doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Louise B.B.: Janneke de Pionierster
Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1914
(eerste dr. 1904)


[199:]

XI.

Den volgenden morgen reeds in de vroegte, daverden de bergen van het mail schot, groot gefladder brengend onder mijn wegvliegende duiven, mijn kakelende kippen. Twee uur later, het was even na het ontbijt, nam ik bij het pad dat naar beneden voerde, afscheid van Johnstone. Het was algemeene vacantiedag, want de heeren zouden den chef niet alleen vergezellen tot aan het strand, maar met hem medegaan aan boord, daar de afscheidslunch gebruiken en eerst laat, tegen het avondeten, thuiskomen. Ik bleef, om voor het gebruikelIjke maildagonthaal te zorgen. Johnstone nam een hoffelijk afscheid van mij: "Dear Mrs. Van Offenberg, ik wensch u alle goeds toe. . . . .! En wat ik nog zeggen wilde. . . .. er zal denkelijk met deze en een paar volgende mailbooten nog consumpties voor mij aangevoerd worden, vruchten en versch gevogelte en meer van die dingen. Ik heb orde gegeven ze bij u te laten bezorgen, u wilt ze wel gebruiken, niet waar, ten algemeenen nutte of voor uwe zieken, beneden?"
"Als het legaat van Mr. Johnstone!" lachte ik terug: "Ik dank u vriendelijk, uit naam van blank en bruin te Rameleh!" En ik nam een hartelijk afscheid

[200:]

van hem. Mijn geweten plaagde mij, ik had hem altijd een naren, norschen, achterbakschen man gevonden en eigenlijk had ik daar geen reden toe! Voor mij was hij, van den eersten schrik bekomen een dame te zien landen op Rameleh, steeds een hoffelijke gast of gastheer geweest. "Werkelijk een gentleman!" dacht ik, terwijl ik hem nog eens toewuifde naar beneden.
Daarna richtte ik mijn oogen naar zijn huis, zou daar niemand meer uitkomen om met hem mede te gaan? Ik wachtte te vergeefs! Doch nu bedacht ik mij hoe koelies met het krieken van den dag op en af den berg waren gerend om de barang van den "Toean Tjep" naar beneden te pikollen [Dragen van lasten.] en ze beneden te laden in de pedatties. "Dus ook de levende barang!" Ik schudde het hoofd, alweer Johnstone, tot het laatst, het decorum in acht nemend. . . ., Toch speet het me, dat ik mijn lotgenootje van hier "boven" niet even een "slamat djalang" [goede reis.] had kunnen toewenschen.
Een benepen gevoel maakte zich van mij meester, nu was ik de eenige vrouw hier boven! En vandaag de eenige bewoonster, oude Sidin niet mede gerekend.
Gelukkig had ik het dien dag te druk om veel tijd te besteden aan sombere gedachten, want zonder eenige andere hulp dan de gebrekkige Sidin, moest ik immers voor het dineetje zorgen dat de

[201:]

heeren dezen avond zou wachten, als zij moede thuiskwamen.
De dag vloog dan ook om, al hoorde ik dan ook niets anders dan het gemurmel van de rivier, het gillend gekakel van de ten doode gedoemde kippen die gevangen werden door Sidin en het gekir der duiven op het atapdak onzer woning. De eettafel in de binnenfalerij stond reeds keurig gedekt en juist was ik mij aan het kleeden, toen ik in den stillen avond, tot mij opklimmend, de luide vroolijke stemmen hoorde der heeren in het dal. Toen eerst gevoelde ik, wat ik den ganschen dag had gemist, menschelijke aanspraak van mijn gelijken!
Tegelijk met Henk, hij van beneden komend, ik uit de slaapkamer, betrad ik de voorgalerij: "Dag Henkieman, wat ben je vreeselijk lang weggeweest!"
"Dag wijfke, heb-je naar me verlangd? Nu als ik er niet bij was geweest, hadden ze nog langer blijven plakken daar aan boord, en wanneer ik tot opbreken maande, smaalden zij, hoe zij wel bemerken konden dat er ditmaal een getrouwd man bij was. . . .! Gelukkig kwam de kapitein mij ter hulp, hij moest het anker lichten, verklaarde hij. Je moet vele complimenten van den zeerob hebben, Jan, hij vroeg herhaaldelijk wanneer of hij je weer mee terugkrijgt."
"Gelijk met jou, over acht-en-twintig maanden, man, eerder niet!"
"Mijn best kranig vrouwtje. . . .!"
Daar waren oogenblikken dat wij het doorluchtig

