[1:]
E E R S T E H O O F D S T U K
HOE
LINA OPGEVOED WERD
Mijnheer Van Wageningen
was eenige jaren geleden als ritmeester gepensioneerd geworden. Niet
lang daarna had hij zijn vrouw verloren, een lief, flink, praktisch
mensch, dat hem een ware steun, een hulp, een troost in zijn, anders
zwaar beproefd, leven geweest was, en hem steeds had lief gehad met
haar geheele hart en verstand.
Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld
verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden
zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem
dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een
huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein inkomen
leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee
[2:]
kinderen, die hij
aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een
aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel
niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van
haren stand opgevoed zou worden.
Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig,
oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
"Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,"
was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de
eerste woorden van den ritmeester: "Lina, mijn kind, wat zeg je
daarvan?"
Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen
en zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen,
dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er
twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich
met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader
alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij niets
beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde, evenals haar
jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken.
De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot,
in het koffiehuis waar zij 's Woensdag'savonds hun whistclub hadden,
maar de ritmeester
[3:]
had hem kalm laten
uitlachen en hem toen al m ê l e e r e n d e geantwoord:
"Die nooit in verlegenheid wil. geraken, moet alles kennen; zóover
brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het
zoo ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika
zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als
je schaduw volgen, om te zien hoe je 't maken zoudt. Ik geloof dat ik
interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren
zeggen: "had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo
veel andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze
niet kende." - Docter 't is aan u."
Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer.
Lina had het zien mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het
sloegen en met stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende
wangen en vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer
van den ritmeester. "Och Paatje! - Pa lief, kom toch! - Ik kan
het niet aanzien! - Ze mishandelen een veulen omdat ze 't leelijk en
koppig noemen, die affreuse boeren! - Koop het Paatje! Och koop het
toch. - Bij ons zal het arme dier gelukkig wezen!" - De ritmeester
was met haar mee gegaan, had het veulen gezien en het, tot verbazing
van den boer, gekocht.
"Wat mag die daar mee doen?" had de verkooper bij zichzelven
gezegd, "drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en
drie keer ben ik er weer
[4:]
mee thuis gekomen,
omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag de ritmeester er mee doen?"
Hij telde met welgevallen het geld dat hij pas ontvangen had ('t was
meer dan hij op de markt had durven vragen) en lachte, s o u s c a p
e over zijn eigen slimheid. "De ritmeester beet gehad!"
Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter
eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en klontjes
suiker. . . .
Welk een geluk!
Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een
nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen
houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een
hok aan een ketting lag; 's nachts liep hij los, dan moest hij op de
bleek passen.
"Pas op, de hond zal je bijten!" riep een boer.
Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar open,
goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop.
Hektor kwispelde met. zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en
lekte haar kleine hand.
"Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat
wij van elkander houden." En den hond een zoen op zijn kop gevende,
vloog zij de wei in om haar veulen te bezoeken.
De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde,
droefheid, trouw - wat lag er al niet in dien hondenblik!
[5:]
De boer ook oogde
haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten oogen. "Ze
zal er nog eens tegen aanloopen" mompelde hij half overluid en
keerde tot zijn ploeg terug. - Was hij geen boer geweest dan had hij
"e x c e n t r i q u e" gezegd. Doch het was maar een boer.
De hond zou zoo iets nooit gezegd hebben.
"Randa!" klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat
bij een beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om.
"Hier mijn Randa, kom je mee?"
In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar
schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten
brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij
nog evenom naar den hond.
"adieu Hektor! adieu!"
En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien
en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendscbapsgroet te zenden,
dien hij anders slechts voor zijn meesters over had.
De boer zag om, bij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen
kwam, het was Lina maar.
"Zwijg!" riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen
en hervatte zijn werk.
Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden, dresseerde
de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die er den volgenden
dag het dorp op door draafde.
[6:]
"Schande!"
riepen de dames. "Van Wageningen is een ongehoorde waaghals!"
En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep speelden en
licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men
op eens het huis van den ritmeester gesloten.
"God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!" riepen de vrome
menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij vergaten
nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren Chineesjes
in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
"Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden
heeft."
"Of doodgeschoten!"
"Ja, doodgeschoten! 't Is best mogelijk."
"O zeker."
En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer
aan dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop
en de plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde
was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de justitie
zich met de zaak bemoeien zou.
Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend,
en zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans
niemand sprak er meer over als Lina, die het ten laatste ook gehoord
had en er braaf om lachte.
Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn dochter
eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
"Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken.
Je bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen en daar het je eigen
toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen."
Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig
op hetgeen er volgen zou.
"Wij zijn niet rjjk, dit weet ge, kind," hernam de ritmeester;
"maar gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en
het u en den kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken.
Maar kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op,
en dan zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven
kunt. Wat wilt ge dan beginnen?"
"Dan zal ik werken," antwoordde Lina vast besloten.
"Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden
veertien dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij
bij hun leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar
gij hun huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood
zijt gij, en Eduard hun eenige erfgenamen."
