[138:] 18 October 1901. (VIII.)
't Kan in 't leven soms toegaan of alles er op is toegelegd onze
levenskracht te breken. Alles komt te zamen, onweer en stormen breken
met donderend geweld over ons los, 't woeden der orkanen schijnt te
zeggen: "neer, gij nietig mensch neer in 't stof!" Alleen
sterken van hart en geest vermogen zich staande te houden in zulk
een storm, weerstand te bieden aan de wreedheid en hardheid van wereldmachten.
't Komt mij voor dat juist zij, wier hart en geest sterk zijn, 't
meest bezocht worden door datgene, dat men Noodlot heet! Foei wat
ben ik somber, dat komt zeker doordat ik in den laatsten tijd zooveel
ellendigs heb gezien en doorleefd. O! nietig wurmpje, dat ik ben,
dat al siddert en beeft, als 't de roe nauwelijks op zich voelt neerkomen;
hoe wil ik toch troosten en opbeuren ?
U mag mijn land niet verlaten vóór we u nog eens hebben
weergezien, en vóór. . . vóór u uw drietal
gelukkig weet...... wij werkelijk een overwinning hebben behaald over
datgene, dat ons laag bij den grond wil houden, en van ons stomme,
ziel-looze voorwerpen wil maken, Maar dat zullen ze niet kunnen. Zij
kunnen uwe meisjes breken, maar buigen niet. Met uw beider steun zullen,
moeten wij er komen!
Daar zijn drie jonge harten, die u warm tegenkloppen, harten die u
aan het uwe heeft gehecht, die harten vertrouwen zich aan u toe! U
zult ze nooit verlaten, nooit nietwaar? al wordt de afstand, die ons
inderdaad van elkaar scheidt ook nog zoo groot, dat de snelste stoomer
nog weken er voor noodig heeft om hem te overbruggen. Aan dien tijd,
die eenmaal komen zal, denken wij 't liefst niet. Wij kunnen dat idee
niet uitstaan, dat u ook eens onbereikbaar ver van ons zal zijn. Roekmini
en Kleintje hebben besloten om géén nieuwe banden meer
aan te knoopen; na u willen zij niemand meer liefhebben. Mijn dwaze
meiskens, wat weet men toch vooruit te zeggen, over onze harten te
beschikken? Liefde en sympathie komen ongeroepen, leggen 't arme harte
vast, zonder te vragen of 't gewenscht is of niet.