[202:]

openzijn van ons voorgalerijtje vergaten. . . . Nog hield Henk me in zijn armen en vleide ik, in het geluk hem weer bij mij te hebben, mijn wang tegen zijn schouder, toen wij gestoord werden door den netten Chineeschen Oepas, die mede was geweest naar boord, en nu, een discreete glimlach om de lippen, eventjes kuchte.
"Mau apa!" [Wat wil je.] toornde Henk in zijn verlegenheid, mij loslatend.
"Saja, Toean", zeide hij zacht en beleefd - "maar de Toean Tjep Fielding heeft me gestuurd: kan de nonja dadelijk bij den Toean Tjep komen?"
Hij ging ons voor met zijn zwaaiende lantaarn naar het voormalig huis van Johnstone, waar wij Fielding vonden, zenuwachtig heen en weer loopend in de binnengalerij, waar wij zoo dikwijls gegeten hadden, nu kaal en leeg en daardoor onbeschrijfelijk vervallen en ongezellig! Zoodra wij binnenkwamen zag hij ons met een kluchtige onsteltenis aan: "Blij dat u zoo gauw komt, mevrouw, schaf toch raad! Ik weet niet goed wat ik met het vergeten pakje van den geachten Toean Tjep, dat daar in die kamer ligt, moet aanvangen!" Hij wees op het andere vertrek en hield Henk tegen, toen deze met mij naar binnen wilde gaan: "Neen, neen, je vrouw alléén!"
Ik trad aarzelend over den drempel en zag vorschend rond in de schemerige holte voor mij, schaars

[208:]

verlicht door een keukenlamp, zoo maar op den leemen vloer geplaatst. Wat bedoelde Fielding toch!
Eindelijk meende ik iets te onderscheideh: een donkere bewegelijke vlek in den versten hoek der kamer. . . . Met een schreeuw ijlde ik er heen: "Yum!"
De Japansche kromp inéén in haar hoekje, geheel de slaafsche houding van een bangen hond; de lange losse haren hulden het kleine lichaam als in een zwarten sluier, de kleine oogen stonden dof, de oogleden waren rood gezwollen.
"Yum Yum, hoe kom-je hier, waarom ben je niet mee met de boot? Heb-je je verlaat?"
De zwarte oogen, deemoedig als die van een geslagen hondje, werden aarzelend tot mij opgeheven:
"Toean kassi lepas!" [Mijnheer heeft mij ontslagen.] fluisterde de schrale kinderstem heesch, en uit een plooi van haar ceintuur haalde zij een banknoot te voorschijn, die zij mij gewillig liet, toen ik er onwillekeurig de hand naar uitstrekte.
Ik dacht eerst honderd gulden in de hand te houden, doch bij nader inzien telde ik drie nullen achter de één. Zwijgend gaf ik haar het verkreukte papier terug en zij zonk weer moedeloos in elkaar, toen ik niets zeide.
Verbijsterd, niet wetende wat te doen, verliet ik dat hoopje ineengezonken menschelijke ellende en zocht mijn man en Fielding weer op in de leege binnen

[204:]

galerij, bij wie zich nu ook Boorsma, Terwolde en Spaan gevoeid hadden, want dit interessante nieuwtje, zoo schaars te Rameleh, had hen reeds bereikt.
"Hij heeft haar kassi lepas, ontslagen, weggegooid als een lor dat het medenemen niet waard is!" riep ik verontwaardigd. "Wat kan hem er toe gebracht hebben zoo gewetenloos te handelen?"
"Hm," meende Fielding, met zijn vingers woelend door zijn toch al verwarde coiffure: "Ik zie tusschen deze handelwijze van onzen geachten voormalige chef en eenige zijner uitlatingen van heden nacht een verband. U weet dat ik tot laat in den nacht bij hem heb zitten werken, welnu, op een gegeven oogenblik antwoordde hij op mijn vraag, waarom hij zoo hals over kop weg wilde en er niet een veertig dagen bij knoopte, er op gesteld te zijn, juist deze boot te nemen, omdat hij dan zeker was eenige vrienden, die ook op weg waren naar Australië, te Ombini Laout op te vangen. Een van deze "friends" was een weduwe met aardige dochters: "very nice girls, indeed!"
"Bah," riep ik heftig: "Ik ben blij dat ik in mijn hart hem altijd gewantrouwd heb. Te denken dat je met een ruime schadeloosstelling, verder van alle soesah af bent!"
"Schadeloosstelling, wat bedoelt u?"
Ik vertelde van het verkreukte bankbijet tusschen de plooien van Yum's kimono.
"Duizend gulden, dat is toch royaal!" riep Spaan

