doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: In eigen huishouding
Amsterdam: L.J. Veen tweede dr. zonder jr.
(eerste dr. Leiden: A.W. Sijthoff, 1895)


16 October.

Mama gaf mij Davidis' Kookboek en Huishoudboek mede; daaruit zou ik alles kunnen leeren, wat ik noodig had en raad putten in twijfelachtige gevallen. Ik heb ze beide herhaaldelijk geraadpleegd - in het geheim, dat spreekt - om tegenover mijne als zeer braaf, bekwaam en eerlijk gerecommandeerde maar overigens geestelijk bitter weinig ontwikkelde Rika, met het noodige à plomb op te treden; maar wat ik daarin zocht, stond er helaas! niet in.
Wie zou 't kunnen gelooven, dat ik mij de hersens pijnig met de vraag, hoe men eigenlijk de kamers moet schoon houden! O, ik weet het wel, 't is belachelijk, maar als ik 't nu werkelijk niet weet?
Dat de mijne niet behoorlijk gedaan worden, dit zie ik wel in, maar te vergeefs zoek ik in mijne herinnering hoe dat bij ons t'huis toeging. Dit alleen weet ik: als wij meisjes 's morgens aan het ontbijt verschenen, zat mama achter het theeblad en de kamer was schoon, 's winters was het er warm en 's zomers frisch. Dan werd er buiten gestoft en gepoetst, geklopt en geborsteld, en een paar malen in de week struikelde men in de gang over de meubels, nu eens van deze en dan van die kamer.

[12:]

Dat is alles wat ik mij herinneren kan; want 's morgens speelde ik piano of deed boodschappen, of maakte handwerkjes, en 's middags kregen wij visite of gingen uit en dan was er hier wat te zien of daar, en zoo was de dag om vóór je het wist.
Maar nu zou 't mij veel waard zijn geweest als mama mij lessen had gegeven in 't kamers doen, zooals zij ze altijd gaf aan de nieuwe dienstmeisjes, die wij kregen; dan wist ik nu, hoe men het houtwerk moet afnemen en de tapijten borstelen, en dan overviel mij geen onbestemde angst bij het hooren van het woord "kamerdag". Daar moet een bepaalde dag voor zijn, maar wanneer? Eens in de week of eens in de veertien dagen? Kon ik 't maar iemand vragen! Maar wie? Schoonmama - nooit, in der eeuwigheid niet! En t'huis! dan kan Hugo 't merken, als zij het mij schrijven. Weet je wat het beste is? Maar stil afwachten, totdat Rika uit haar eigen met den kamerdag begint.
Van morgen merkte ik, dat er in onze eetkamer een benauwde lucht hing, dat er op het kleed sporen lagen van beslijkte schoenen, en dat men op de meubels in het stof kon schrijven. Gelukkig zag Hugo er niets van, en toen hij weg was, riep ik Rika en zei, dat de kamer niet goed gedaan was; in bijzonderheden trad ik maar niet, uit vrees dat zij mij dan op de vingers zou tikken.
't Was de eerste aanmerking die ik op Rika durfde maken, en dadelijk kreeg ik er op:
"Reeds zestien jaar doe ik de kamers bij de eerste lui van de stad en dan zou ik niet weten hoe 't hoort."
Zij gooide de deur achter zich toe en ik hoorde haar

[13:]

nog wel een half uur later in de keuken nabrommen.
Zij zijn bij ons in Amsterdam veel aardiger, de meiden veel beleefder en netter, en ik mag nog wel van geluk spreken. Rika is ons als een juweel voorgesteld. De vrouw van onzen huisheer zei, dat zij haar niet recommandeerde, maar ons feliciteerde, met het bezit van zoo'n pronkstuk uit de meidenwereld. En zij is er ook geheel van overtuigd, dat wij het verre boven onze verdiensten met haar getroffen hebben. Eén ding is een troost en maakt veel goed: zij kan lekker koken, en ik ben van plan, haar de kunst zoo gauw mogelijk af te zien, al zegt Hugo herhaaldelijk:
"Je hoeft niet te koken, daar zijn de meiden voor!"
Gisteren toen ik Rika des morgens voor een paar noodzakelijke boodschappen moest uitzenden - een allerakeligste gewoonte, waaraan ik moeite heb mij te gewennen; maar ze brengen je hier niets aan huis, zooals bij ons in Amsterdam, - en ik het vuur moest aanhouden en het vleesch opzetten, had ik het hard te verantwoorden. Het vuur was uit voor ik 't wist, ik moest het weer aanmaken, de turf was nat, en de schoorsteen rookte, ik kwam maar niet verder en had moeite bij de tranen, door den rook veroorzaakt, ook niet andere van verdriet te voegen.
Toen Rika terug kwam, brandde het vuur in vijf minuten - wat ik mij schaamde! - maar het vleesch was koud geworden, en het kwam heel naar en opgewarmd op tafel. Hugo trok een leelijk gezicht, en ik was zoo beschaamd, dat ik mijn oogen niet durfde opheffen, maar toen begon hij mij te troosten en verzekerde dat het niets was, en men al doende leert.

[14:]

Dat was wel heel lief en aardig van hem, maar ik zou het prettiger vinden, dat mijn man mij bewonderde en tegen mij opzag, dan vol toegevendheid en een beetje spot op mij neerkeek.
Ik weet zeker, dat hij mij in gedachten steeds bij zijn moeder vergelijkt. Ik hoor 't hem nog zeggen, twee dagen na ons trouwen: "Emma, lieveling! als je het toch zoo ver kon brengen op mijn moeder te gelijken, dan was je de volmaaktheid nabij!"
Volmaaktheid, bah! Ik vind niets zoo vervelend als volmaakte menschen: die maken je zoo koud van binnen, 't zijn net ijskegels. Hoe is't mogelijk, dat een oude ijskegel als zijn mama zoo'n engel van een zoon kan hebben als Hugo, en toch! toch! soms is hij mij ook nog te bedaard, te goed.
Ik houd van wat opwinding, niet dat eeuwige kalme, dag-aan-dag-gelijke. Soms denk ik, ik woû dat Hugo uit de plooi raakte, erg jaloersch werd - ik zelf heb er geen aanleg toe - een vreeselijke scène maakte, en dan de verzoening! Zoo'n verzoening moet heerlijk wezen! Kom! wat schrijf ik hier voor gekheid, daar wordt gebeld, dat is zeker de smid, en dan komt Rika en vraagt, wat wij moeten eten - en dan weer de behanger en ik nog in mijn peignoir! Voortgemaakt! mijn rustig schrijfuurtje is voorbij.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina