HOOFDSTUK V.
In den eenen hoek
van de schoolkamer had Johan zijn kastje met speelgoed staan; zijn stal,
waarin houten paardjes stonden en een soort van wagenkamer, waarin hij
zijn rijtuigen bewaarde. De andere hoek was voor Mimi en haar poppen
bestemd; zij had er verscheidene, groote en kleine, mooie en leelijke.
Eenige waren als deftige dames gekleed met sleepjaponnen, anderen hadden
het oostersch négligé, de sarong kabaya aan, kleine meisjes
waren in baadjes gekleed, een zag er zelfs uit als een hollandsch bakerkindje.
Mimi had heel veel orde op haar zaken; terwijl de
[30:]
afdeeling van Johan
er altijd even slordig en rommelachtig uitzag, was alles bij haar netjes
en keurig gerangschikt.
"Nu, daarvoor is zij ook een meisje," antwoordde Johan, als
iemand hem op dit verschil opmerkzaam maakte.
Haar poppenledikantje met de fijne, witte gordijnen bevond zich tegenover
het bruin geverfde kastje, waarop een kleine pendule en twee vaasjes
stonden, welke zij dagelijks met versche bloemen vulde; eenige poppenstoeltjes
waren gerangschikt om een klein tafeltje, dat een klein serviesje droeg;
een kookfornuisje met blinkende potjes en pannen stond achter een gordijn:
in een woord, het was er alles even keurig en netjes.
"Bij Jo lijkt het wel een karbouwenstal," zeide zij minachtend
en wilde nooit toestaan, dat haar poppen bij hem op visite kwamen.
Het regende buiten heel erg en 't was Zondagmiddag: de kinderen hadden
dus vrij van leeren. Mimi was bezig een van haar poppen aan te kleeden
en Jo was met Mingoe aan het tollen. 't Ging vrij wild toe en Mimi zeide
bits:
"Ik wou, dat je onder de galerij ging spelen; mijn Clara is niet
wel en wil wat slapen."
[31:]
"Dat zal Cara
niet hinderen, als wij tollen, zij heeft toch maar porseleinen ooren,"
antwoordde Johan.
"In plaats van nu met mij te spelen, ben je weer met dien naren
javaanschen jongen bezig," pruttelde Mimi.
"Och wat, jij kunt niet eens tollen."
"Neen, dat kan ik ook niet en ik wil 't ook niet kennen, maar ik
wou zoo graag keukentje spelen!"
Jo's oogen schitterden.
"Hè ja, dat is wel aardig!"
"Omdat jij den boel wilt opeten, niet? Maar je moet mij helpen
koken, vóór dat je mee mag eten! Mingoe, haal je mij wat
areng [Houtskolen.], wil je?"
Daar was Mingoe dadelijk toe bereid; en als een echt klein vrouwtje
begon Mimi al haar benoodigdheden voor den dag te halen. Zij had een
keukenkastje met laadjes er in, waarop etiquettes geplakt waren, die
vermeldden wat in elk laadje bewaard werd: suiker, meel, notemuskaat,
kaneel, kruidnagelen, gort, puddingpoeder, rozijnen, krenten enz. enz.
Het kookfornuis werd aangemaakt en brandde spoedig, dat het een lust
was; de jongens hadden het gedaan.
"Wat
zullen we nu maken?" vroeg Mimi.
[32:]
"Poffertjes!"
riep Johan uit.
"O neen, dat is veel te lastig, daar moet ik eieren bij hebben,
en mama slaapt, dus kan ik ze niet vragen."
"Blanc-manger!" [Een Franschen naam voor een soort pudding.]
"Die moet blijven staan om koud te worden en dan duurt het te lang.
Weet je wat, ik zal pannekoeken bakken met krenten er in."
"Neen, dat smaakt niet, maak liever een pudding!"
"Och wat, met je pudding! Een pudding daar heeft men niets mee
te doen; die zet men maar op. Pannekoeken worden gebakken."
"Maar dan geen krenten er in!"
Mimi gaf toe, zij maakte het beslag en Johan en Mingoe moesten alles
aandragen. In het begin ging alles goed, totdat zij begon te bakken,
want een volleerde kookster was onze Mimi nog niet. Het beslag zat te
vast aan de pan en de pannekoek wilde er in zijn geheel niet uit. Mimi
werd er knorrig door, te meer daar de jongens er op zaten te vlassen
en telkens als er een schraapje los kwam begeerig de handen uitstaken,
om er iets van machtig te worden.
"Neen, zoo kan ik niet bakken, als jullie onophou
[33:]
delijk om mij heen
zit te zaniken," zeide zij knorrig.
"Och kom!" plaagde Johan, "je kent het toch niet! Toen
je ons noodig had, waren wij goed genoeg en nu kan je ons missen!"
Mimi kreeg een kleur van de warmte en van de teleurstelling, maar hoe
zij ook haar best deed, de pannekoeken wilden niet lukken. De jongens
lachten haar een beetje uit, maar toch niet heel erg; doch eindelijk
werd Mimi zoo kwaad, dat zij het beslag nam en dat in den stal van Johan
wierp.
"Daar, nu kunnen je beesten het eten," zeide zij en begon
haar fornuis schoon te maken.
Ongelukkig had juist het mooiste paardje van Johan, een zwart dier met
echt haar, 't meest door het meel geleden. Dit was genoeg om zijn ongelukkige
drift, die hij in de laatste dagen zoo goed bedwongen had, weer te doen
ontvlammen. Hij sprong op, liep naar Mimi's hoekje en gooide alles omver
en zou misschien nog een paar poppen gebroken hebben, als het meisje
zich niet huilend voor hem had geworpen, terwijl Mingoe hem tot bedaren
trachtte te brengen.
Maar hij was een kleine wildeman, niets kon hem meer schelen, en tot
overmaat van ongeluk gaf hij zijn zusje, terwijl zij hem trachtte tegen
te houden, een duw tegen het oog. Luid schreeuwende, alsof zij ver
[34:]
moord werd, liep
Mimi weg, om aan mama haar nood te klagen.
Mevrouw zat in haar kamer te lezen; zij was niet heel wel, anders liet
zij de kinderen nooit zonder opzicht spelen. Verschrikt sprong zij op,
toen zij het luide gegil van Mimi hoorde en daar tusschenin de booze
stem van Johan.
"Kinderen," riep zij angstig, "wat is er toch weer?"
Mimi kwam met de hand tegen het oog gedrukt schreiende aanloopen.
"Johan heeft mij een oog uitgestooten."
Meer dood dan levend van schrik bracht mevrouw haar dochtertje naar
haar slaapkamer, doopte een handdoek in het water en bette het oog,
waaraan niets ontbrak.
Ondertusschen was ook mijnheer Van Schermen wakker geworden; zijn vrouw
bracht hem met een paar woorden op de hoogte en hij ging Johan opzoeken.
't Was een echt tooneel van verwoesting in de kinderkamer. Het fornuis
lag onderste boven, de vloer was bedekt met het gestorte beslag, een
pop lag met een gebroken hoofd, een van de vaasjes was van het kastje
stuk gevallen: het scheen, of een dronken man daar bezig was geweest
en 't ergste van alles was Johan,
[35:]
die op den grond
lag te spartelen, blauw van drift, terwijl Mingoe hem tevergeefs trachtte
te kalmeeren.
"Ajo Njo ajo!" ["Kom, jongeheer, kom!"] zeide hij
vriendelijk, maar 't hielp niets, en toen de vader binnenkwam, werd
het gehuil van het kind nog sterker.
Johan werd ernstig gestraft; hij moest dien avond op water en brood
zitten achter in de pendoppo en mocht zich niet kleeden. Maar ook Mimi
ontging haar verdiende straf niet. Zij mocht dien middag niet met mama
mee gaan toeren en naar de muziek luisteren, die op de Passeerbaan [Grootplein
in Semarang.] gespeeld werd; zij moest in de voorgalerij blijven zitten
en mama bracht haar onder het oog, hoe zij door haar plaagzucht de oorzaak
was geworden van de driftige bui van haar broertje.
't Hardste viel het Mimi echter. dat een harer poppen gebroken en haar
heele kamertje in wanorde was; dit kon zij maar niet zoo spoedig vergeten.
's Avonds bij het naar bed gaan riep mevrouw Van Schermen haar beide
kinderen bij zich.
"Je bent beiden zeer ondeugend geweest," sprak zij.
"Johan heeft weer toegegeven aan zijn afschuwelijke drift, maar
Mimi is er aanleiding toe geweest, en nu heb je elkanders goed moedwillig
bedorven. Mimi's pop is gebroken . . . . . . ."
[36:]
"Maar mijn
paard!" snikte Johan.
"Zeker, dat is heel jammer en 't is leelijk van Mimi geweest, dat
zij je paard bedorven heeft, maar dat gaf je geen recht om wraak te
nemen. Wraak is heel leelijk, dat weet je wel Johan! Je had mij bovendien
beloofd, dat je voortaan je best zou doen, om die booze buien te overwinnen.
. . . . . . " "Ja, maar waarom plaagt zij mij dan!"
"Jij lachte mij 't eerst uit."
"Stil kinderen! stil! Je bent hier niet om te kibbelen, maar om
elkander te vergeven. We zullen niet vragen, wie 't eerste en het meeste
schuld heeft; maar wel wat elk van plan is te doen, om het kwaad, dat
hij gedaan heeft, goed te maken. Johan, je hebt de meeste schuld, je
hebt je zusje pijn en groot verdriet gedaan en je ouders ook: wat ga
je nu beginnen!"
Johan zag zijn moeder even met zijn heldere oogen aan en zeide toen:
"Ik zal uit mijn spaarpot een nieuwe pop voor Mimi koopen en ik
zal Sidin vragen het vaasje te lijmen."
"Heel best, mijn jongen! En Mimi?"
Mimi keerde haar hoofdje om, stak den vinger tusschen de lipjes en eindelijk,
eindelijk kwam het er met moeite uit:
"Ik zal morgen zijn paardje schoonmaken."
[37:]
"Nu, dat is
ook goed! Geeft mekaar nu een kus en belooft mij, dat je nooit meer
elkander zoo zult plagen."
Dit werd gedaan en na haar kinderen te bed te hebben gelegd, keerde
mevrouw Van Schermen terug naar haar man, die in de voorgalerij zat.
"Er zal toch niets aan te doen zijn, Marie," sprak hij. "Onze
Jo moet naar Holland. Er komt hier niets van hem terecht."