Er blonken groote traanen in Lina's oogen. "Oom en tante zijn wel
goed voor ons, maar ik zou toch noch
[8:]
liever weinig verdienen
dan veel krijgen," zeide zij.
"Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat
wilt gij dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?"
"Wat kan ik nog meer worden?" vroeg zij, alsof de opgenoemde
betrekkingen haar niet bijzonder toelachten.
"Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet
veel meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart,
dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren
konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze
te leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver
in muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud,
en een kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed.
Ik heb meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan
voor een halfmislukt geleerde."
"Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan
zou ik gaarne gouvernante willen worden."
"Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben,
en, wat meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten
wat er in de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te
oefenen en het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en
fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij
vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij
moet zij een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen
wat recht en billijk is, en voor het welzijn van hare
[9:]
medemenschen. De
kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan
hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren
kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed humeur,
een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben, wil zij
dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij alleen
door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij mijn
leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen."
Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg
zacht: "Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik
die geen menschen ken?"
"Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt,
zal ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen
moet."
Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in
Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in vreemde
talen en schoone kunsten.
"Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid," had de ritmeester
gezegd, "en aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld
speelt, zoo zijn wij hier goed." Het daarbij houdende, dwaalde
hij met zijn dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien
van de Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam
[10:]
er een dame op
krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur staan
om naar een plaats te zien. - Haar oog viel op Lina die haar aankeek.
"Mooi!" dacht de eene.
"Lief," zei de andere.
En de lieve kwam naast de mooie zitten.
Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene
was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had
dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon
zijn s y m p at h i e k te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide
zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach
om hare dunne lippen, dat Lina haar t o u t s i m p l e m e n t een
"beauté" noemde.
Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen
praten. De b e a u t é was eIken dag op hetzelfde uur in den
restaurant gekomen, op eens bleef zij weg.
"Ze is zeker ziek," zeide Lina. "Als ik wist waar zij
woonde ging ik haar opzoeken."
" Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk
wel weten."
Alle garçons wisten het.
"Mlle Salvita? Rue Lafayette No. . . ." riepen zij van alle
kanten.
De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
Zij vonden de deur van Mlle Salvita's kamer open,
[11:]
en zagen het jonge
meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter
weenende.
De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in
de armen harer nieuwe vriendin.
"Quel ange d'enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur,
comme vous êtes bon!"
"Je vous ai cru malade," zeide Lina.
"Et je le suis
en effet. Voilà ma maladie." Zij wees met de hand op de
muziek die vóor haar lag. "J'aime le chant, je l'aime passionnément
et mon amour me tue!"
Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
"Il y a six mois," vervolgde zij, "j'étais chanteuse
dramatique à l'opéra. Que de peiner, que de souffrances,
que de misères pour en arriver là! - Et comme j'étais
heureuse alors! - Le succès coûte cher, toujours et partout
- une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me fit tomber un soir,
en jetant des pelures de pommes dans lift escalier que je devais descendre
rapidement. Depuis lors toute ma vie n'a été que souffrances.
Ma jambe, cassée d'abord, puis mal remise, mal soignée,
fut enfin amputée. - Adieu théàtre!- Adieu rêves
de gloire et de bonheur! - "
Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano
rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
"Chantez vous Mademoiselle?"
[12:]
"Non madame,
je touche un peu du piano, c'est tout."
"Voyons, si elle a de la voix?"
En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
"Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous apprendrai
le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et malheureuse, je suis
seule au monde, c' est une oeuvre de charité que je vous demande."
Zóo leerde Lina zingen in Parijs. - En toen de familie Van Wageningen
zes maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de
hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de gouvernante
van Lina.
De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
"Waarom menschen?" vroeg hij lachend, toen de c r i t i q
u e, na geheel den Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het
m e n z e g t in het oor kwam fluisteren.
"Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben?
Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet.
Tant pis pour vous!"
"Eene actrice!" gilt de wereld.
"Een mensch," antwoordt de ritmeester. "En een mensch
dat goed is, dat verstandig is, en dat geleden heeft."
"Eene actrice!" galmt de echo noch.
En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit.
[13:]
"De opvoeding
mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart," zei Van Wageningen
eens, toen men hem naar de gezondheid zijner s c h i j f s c h i e t
e n d e d o c h t e r vroeg. "De helft van den dag besteedt zij
aan hare studies, de andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen
gewijd, de avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen
door - studie naar het leven - menschenkennis! altijd menschenkennis
op den voorgrond. - Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij
met den boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat
zij leeren kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af,
tot kooken, deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij
v r o u w e n, zóo alleen kunnen wij m o e d e r s krijgen. Uw
boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige onbekwaamheden
en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet. Leeghoofden, zelfonbewustheden,
die met moeite het leven doorkruipen, omdat gij haar het gaan belet."
Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen,
daar hij niemand tot zijn denkwijze overrhaalde, en hij uitgelachen
werd door zijn vrienden, die hem doorgaans de g o u v e r n a n t e
en zijn dochter de r i t m e e s t e r noemden.
Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar
vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres
af te leggen. "Ik ben nu al achttien jaar," voegde zij er
ernstig bij, "en het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve
ga zorgen."
[14:]
"Goed kind,"
was het antwoord, "ga, en vertrouw op God, die al wat goed is zegent."
Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor
het examen gevraagd of zij niet bang was.
"Neen," had zij lachend geantwoord. "Ik weet wel dat
ik er goed door zal komen."
"Kleine, pedante wijsneus!" dacht de oude examinator bij zichzelven,
"hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!"
Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude erkennen
dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen had, dan
in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna allen
bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van allen
zoo goed voldaan hadden als zij.
Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar
bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een
meer dan gewone v r o u w e l ij k e schoonheid. Men had gepraat over
hare e x c e n t r i c i t e i t en gelachen over haar o r i g i n e
e l e opvoeding en men had daarbij niet gedacht aan frissche jeugd,
gezondheid, schoonheid. S y m p a t h i q u e! dat was het eenige woord
dat door de bonte menigte gonsde; toen eindelijk het wezen zelf verscheen,
waarvan reeds zoovele karikaturen in het licht gegeven waren. En of
het vreemd is of niet, dit wàs zeker niet tegen te spreken, dat
de eenvoudige, kalme Lina meer gefêteerd werd, dan
[15:]
menig hooger geplaatst
meisje, dat het zeker meer verwacht had dan zij.
Toen de winter half- ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil
vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik
later trad graaf Henri d'Artonges het woonvertrek des ritmeesters binnen,
om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon.
De ritmeester stond op en belde.
"Antje," zeide hij, "verzoek juffrouw Lina even hier
te komen."
En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij.
"Mijnheer d'Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen
vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn liefde,
dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd te zien."
Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d'Artonges herhaalde
zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds
verkregen had.
Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem
de hand en sprak zacht:
"Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken - onze karakters
loopen te veel uiteen." Zij wachtte een oogenblik en vervolgde
toen, met tranen in de oogen:
"O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet
dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken
hem, en ik weet hoe goed hij is - maar ik kan zijn liefde niet be
[16:]
antwoorden zooals.
zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer bewondering dan sympathie
voor hem gevoel."
Mijnheer d'Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere inzichten
te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast stond,
vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd te
hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
"Gij hebt goed gehandeld mijn kind," zeide de ritmeester,
zoodra hij zich met zijn dochter alleen bevond. "Het geld brengt
veel geluk aan in de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel
onvoldaan te midden der grootste rijkdommen, - en gij gevoelt niets
voor den jongen d'Artonges, niet waar?"
"Niets," antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem uitvorschend
aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
"Papa; is Herman Wagner nog niet bij u geweest?"
De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
"Neen," zeide hij verwonderd, "maar indien er eenig verband
in den loop uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen:
Gevoelt gij ook meer voor hem dan voor den jongen d'Artonges?"
"Ja," antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half
lachend in de armen haars vaders werpende.
[17:]
De ritmeester trok
haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
"Lief kind" begon hij, na een oogenblik, "ik geloof dat
Wagner een beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus
ten volle. Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn
traktement. Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal
moeten verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?"
"Ja," antwoordde Lina weder.
"Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?"
"Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde
verklaarde, en . ."
"En? - wat verder?"
"Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige
schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem
hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb "ja"
gezegd, en nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië,
in de plaats van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde
blijven en hem dezen ruil had voorgesteld. - En nu, had ik van mijn
kant ook een plan gemaakt - dat gij zult goedkeuren, niet waar?"
- voegde zij er vleiend bij. "Want het zou uw Lina gelukkig maken!"
"Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal
ik u helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker,
anders zoudt gij het niet gemaakt hebben."
[18:]
Lina schoof wat
dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide handen in de haren,
zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel wilde lezen en zeide
zacht:
"Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke,
brave familie in Indië. . . . . zoudt gij het ondankbaar van mij
vinden, indien ik u verlaten ging?"
De ritmeester bedacht zich een oogenblik. "Neen," zeide hij,
"van ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar
of drie geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder
geworden, een betrekking als gouvernante zoeken zoudt. - Gisteren dacht
ik nog aan Indië - en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen
de wijde wereld in te zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft,
is ouder dan hare jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar
een behoefte, want zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus,
mijn kind! ga, betracht uw plicht en wees gelukkig!"
Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den ritmeester
gedragen en verzonden naar het schip A n t o n i a dat te Rotterdam
in lading lag voor Java.
En acht dagen daarna werd Lina Van Wageningen naar boord gebracht door
haren vader, Wagner en Richard haar broeder.
Toen zij weder t'huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester
zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader
omging en zij vond geen woord van troost voor den braven, zelf
[19:]
opofferenden man,
die in de wereld alleen stond en niets dan spot of onverschilligheid
in vreemde oogen las.
"Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat," sprak hij nauw hoorbaar,
"want in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden. -
"E x c e n t r i q u e !" heeft haar dorpje gezegd ,en "
e x c e n t r i q u e " heeft de hofstad nagegalmd.
"Excentrique" gilt de wereld al verder en verder, en de kring,
gevormd door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en
grooter! - Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder
te begrijpen dat het toch een lof blijft. - N i e t gewoon is buitengewoon
dus m e e r dan gewoon. - God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht
het hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden.
Welk een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang
gedaan hebben!"