en tweede Kamer getrouw bij. Toen kwam het gewichtige oogenblik,
waarin hij het noodig oordeelde een groot blad papier te verdeelen in
vakjes; deze vakjes droegen tot opschrift: "Liberalen, Radicalen,
Clericalen" en daaronder de namen der Kamerleden, die hij geloofde
- men is op dit punt nooit heel zeker - tot die partijen te behooren.
De belangwekkende lijst was met zeer veel moeite van buiten geleerd
en nu was de tijd dáár, waarin hij van zooveel inspanning
partij wilde trekken.
Aan boord scheen hem de gelegenheid uitmuntend.
Maar, helaas! niet zoodra begon hij aan zijn lijstje, of de heeren veranderden
als bij afspraak hun onderwerp van gesprek. Eindelijk, radeloos door
zooveel mis-
[74:]
kenning, koos hij Kitty tot zijn slachtoffer. Nu, Kitty zou, al bond
men haar drie dagen achtereen voor den grooten mast, het onderscheid
tusschen conservatief en liberaal niet kunnen aantoonen. maar, wanneer
Altens door de heeren "geschouderd", bij haar zijn troost
zocht, zette ze een zeer wijs gezicht, lachte enkele malen flauwtjes,
deed de noodige uitroepen en boeide zoodoende den politicus.
Bijna was echter hun vriendschap onherroepelijk verbroken geworden.
Op zekeren avond, toen de toekomstige Talleyrand ongeveer een half uur
had besteed om aan te toonen, dat de "Tor" - hij was zeer
sterk in familiare benamingen van groote mannen - eigenlijk geen standbeeld
had verdiend, verkondigde eensklaps zeker geluid, dat met recht voor
snorken kon gehouden worden, dat zijn hoorderes zachtjes was ingedommeld.
Kitty, die door de harde noodzakelijkheid flink jokken had geleerd,
sprak het brutaal weg tegen; Altens, die zich de mogelijkheid van insluimeren
onder zijn redeneeringen liever niet voorstelde - geloofde haar.
Zij waren nog altijd goede maatjes, en de ambtenaar was en bleef bekoord
van het meisje, dat zoo goed praten - of luisteren - kon.
Dat de derde van het klaverblad, luitenant Kreisfeldt, niet ongevoelig
kon blijven voor de roodwangige jongedame, zal niemand verwonderen,
wanneer wij hier nog bijvoegen, dat hij kersversch van de academie kwam,
zeer veel romans en gedichten had gelezen, en, hoewel hij het tegendeel
beweerde, eigenlijk nog nooit andere dames had leeren kennen dan de
vrij bejaarde tantes, bij wie hij de vacanties doorbracht.