[205:]

vol bewondering over een deugd, die hij nooit de zijne zou noemen. "Ze kan nu met de volgende boot naar haar land terug. . . ., in elk geval is zij vrij naar eigen goedvinden te handelen!"
"Och wat," riep ik boos: "Zooals je een kanarie, in gevangenschap geboren en opgekweekt, op een goeden dag los laat, buiten het venster. . . ., om, aan de weelde van onbekende vrijheid ten onder te gaan! En dan - de volgende boot komt pas over veertien dagen, wat moet er met haar zoolang?"
"Sja. . . .!" opperde Fielding: "Dat zal u moeten uitmaken, mevrouw!"
"Ik, waarom juist ik?"
"Wel, nauwelijks boven, kwam Tjoe-Won mij waarschuwen. . . ., vertelde mij hoe hij het schepseltje in den hoek van de leege kamer gevonden had, waar zij zich hoogstwaarschijnlijk den ganschen dag verstopt had. Toen ik nu, een kwartier geleden, naar haar toekwam, kromp zij in elkaar alsof ik haar slaan of schoppen wilde. . . . en riep onophoudelijk, "Saja mintah, nonja mau datang!" [Ik vraag, mevrouw te verzoeken hier te komen.] Zij scheen werkelijk alleen vertrouwen te hebben in de "nonja", Mevrouw. Ik wist geen andere uitkomst dan U te laten halen!"
Ik ging weer naar de Japansche, en ik vond haar in dezelfde houding, ineengedoken in een hoek, met den eenen arm, als slagen afwerend, voor het gezicht.

[206:]

Ik boog mij over haar, drukte den opgeheven arm naar beneden: "Yum, waarom kwam je niet bij mij, toen al de heeren weg waren? Je wist toch dat ik alleen thuis was?"
Alweer die in-deemoedige hondenblik: "Saja. . . . saja. . . . takoet, nonja!" [Ik was zoo bang, mevrouw.]
"Bang, maar waarvoor was je dan bang?"
Weer sloeg zij de oogen op, langzaam, aarzelend, en zag mij aan, ootmoedig, verlegen: "Saja meloe. . . .!" [Ik schaam mij.]
Arme, kleine "beschaamde" ziel!
Met plotseling besluit nam ik haar bij de hand, haar noodzakend op te staan:
"Kom mee," fluisterde ik haastig. Door de achterdeur, en toen sluipend om het huis, sleepte ik haar letterlijk mee naar huis, haar onderweg uitleggend dat zij zich gedurende den avond zoolang in de badkamer of dapoer schuil moest houden, want dat ik met het diner, dat aangericht stond, en de gasten die ik zoo aanstonds wachtte, mij voorloopig niet met haar bemoeien kon.
Na haar op mijn achtererf gebracht te hebben, moest ik haar wel alleen laten en Sidin de heeren laten roepen voor de soep, het was toch al twee uren later geworden dan gewoonlijk!
Op dineravonden hielp de handige Tjoe-Won, mijn

[207:]

ouden Sidin tafeldienen. Slechts bij hooge uitzondering stond ik soms op van tafel om naar het opdienen van een gerecht achter de sampieran [Indisch chutsel.] in de achtergalerij te zien. De heeren vulden dan het intermezzo aan met het rookon van een cigaret. Ook nu, na het hoofdgerecht, ging ik even naar de achtergalerij, maar juist kwam Sidin mij tegemoet, de schotel met de gebraden kippen, keurig gesneden, in de hand.
"Wie sneed ze?" vroeg ik verwonderd.
"De nonja Tjina in de dapoer", antwoordde hij met een grijns: "Nonja kan rustig blijven zitten, die nonja Tjina weet alles, de pudding heeft ze al uit den vorm geschud!"
Ik gluurde voorzichtig door het venstertje in de keuken en zag ook werkelijk de Japansche, de haren in een condé opgeknoopt, de kimono opgeschort, doodbedaard en handig bezig, de schaal die Tjoe-Won haar voorhield, te vullen met marmelade van pisang. Behalve de gezwollen oogleden, zag men niet meer aan het placiede gezichtje, welk een schok zij doorleefde dien dag. . . .
Voorzichtig en ongezien sloop ik weer naar binnen, waar ik de stemming ietwat saai terug vond, de heeren waren moede van den drukken dag en Henk blijkbaar afgetrokken.
Zoodra de gasten vertrokken waren en Henk de voordeur had gegrendeld, vroeg hij mij dadelijk:

[208:]

"Zeg, Janneke, je houdt dat Japaneesje toch niet in huis!"
"Maar, man, wil-je dan dat ik haar echt à la Johnstone, de rimboe of het koeliekwartier in zend, ik weet dan niet welke kans tot haar verderf grooter is. . . .!"
"Och. . . . zoo meen Ik het niet, natuurlijk kan zij van nacht een onderkomen vinden op ons erf, in de keuken, bijvoorbeeld."
"In de rookerige dapoer? Wel neen, Henk zij kan hier in de binnengalerij haar matje spreiden, ze neemt niet veel plaats weg."
"Ook goed, maar daarna, de boot gaat eerst over veertien dagen!"
Ik legde glimlachend mijn beide handen op zijn breede schouders: "Weet-je lieve man. . . ., ik ben van plan, met jou toestemming, natuurlijk, aan onzen tegenwoordigen meer welwillenden Toean Tjep te vragen, van wat kadjang en atap, een afgeschoten vertrekje te timmeren tegen onze achtergalerlj. Dat kan dan Yum's kamertje worden, want ik denk wel dat zij niet vertrekken zal over veertien dagen, als ik haar vraag, tot mijn hulp en steun, in de keuken en huls te willen blijven, vooral. . . . als ik haar de reden vertel, waarom ik die hulp zoo gaarne wensch!"
"Maar, Janneke, bedenk wat voor schepsel ze is!"
Ik schudde meewarig, het hoofd: "Och dat arme kanarietje: tot genoegen van een zeker soort menachen, en ten spijt van alle mogelijke bescha

