"Zijn dat nu menschen of reuzen?" hoor ik jufrouw Pauline
mij vragen. Paulientje is nooit op Java geweest en weet dus ook niet,
wat de twee leelijke figuren met die groote handen en die breede monden
beteekenen.
Maar kijk eens naar hunne voeten; die zijn niet grooter dan die van
de andere jongens, welke hen omringen; wat is dat toch?
Dat zal ik u gauw zeggen; die twee reuzen in hun wijde rokken noemt
men op Java "barongans" en't zijn niets anders dan groote
poppen, waarin een paar mannen zich verborgen hebben, zoodat het schijnt,
alsof ze op menschenvoeten voortgaan.
Tegen het Javaansche nieuwjaar vooral ziet men verscheidene van die
barongans.
Als ze zich op straat vertoonen, dan worden ze dadelijk door een menigte
Javaansche kinderen omringd en zelfs groote menschen kijken er naar.
En als zoo'n barongan hard begint te loopen en een paar van die jongens
op de hielen zit, dan vliegen ze weg of ze heel bang zijn en ze weten
toch heel goed dat het niets anders zijn dan poppen, die door Katjong
of Birin voortbewogen worden.
Wat leelijke gezichten, vindt ge niet? Ze zijn geel geverfd en hebben
zulke groote oogen dat men er wel bang van worden kan, en wat dragen
ze 'n pluimen op het hoofd. Dat zijn slechts pisangbladeren en het kindje
op den arm van de achterste: "barongan" ik geloof dat ze zijn
gezichtje met kalk in plaats van met bedak [Rijstpoeder] bestreken hebben.
Neen, mooi zijn de barongans niet, maar die Javanen hebben er pleizier
in en dat is toch maar het voornaamste; wat zouden zij groote oogen
opzetten, nietwaar Paulientje, als ze die groote optochten zagen, in
mooie kostuums vol goud en zilver, die gij het vorige jaar in Leiden
of Delft hebt gezien?