16
October.
Mama gaf mij Davidis'
Kookboek en Huishoudboek mede; daaruit zou ik alles kunnen leeren, wat
ik noodig had en raad putten in twijfelachtige gevallen. Ik heb ze beide
herhaaldelijk geraadpleegd - in het geheim, dat spreekt - om tegenover
mijne als zeer braaf, bekwaam en eerlijk gerecommandeerde maar overigens
geestelijk bitter weinig ontwikkelde Rika, met het noodige à
plomb op te treden; maar wat ik daarin zocht, stond er helaas! niet
in.
Wie zou 't kunnen gelooven, dat ik mij de hersens pijnig met de vraag,
hoe men eigenlijk de kamers moet schoon houden! O, ik weet het wel,
't is belachelijk, maar als ik 't nu werkelijk niet weet?
Dat de mijne niet behoorlijk gedaan worden, dit zie ik wel in, maar
te vergeefs zoek ik in mijne herinnering hoe dat bij ons t'huis toeging.
Dit alleen weet ik: als wij meisjes 's morgens aan het ontbijt verschenen,
zat mama achter het theeblad en de kamer was schoon, 's winters was
het er warm en 's zomers frisch. Dan werd er buiten gestoft en gepoetst,
geklopt en geborsteld, en een paar malen in de week struikelde men in
de gang over de meubels, nu eens van deze en dan van die kamer.
[12:]
Dat is alles wat
ik mij herinneren kan; want 's morgens speelde ik piano of deed boodschappen,
of maakte handwerkjes, en 's middags kregen wij visite of gingen uit
en dan was er hier wat te zien of daar, en zoo was de dag om vóór
je het wist.
Maar nu zou 't mij veel waard zijn geweest als mama mij lessen had gegeven
in 't kamers doen, zooals zij ze altijd gaf aan de nieuwe dienstmeisjes,
die wij kregen; dan wist ik nu, hoe men het houtwerk moet afnemen en
de tapijten borstelen, en dan overviel mij geen onbestemde angst bij
het hooren van het woord "kamerdag". Daar moet een bepaalde
dag voor zijn, maar wanneer? Eens in de week of eens in de veertien
dagen? Kon ik 't maar iemand vragen! Maar wie? Schoonmama - nooit, in
der eeuwigheid niet! En t'huis! dan kan Hugo 't merken, als zij het
mij schrijven. Weet je wat het beste is? Maar stil afwachten, totdat
Rika uit haar eigen met den kamerdag begint.
Van morgen merkte ik, dat er in onze eetkamer een benauwde lucht hing,
dat er op het kleed sporen lagen van beslijkte schoenen, en dat men
op de meubels in het stof kon schrijven. Gelukkig zag Hugo er niets
van, en toen hij weg was, riep ik Rika en zei, dat de kamer niet goed
gedaan was; in bijzonderheden trad ik maar niet, uit vrees dat zij mij
dan op de vingers zou tikken.
't Was de eerste aanmerking die ik op Rika durfde maken, en dadelijk
kreeg ik er op:
"Reeds zestien jaar doe ik de kamers bij de eerste lui van de stad
en dan zou ik niet weten hoe 't hoort."
Zij gooide de deur achter zich toe en ik hoorde haar
[13:]
nog wel een half
uur later in de keuken nabrommen.
Zij zijn bij ons in Amsterdam veel aardiger, de meiden veel beleefder
en netter, en ik mag nog wel van geluk spreken. Rika is ons als een
juweel voorgesteld. De vrouw van onzen huisheer zei, dat zij haar niet
recommandeerde, maar ons feliciteerde, met het bezit van zoo'n pronkstuk
uit de meidenwereld. En zij is er ook geheel van overtuigd, dat wij
het verre boven onze verdiensten met haar getroffen hebben. Eén
ding is een troost en maakt veel goed: zij kan lekker koken, en ik ben
van plan, haar de kunst zoo gauw mogelijk af te zien, al zegt Hugo herhaaldelijk:
"Je hoeft niet te koken, daar zijn de meiden voor!"
Gisteren toen ik Rika des morgens voor een paar noodzakelijke boodschappen
moest uitzenden - een allerakeligste gewoonte, waaraan ik moeite heb
mij te gewennen; maar ze brengen je hier niets aan huis, zooals bij
ons in Amsterdam, - en ik het vuur moest aanhouden en het vleesch opzetten,
had ik het hard te verantwoorden. Het vuur was uit voor ik 't wist,
ik moest het weer aanmaken, de turf was nat, en de schoorsteen rookte,
ik kwam maar niet verder en had moeite bij de tranen, door den rook
veroorzaakt, ook niet andere van verdriet te voegen.
Toen Rika terug kwam, brandde het vuur in vijf minuten - wat ik mij
schaamde! - maar het vleesch was koud geworden, en het kwam heel naar
en opgewarmd op tafel. Hugo trok een leelijk gezicht, en ik was zoo
beschaamd, dat ik mijn oogen niet durfde opheffen, maar toen begon hij
mij te troosten en verzekerde dat het niets was, en men al doende leert.
[14:]
Dat was wel heel
lief en aardig van hem, maar ik zou het prettiger vinden, dat mijn man
mij bewonderde en tegen mij opzag, dan vol toegevendheid en een beetje
spot op mij neerkeek.
Ik weet zeker, dat hij mij in gedachten steeds bij zijn moeder vergelijkt.
Ik hoor 't hem nog zeggen, twee dagen na ons trouwen: "Emma, lieveling!
als je het toch zoo ver kon brengen op mijn moeder te gelijken, dan
was je de volmaaktheid nabij!"
Volmaaktheid, bah! Ik vind niets zoo vervelend als volmaakte menschen:
die maken je zoo koud van binnen, 't zijn net ijskegels. Hoe is't mogelijk,
dat een oude ijskegel als zijn mama zoo'n engel van een zoon kan hebben
als Hugo, en toch! toch! soms is hij mij ook nog te bedaard, te goed.
Ik houd van wat opwinding, niet dat eeuwige kalme, dag-aan-dag-gelijke.
Soms denk ik, ik woû dat Hugo uit de plooi raakte, erg jaloersch
werd - ik zelf heb er geen aanleg toe - een vreeselijke scène
maakte, en dan de verzoening! Zoo'n verzoening moet heerlijk wezen!
Kom! wat schrijf ik hier voor gekheid, daar wordt gebeld, dat is zeker
de smid, en dan komt Rika en vraagt, wat wij moeten eten - en dan weer
de behanger en ik nog in mijn peignoir! Voortgemaakt! mijn rustig schrijfuurtje
is voorbij.