[209:]

vingswetten, in onvrijheid geboren, opgevoed en verkocht! Zeg, Henk, was eigenlijk die Alimah, die er te Soerabaja met haar mandoer en ons groot voorschot van doorging een beter exemplaar van deugd, en toch, in onzen nood, hadden we een groote belooning overgehad, zoo de politie haar had kunnen opsporen, en haar zonder twijfel, als onze huisgenoote naar hier mede genomen, niet waar! En nu dit losgelaten vogeltje. . . ., weet-je, Henk, ik ben bang voor haar vrijheid! Zij heeft zich opgesloten gehouden, den ganschen dag in het leege huis, zonder voedsel wellicht, schreiend en bevend, te bang en te "maloe" om naar mij toe te komen, die toch alleen was hierboven! En toen zij zich ontdekt zag, riep zij om mij. . . . Neen Henk, ik laat haar niet in den steek. . . .! En dan, ze is me reeds van groot nut geweest in de keuken, heb-je niet gemerkt, man, hoe rustig ik aan tafel ben blijven zitten, van af het oogenblik dat ik bemerkte de leiding van de bediening geheel aan haar te kunnen overlaten!"
Henk stond voor mij, wel zwijgend, maar nog altijd met gefronste wenkbrauwen! Ik sloeg mijn armen om zijn hals, zag hem diep in de oogen: "En dan Henk. . . ." hernam ik zachter, aarzelend: "moet ik je nog iets vertellen. . . ., ik vond eigenlijk beter er vooreerst nog over te zwijgen... . ., om je niet zoo dadelijk ongerust te maken, maar Henk, mijn liefste man, er komt nu een tijd, dat wat hulp in het huishouden me van groot nut zal zijn, het is voortaan

[210:]

zaak me niet meer zoo te vermoeien, mijn beste Henk. . . .!" Ik verborg mijn gezicht aan zijn schouder.
Henk nam met een gesmoorden kreet mijn gezicht in beide handen, trok me mee onder het volle licht der lamp: "Janneke... .! is. . . . is het mogelijk. . . ."
Zijn lippen beefden in zijn krijtwit gezicht.
"Schrik-je er van, liefste man?"
"God beware mij. . . . madonna. . . .!"
In dankbare vervoering rustten zijn trillende lippen lang op mijn voorhoofd. Plotseling sloot hij mij onstuimig in de armen: "Maar, mijn God, wijfke, die gebeurtenis, hier, in deze rimboe. . . . dat mag niet! Zeg me eerlijk, wil-je weg, naar Holland, naar je moeder, waar je alle comfort, alle mogelijke goede hulp en bijstand, die de wetenschap je geven kan, kunt krijgen. . . .? Wil-je dadelijk gaan, over veertien dagen, met de volgende boot? Het kost je één woord, ons kousje is er groot genoeg voor, vooral daarvoor!"
Ik sloot de oogen. O, de heerlijkste illusie, terug naar het vaderland, naar de beschaafde wereld, naar mama, naar het gezellie "tehuis," kwam voor het grijpen! Diep ademhalend zuchtte ik: "Hè, als dat kon, kan-je dan weg, Henk?"
"lk! Geen kwestie van, ik blijf natuurlijk hier, mijn contract uit dienen!"
Weer sloot ik de oogen, om goed te zien dat andere visioen: acht-en-twintig maanden alleen in deze

[211:]

eenzaamheid, na het gezelliger samenleven gekend te hebben. . . .!"
"Dan blijf ik ook, Henk! Praat er niet verder over! Je weet, ik heb het vooruit geweten, toen ik besloot je te volgen, waar het lot je heenvoerde. Alles samen deelen, man, blijf jij, dan blijf ik ook!"
"Maar wijfke, de gebrekkige hulp hier!"
"En de knappe dokter Spaan dan, en jou, en Yum-Yum en Sidin. En. . . . en. . . . och wat, heel Rameleh; Als ik werkelijk de eerste blanke Pionierster ben, op dezen hoek van den aardbol, aan mij dan de eer Rameleh zijn eersten burger te schenken!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina