HOOFDSTUK II.
Johan's booze bui was niet bestand geweest tegen de vriendelijke woorden van Sidin, die hem naar de stallen bracht, op den mooien appelschimmel, Papa's rijpaard, liet zitten en hem daarna een handvol padi [Ongebolsterde rijst.] gaf, om daarmede de kippen en duiven te voeren. Het duurde niet lang of Jo lachte hartelijk, toen de dieren de korrels rijst tot bij zijn voeten kwamen oppikken en de duiven en musschen heel brutaal vlak onder den staart van den grooten haan de korreltjes durfden wegstelen. Dan werd de haan wel kwaad en zette een hooge borst op, maar de brutale dieren waren reeds weggevlogen. Toen de dieren gevoederd waren, bracht Sidin zijn jongen meester naar zijn eigen kamer, waar
[10:]
Sarila, zijn vrouw,
op een matje zat te naaien. Zoodra Sinjo kwam haalde zij koekjes voor
den dag en Jo at ze met den grootsten smaak op.
Ondertusschen had hij veel pleizier in het kooitje met houtduiven, dat
onder de galerij vóór Sidin's kamer hing. Hij deed allerlei
vragen, terwijl Sidin een vlieger voor hem maakte, en eindelijk zeide
hij met een zucht:
"Ik wou, dat ik geen sinjo was, maar jouw kind, Sidin."
"Maar Sinjo," riepen man en vrouw, "hoe kan je dat meenen?
Een blanke is toch veel meer dan een Javaan."
"O neen, ik vind het zoo naar, een hollandsch kind te zijn. Ik
zou zoo graag den heelen dag op bloote voeten loopen en geen buisje
aan hebben, maar alleen een sarong. En javaansche kinderen behoeven
niet te leeren - o Sidin, als je wist hoe vervelend dat leeren was -
en dan kon ik altijd met de dieren zijn. Ik wou dat ik Mingoe was en
niet sinjo Johan."
De bedienden sloegen de handen in elkander, ze konden zulk een smaak
maar niet begrijpen.
"En dan moet ik 's middags met Mama gaan toeren," hernam het
ventje, "en zoo deftig naast zus Mimi zitten. En Mimi is zoo valsch;
ik houd veel
[12:]
meer van kleine
Gusje, maar die is nog zoo klein, die praat nog niet en kan nog niet
alleen loopen. Ik kan dus niet met hem spelen. O, ik zou 't zoo prettig
vinden den heelen dag buiten te zijn en vliegers oplaten, en tollen,
en vogels vangen, en alleen 's middags met de tali-api (vuurtouw) te
zitten wachten. Ik zou al mijn speelgoed willen geven, wanneer ik eens
naar hartelust kon spelen en niet bang behoefde te zijn voor straf."
"Mingoe krijgt ook wel dikwijls slaag, als hij niet oppast,"
merkte Sarila op.
"O," antwoordde Johan, "ik heb liever slaag dan regels
schrijven en Fransche werkwoorden vervoegen. Je weet niet wat een werkwoord
is, Sidin? Wil je 't eens hooren? Zeg mij dan eens na: J'ai, tu as,
il a; nous avons, vous avez, ils ils. . . . . .ja, dat weet ik niet
meer wat het is."
"Maar jongeheer: Djé, toea. . . . . ik versta dat niet,
wat is dat, is dat een geluid?"
"Neen, 't is een werkwoord! Och, wat ben je gelukkig, Sidin, dat
je niet eens weet, wat een werkwoord is. En dat rekenen en de tafel
van vermenigvuldiging, o, dat is toch zoo vervelend. Weet jij hoeveel
acht maal zeven is?"
De Javaan dacht even na.
[13:]
"Jawel, dat
is zes en vijftig."
"Wie heeft je dat geleerd, Sidin?"
"Niemand, dat weet ik!"
"Maar dan ben je toch erg knap. Ik heb dat twintig keer moeten
opschrijven, voor ik 't onthouden kon en nu nog vergeet ik het telkens.
Als ik Javaan was, zou ik dat dan ook weten zonder te leeren? En aardrijkskunde,
daar weet jij ook niets van. Mimi kan het zoo goed, maar ik houd er
niets van."
"Maar jongeheer," zeide Sarila, "als u Javaan was, zou
u heel andere ouders hebben. Geen mooie njonja [Dame.] als mevrouw Van
Schermen zou uw mama zijn, maar een vrouw als Sarila of als Mah Mingoe!"
Nu keek Johan een beetje zuinig. Dat vond hij toch al te kras: zijn
mooie, bleeke mama en zoo'n bruine leelijke vrouw als Mingoe's moeder,
dat verschil was toch wat te groot. Hij had echter niet veel tijd hierover
na te denken; daar hoorde men op het achtererf, dat door den klappertuin
van de bijgebouwen gescheiden was, de klanken van javaansche muziek.
"Topeng, topeng!" riepen de javaansche bedienden en allen,
groot en klein, lieten hun werk in den steek en zetten het op een loopen
naar achteren. Jongeheer
[14:]
Johan aan het hoofd
van den troep; inderhaast vergat hij zijn slofjes en liep op zijn bloote
voeten evenals de andere javaansche kinderen.
Wat was nu die topeng, welke zoo veel opschudding maakte onder de bedienden,
en vooral onder hun kinderen? Niets anders dan een troep rondreizende
muzikanten en dansers, die met gedrochtelijke maskers voor het gezicht
allerlei dansen uitvoerden op de maat der javaansche muziekinstrumenten.
Evenals hier in Holland de poppenkast, brengen zulke straatvertooningen
de groote en kleine kinderen in opgewondenheid. De tuinman, die achter
in den klappertuin een huisje bewoonde, riep de kunstenmakers aan en
liet hen voor een paar centen hun spel vertoonen. Sinjo Johan stond
in de voorste rij; met glinsterende oogen, zijn handjes op den rug,
luisterde hij naar de afschuwelijke wanklanken, die uit de keelen der
vertooners opstegen en die zingen moesten verbeelden. Hij vond dat veel
mooier dan het pianospel, zijner ouders, die soms uren lang quatre-mains
speelden en vol verveling dacht hij er aan, dat hij het volgende jaar
met zijn verjaardag moest gaan leeren vioolspelen. Als het nu nog op
de anklong of de remba (javaansche muziekinstrumenten) was, dan zou
hij er gaarne een paar uurtjes voor hebben overgehad; maar
[15:]
de viool en bij
dien langen mageren mijnheer met zijn spitsen neus, Mimi's meester,
bah! hij werd er ziek van als hij er aan dacht. Maar nu was hij een
en al oog en oor voor de leelijke grimassen en het akelige schreeuwen
der gemaskerden, hij gierde het uit van pret als deze elkander met hun
slendangs (shawls) om de ooren sloegen. Doch de angst sloeg hem een
beetje om het hart, toen ook de barongan verscheen.
Wat de barongan is, zult gij natuurlijk niet weten, maar 't is iets,
waarop de Javanen verzot zijn, namelijk een reusachtige pop, die door
een daarbinnen verscholen man in beweging wordt gebracht; het gezicht
van de pop is afgrijselijk leelijk en heel groot. Door de bewegingen
van den kunstenmaker buigt de barongan zich in tweeën of loopt
de toeschouwers na; dan was 't een geschreeuw en gejubel onder het jonge
volkje, dat hoor en en zien er van verging. Jo was wel een klein beetje
bang, maar toch niet heel veel; hij liep schaterlachend weg, maar dat
was meer voor de pret dan omdat hij werkelijk bang was voor dat monster.
Dan hoorde hij in de verte roepen.
"Jo, Jo! waar ben je, kom toch gauw binnen!" en in de verte
zag hij het witte baaitje van zijn zusje Mimi, die tot aan 't begin
van den klappertuin was doorgeloopen.
[16:]
Mimi hield niets
van topengs en barongans; zij vond niets zoo prettig dan eens naar heusche
muziek te luisteren,
"Jo, Jo, Pa is t'huis gekomen en ik moet je roepen!" riep
zij.
Dat hielp; het spel was trouwens zoo goed als uit en heel langzaam keerde
ons ventje zich om en wandelde vrij wat trager dan hij gekomen was naar
zijn zusje.
Hij dacht er niet aan, dat hij op bloote voeten liep; maar Mimi zag
het dadelijk.
"O Jo, op bloote voeten door den klappertuin! Ben je niet bang
voor slangen en voor doornige planten?" vroeg zij.
"Bah, wat kan mij dat schelen! Javanen loopen ook zoo!"
"O ja, maar jij bent geen Javaan!"
"Ik wou, dat ik het was."
"Dat moest Pa eens hooren! Pa is zoo boos op je, zoo boos!"
Dit vermeerderde Jo's ijver niet en 't was dus heel langzaam en lusteloos
dat hij, na eerst zijn slofjes ergens opgedoken te hebben zijn zusje
volgde naar het hoofdgebouw.