Tony en zijn zusje Jetje waren op een middag heel achter in den tuin
gaan spelen.
O ze hadden zoo'n pret; er waren zulke mooie bloemen in het gras, die
plukten ze samen, en zoo gingen ze verder tot aan den grooten pisangboom,
die aan het einde van den tuin staat. Daar geeft Jetje een gil en Tony
kijkt angstig rond; en zie, vlak bij Jetjes hand kruipt een groote,
groene slang.
"Kom Jetje!" roept Tony: "loop gauw weg"- en hijzelf
zet het op een loopen.
Dat was nu niet heel mooi gedaan van Tony, hij zag immers wel hoe zijn
zusje geschrikt was en niet durfde opstaan. De slang kwam al dichter
en dichter bij, en eindelijk stond Jetje op en nu kon Tony wel heel
hard roepen van: "Toekoeng, toeloeng! Oeler!"[Help, help,
een slang!] en ondertuschen kroop de slang uit het gras op den weg,
de kinderen achterna. Daar komt hulp aan; 't is de goede Kebon met een
groote zeis.
Nu durft Tony er wel bij komen en zegt dat hij niet bang was, en als
hij maar een stok had gehad dan zou hij de slang even goed hebben doodgeslagen
als Kebon.
Gelooft ge dat ook?
En nu gaan ze naar huis terug; Kebon draagt de slang aan de punt van
zijn zeis en als ze thuis komen en de geschiedenis aan Papa en Mama
vertellen, zou men haast gaan denken dat het Tony is, die zijn zusje
heeft gered.
Maar Jetje kan ook wel praten en ze szegt tot haar broer:
"Neen Tony, als ik niet zoo gauw geschreeuwd had en Kebon niet
bijtijds gekomen was, dan had die oeder ons stellig gebeten."
"Weet je wat, kinderen," zegt Mama, "kibbel nu maar niet
daarover, doch bedank Onzen Lieven Heer, dat Hij u van een groot gevaar
heeft gered."
En zoo deden zij het ook en Mama dankte zeker het hartelijkst den goeden
God omdat haar lievelingen gespaard waren.