HOOFDSTUK IV.
't Was waar, wat
Mimi vertelde. Toch was het leelijk van haar, dat zij afluisterde wat
haar ouders samen spraken, ten minste dat zij dit oververtelde, want
zij kon 't misschien niet helpen, dat zij het gesprek gehoord had.
"Neen, vrouw" had de heer Van Schermen gezegd, "'t gaat
niet meer zoo met onzen Johan. Hij wordt hoe langer hoe inlandscher.
Hij heeft niet het minste plezier in leeren, zijn grootste genot is
met de Javanen om te gaan en hij leert allerlei leelijke dingen van
hen."
Mevrouw zuchtte.
"Och, Willem, hij is nog zoo klein!"
[24:]
"Neen, zoo
heel klein is hij niet meer. Reeds negen jaar en je weet, een boompje
dat niet jong gebogen is, groeit licht krom. Hij krijgt hier zulke echte
javaansche neigingen en zoolang hij hier blijft, geloof ik niet, dat
wij hem zullen verbeteren."
"Maar wanneer wij hem dan hier naar school zonden?"
"Dat zou nog niet helpen, Marie. 's Middags en 's morgens blijft
hij toch in dezelfde omgeving. 't Wordt hoe langer hoe erger met hem;
er is maar één middel dat hem geheel kan genezen."
"En welk is dat middel dan?"
"Hem naar Holland zenden!"
"O Willem, dat zou toch te hard zijn! Wij hebben immers zelf plan
over twee jaar naar Holland te gaan. Kunnen we dan niet zoolang wachten?"
"Vrouwtjelief! Je weet, van die twee jaar komen er licht vier of
vijf en tegen dien tijd kan onze Jo al zooveel leelijks aangeleerd hebben."
"Ja, verstandig is 't zeker; maar zoo hard, o zoo hard!"
"Is 't niet harder, hem te zien bederven door den gestadigen omgang
met die inlanders? met Mimi is 't heel anders, die houdt zich op een
afstand van hen, maar Jo heeft zulke javaansche neigingen. Hij
[25:]
betreurt het, geloof
ik, dat hij een Hollander is!"
"Ach Willem, laten wij er eerst ernstig over nadenken; 't hoeft
immers nog niet dadelijk beslist te worden?"
"Neen, zeker niet! 't Is geen zaak, die vandaag of morgen moet
gebeuren. Wij kunnen er ons nog eerst op beslapen!"
Dit was het gesprek, dat Mimi afgeluisterd had en waarvan zij het voornaamste
aan haar broertje oververtelde.
Johan kreeg er een heiIzamen schrik door; hij werkte dien middag heel
vlijtig, want er waren weinig dingen, waarvoor hij zoo bang was, als
om alleen naar Holland gezonden te worden.
Daar woonde zijn grootmama Van Schermen met haar beide dochters, zijn
tantes; en hij vond, naar haar portretten te oordeelen, dat die er erg
streng uitzagen.
Toen papa om half vier naar zijn werk kwam kijken, was hij vrij tevreden
en na Johan nog eens goed het verkeerde van zijn handelwijze onder het
oog te hebben gebracht, kreeg deze verlof te gaan spelen.
Maar 't pleizier van het spelen was er voor hem af. Hij kon het maar
niet vergeten, wat Mimi hem verteld had. Dat hij naar Holland moest,
vond hij toch al te hard. Dien middag bleef hij in de schoolkamer
[26:]
zitten tot groote
verwondering zijner moeder, die hem tegen half vijf riep, om zich te
gaan baden.
Het is op Java de gewoonte, dat men tegen een uur of vijf, als de grootste
hitte van den dag voorbij is, zich gaat baden en dan aankleeden. Anders
was 't altijd moeilijk, Johan tot baden te krijgen: hij stoeide en ravotte
dan op het groote erf, in den klappertuin of in de bijgebouwen of speelde
met zijn beesten, zijn vlieger, of wagentjes; nu zat hij echter heel
stil met zijn knikkers in de schoolkamers.
"Wat scheel je " vroeg de al te bezorgde moeder; "je
hebt toch geen hoofdpijn, Jo? Dat zou heel goed mogelijk zijn, door
dat loop en met je bloote hoofd in de zon!"
"Neen, maatje, neen!" en eensklaps sloeg hij de armen om zijn
moeders hals en snikte: "Och maatje! Wees niet boos op mij en zend
me niet weg!"
"Je wegzenden, jongenlief en waarheen?"
"Naar Holland."
Mevrouw schrikte en vroeg:
"Hoe kom je daaraan, Johan? Wie heeft je dat gezegd?"
"Mimi."
"Zoo'n luistervink! Nu, 't is waar, Johan, je pa denkt er stellig
over, je naar Holland te zenden. En
[27:]
weet je waarom?
Omdat je zoo slecht leert en veel liever met Javanen omgaat dan met
je Hollandsche vriendjes."
"Ja ma, dat is waar! Ik houd veel meer van Mingoe dan van Henri
Jansen: die is zoo erg stil en altijd bang, dat hij zijn kleeren vuil
maakt. En Philip is zoo wild, die slaat me altijd. Wanneer Gusje nu
maar wat grooter was. . . . . . . ."
"En je zusje dan?"
"Hè foei, meisjes, die zijn zoo flauw!"
Mevrouw lachte.
"Weet je wel Jo, dat je ma ook een meisje is geweest?"
"Maar dan toch zeker een heel lief meisje."
En hij kuste zijn moeder hartelijk.
"Nu beste jongen," ging mevrouw voort, "wij zouden het
ook heel naar vinden, je weg te moeten zenden, maar als je zoo voortgaat,
is er niets aan te doen. Je kibbelt altijd met Mimi!'
"Ja, Mimi, maar u moest ook weten, Mimi is zoo. . . . . . . zoo.
. . . . .
"Zeker, Mimi heeft ook haar gebreken, maar Mimi is je zusje! 't
Voornaamste is, dat je zoo weinig lust in leeren hebt en zoo gaarne
precies doet als de Javanen. Alerlei snoeperijen eten, op bloote voeten
loopen,
[28:]
wajangs [Chineesche
schimmen.] en topengs naloopen, op de baleh-baleh [Javaansche rustbank.]
en de matten zitten met de bedienden en den heelen dag niets uitvoeren
dan spelen."
"Ja, dat doe ik allemaal heel graag!" zuchtte Johan.
"Maar dit hoort niet voor een Hollandschen jongen! Je mag gerust
spelen en ravotten, als je werk gedaan is; ik zou niet eens graag zien,
dat je zoo bedaard en nuffig was als Henri; maar dat is heel wat anders
dan je te gedragen als een wildeman. Want Jo-lief, dat is 't ergste,
je javaansche kuren of adat dwaja, dat schreeuwen en stampen en naar
geen rede luisteren als je iets niet bevalt, dat maakt mij veel ongeruster
dan je luiheid en wildheid."
Jo luisterde aandachtig naar de lessen zijner moeder; hij voelde nu
op 't oogenblik werkelijk, dat zijn gedrag veel te wenschen overliet
en hij zou niets liever gewild hebben dan zijn ouders nooit meer verdriet
aan te doen.
"Beloof je mij dan, lieve jongen, je te verzetten tegen die aanvallen
van drift? O, je weet niet, hoeveel ellende een driftig mensch kan veroorzaken;
hij is even gevaarlijk als een razende gek, want hij is tot alles in
staat, zelfs tot moord! Zal je dus je best doen, je te verbeteren?"
[29:]
"Ja maatje!
Ik beloof 't u!"
"En zal je niet halve dagen bij Sidin of den koetsier in de kamer
zitten? Sidin is een fatsoenlijke jongen en Sarila een goede, nette
vrouw; je mag gerust met hen spelen, maar je moet nooit vergeten, dat
je plaats niet is bij hen in de bijgebouwen, maar hier vóór,
bij ons!"
Johan deed de mooiste beloften en werkelijk: hij zou nu niets liever
wenschen, dan ze steeds te volbrengen.