[3:] HOOFDSTUK I.
"Jo, Jo, wat
maak je je toch weer driftig!" riep mevrouw Van Schermen tot haar
oudste zoontje Johan, wiens huilende scherpe stem uit de verte tot haar
doordrong.
Mevrouw Van Schermen wooonde op Samarang, een der grootste steden van
het eiland Java; het huis dat zij bewoonde, lag in een voorstad, Bodjong
genaamd, en was zeer groot. Van alle kanten werd het omringd door een
tuin met vele hooge boomen; aan de achterzijde strekte zich nog een
zeer groot veld uit, met slanke kokospalmen beplant.
Johan speelde in de groote pendoppo, - een vierkante zaal aan het hoofdgebouw
grenzend, die de familie tot huis- en eetkamer diende - met zijn zusje
Mimi en een javaansch jongetje, Mingoe genaamd.
Zijn mama zat in een der kamers te schrijven; zij kon haar kinderen
niet zien, maar hoorde dat Jo volgens zijn gewoonte den baas speelde
over zijn kameraadjes.
[4:]
"Och Ma,"
riep Mimi, "Jo plaagt onze kleine geit zoo. Hij wil haar voor zijn
tram spannen."
"Nu ja, waarvoor dienen geiten ook anders, dan om voor paard te
spelen?" zei Johan knorrig; "meisjes moeten zich ook altijd
met alles bemoeien, en weten eigenlijk niets. Laat spoedig los, Mimi,
of je krijgt ook met de zweep en jij Mingoe, houd 't beest bij den kop
vast."
Mevrouw Van Schermen zuchtte even, legde haar pen neer en zocht de spelende
kinderen op; het kleine geitje begon juist erbarmelijk te blaten en
Mimi riep half huilend:
"Och Jo, kassian [Een uitroep van medelijden.] dat dier!"
Maar toen hij zijn moeder zag, riep Jo:
"Maatje, maatje, die Mimi is zoo valsch!"
De javaansche jongen stond met een dommen lach het tegenspartelend dier
en den kleinen tramwagen aan te zien en zeide leuk in 't maleisch:
"'t Zal toch niet gaan, jongeheer!"
"Maar lieve Jo," zeide mevrouw Van Schermen, "dat beestje
is nog zoo klein; 't is nog niet gedresseerd. Je weet dat de koetsier
onze paarden ook niet dadelijk voor het rijtuig spant. Heb maar een
beetje geduld en
[5:]
plaag het dier niet.
Laat het wat buiten spelen!"
't Gezicht van het negenjarig knaapje stond rood van opgewondenheid
en hij wilde nog maar niet toegeven.
"Als Brebis ouder wordt, dan zal zij mijn tram heelemaal ondersteboven
gooien; ik moet er nu mee beginnen, nu zij nog zoo klein is. Ik wil
haar dresseeren en 't zou ook wel gaan, als die akelige Mimi en Mingoe
maar niet zoo raar deden. Ze doen 't maar om mij te plagen. . . . .
. "
Zijn gezicht begon zich te vertrekken en zijn stem klonk erg huilerig,
tot hij in eens tegen het wagentje schopte, zoodat het eenige stappen
verder omviel en de geit, gebruik makende van deze vrijheid, wegsprong;
waarna Johan huilend met zijn gezicht tegen den muur ging staan.
"Ik wil er niets meer van weten, niets, niets!" griende hij.
"Ze plagen mij toch maar en dat heet nu dat ze met mij spelen."
"Flauwe jongen," zeide Mimi en begon hem na te doen, terwijl
Mingoe het wagentje heel kalmpjes opnam en een paar stukjes, die los
gegaan waren, bijeenraapte en weer op hun plaats trachtte te brengen.
"Stil Mimi," beval mevrouw Van Schermen, "ik merk wel,
dat je ook schuld hebt. Je plaagt je broertje
[6:]
en je weet nu eenmaal,
dat Jo niet veel verdragen kan. Ik heb julie een vrijen morgen gegeven
en nu zie ik wel dat het niets geeft, 't is maar kibbelen en vechten.
Kom met mij mee en maak je Fransche werkwoord af! Mingoe, ga naar achteren
en help Sidin de messen slijpen. En jij Jo. . . . . . . ." Zij
nam den jongen bij den schouder, maar Jo begon nog harder te schreeuwen,
op den grond te stampen en een vreeselijk geweld te maken.
Mevrouw Van Schermen, die niet zeer sterk was, werd doodsbleek en begon
erg te beven, en in plaats van haar moederlijk gezag te doen gelden,
besloot zij te bidden en te smeeken.
"Kom Jo, lieve Jo!" zeide zij, "ga met mij mee. Huil
toch zoo niet. 't Is of je een javaansch kind bent, zoo stel je je aan!
Wat zal Pa zeggen, als hij thuis komt?"
Maar Jo wou van niets hooren; en nu begon mevrouw te dreigen.
"Jo, spoedig, houd op met dat huilen; ik zal je in de donkere kamer
stoppen, als je je niet stilhoudt."
"Tjies, tjies!" riep Mimi op een afstand met haar wijsvingers
over elkander strijkende. "Zoo'n groote jongen maakt een spektakel
als een baji." [Klein kind.]
"Houd je stil, Mimi," gebood mevrouw Van Scher
[7:]
mer, "je weet
dat je broertje heel driftig is, maar je sart en plaagt hem ook altijd.
Waarom hem niet met dat geitje laten spelen?"
"Ik had zoo'n kassian met dat beest."
"Och wat, jij kunt ook wel plagen, als je het in den zin hebt:
't is niet om dat geitje, 't is alleen om je broertje tegen te werken.
Begin maar gauw met je Fransche werk en Johan moet maar stil daar blijven
pruilen tot Pa t'huis komt, dan weet hij, wat hem wacht."
Mevrouw ging, gevolgd door Mimi, die met looden schoenen meekwam, weer
terug naar haar schrijftafel, gaf het meisje haar taak op en trachtte
te schrijven, maar haar aandacht werd telkens afgeleid door het gejammer
van Jo, die steeds op denzelfden toon zijn verdriet uitschreeuwde.
"Ach Jo, lieve Jo," riep zij uit, "hoe kan je nu Ma zoo'n
verdriet doen? Houd je maar stil, kom hier! Ma zal je een koekje geven!"
Mevrouw Van Schermen was ziekelijk en zenuwachtig, anders zou zij nooit
haar kleinen jongen, die de strengste straf verdiende, gevleid hebben
met een belooning, waarop hij volstrekt geen recht had.
Dat koekje kon echter Johan ook al niet bekoren; hij begon hoe langer
hoe harder en vervelender te
[8:]
dreinen, totdat
Sidin de huisjongen, een forsche Javaan met een goedig gezicht, die
de geslepen messen en het gepoetste zilvergoed van de bijgebouwen in
de pendoppo kwam brengen, het gehuil van het ventje hoorde.
"Wat is er toch, sinjo?" [Jongeheer.] vroeg hij en naderde
den kleinen jongen. "Kom, wil sinjo naar achteren gaan met Sidin
en de duifjes eten geven?"
Er kwam geen antwoord; maar Sidin stoorde zich daar niet aan, nam het
schreeuwend jongetje in de armen en droeg hem weg. Mevrouw Van Schermen
slaakte een zucht van verlichting, maar Mimi zeide spottend:
"Die Johan, wordt toch zoo'n echte sinjo blakang." [Jongeheer
uit het bediendenkwartier.]
"Maar ik wou, dat Mimietje verstandiger met haar broertje omging,"
vermaande mevrouw Van Schermen, "je weet dat Jo, als hij zulke
buien heeft, alléen door Papa te regeeren is en dat het mama
altijd hoofdpijn bezorgt. Waarom ga je dan ook niet vriendelijker met
hem om? Jij bent een meisje en ouder dan Jo, dus moet je aardig en toegevend
zijn, dat is de plicht van de meisjes."
Mimi trok haar neusje op.
[9:]
"Och, die
Jo is zoo'n nare vent."
"Dat moet je niet zeggen, Jo is een lief kereltje als hij niet
driftig is en hij heeft een goed hart, ik geloof zelfs beter dan Mimi.
Maar jij tart hem zoolang, totdat hij boos wordt en dan weet ik er geen
raad mee. Gelukkig, dat Sidin hem nu meegenomen heeft naar den stal
en naar de vogels."