[5:]
15 October.
Zie, zoo! Daar zijn
we terug van onze heerlijke, eenige, onvergetelijke huwelijksreis; sedert
een week al! En nog had ik geen gelegenheid iets toe te vertrouwen aan
mijn mooi, fonkelnieuw boekje, dat alles van mij te hooren zal krijgen,
mijn toekomstig lief en ook mijn leed.
Druk als ik het gehad heb, druk! 't Is me geen kleinigheid je toekomstige
woning in te richten, de meubels uit te pakken, te plaatsen, te schikken
en in dien tusschentijd toch te leven.
Nu moet ik zeggen, dat laatste ging nogal gemakkelijk, want wij stapten
uit aan het eerste logement van Bergveld.
Ja, het eerste! Och, och! wat een verschil met Hotel du Nord in Keulen,
onze eerste, of het Hotel de la Poste in Brussel, onze laatste étape,
maar toch moet ik bekennen, 't is er netjes, meer in de puntjes misschien
nog dan in die groote hotels, en Hugo zegt dat de flinke hollandsche
burgerpot van onze table d'hôte (!) hem heerlijk smaakt na al
die vreemde poespas.
Gelukkig dat hij tevreden is! Ik voor mij vind de kale eetkamer met
dat verschoten behangsel van een kwartje per rol en die bonte oleographieën
aan den muur en die vervelende gezichten van commis-voyageurs, onze
medegasten, onuitstaanbaar banaal en dat
[6:]
eten zonder die
lekkere, pikante sausen van Frankrijk en die heerlijke duitsche compotes
akelig gewoon en flauw. 't Is waar, het vleesch is van betere qualiteit
en ook smakelijker gebraden, maar ik heb toch heimwee naar ons eigen
te huis en onzen eigen pot, nu de voortdurende afwisseling van indrukken
en de comfortabele, chique omgeving van het buitenland mij ontbreken.
Daarom heb ik er zoo'n vaart achtergezet, dat wij in ons eigen huis
konden trekken.
"Vrouwtje, vrouwtje!" zei Hugo,"waarom je zoo gehaast?
Op een dag meer of minder in "de Zwaan" komt het er niet op
aan."
"Bij mij wel! Dat hotelleven verveelt mij zoo! Geen dag langer
dan noodig is, blijf ik er!"
"Maar kindlief! Je hadt in 't geheel niet er hoeven te logeeren,
als je maar. . ."
Ik doe of ik 't niet hoor, en verdiep mij in het arrangeeren van de
aardige bibelots op mijn kastje.
Hugo is een engel en een man, ik houd elken dag meer van hem; ik weet
niet wat ik gedaan zou hebben als hij - juist hij, niet mijn man was
geworden. Ik vind hem een ideaal! Ik ben verliefder op hem dan onder
ons engagement, maar er is een ding dat mij in of liever aan hem niet
bevalt.
Hugo heeft een moeder, dus ik bezit een schoonmoeder en aan alle schoonmoeders
heb ik een hekel, vooral als die schoonmoeders in het oog van haar zonen
het ideaal der volmaaktheid zijn en dit is ongelukkig hier het geval.
Hugo dweept met zijn mama en zij ongelukkig niet
[7:]
met mij. Zij is
zoo degelijk, zoo flink heb ik altijd gehoord en ik weet zeker, dat
zij mij wereldsch, onbeduidend, veel te min vindt voor haar zoon.
Nu woont zij hier in de buurt, gelukkig niet in de stad, maar met de
stoomtram een half uurtje verder. Hugo had mij voorgesteld, heel diplomatiek
en niet rechtstreeks, of zijn moeder alles bij ons aan huis zou inrichten,
dan konden wij er zoo maar intrekken; zij kon ons dan wachten met de
thee of het souper, of het diner en ik had volstrekt geen moeite met
iets.
Verbeeld je! Wat een indringendheid, alsof dat recht niet aan mijn eigen
moeder en mijn zusjes behoorde!
Eigenlijk hadden wij dit al heel gezellig samen afgesproken maar daar
spatten alle mooie plannen uiteen.
Ik begrijp heel goed dat het niet gaat, mama en een der zusjes heelemaal
uit Amsterdam te laten komen om hier ons huisje in orde te brengen,
met veel kosten in het logement te logeeren, terwijl de schoonmoeder
alle dagen voor een paar stuivers op en neer kan gaan.
Hoe ongaarne ook, ik moest ons heerlijk plannetje opgeven en zei Hugo
dus dat ik mij het inrichten van mijn eigen huis niet uit de hand liet
nemen; 't was veel te prettig alles zelf te doen.
Maar onze intrede te Bergveld werd er niet gezelliger door! We kwamen
er 's avonds aan in een slagregen; rijtuigen houdt men er niet op na,
naar het schijnt en wij waren dus blij in de hotel-omnibus over de puntige,
natte steen en geschokt te worden op onzen tocht naar "de Zwaan".
't Zag er alles even doodsch en somber uit - hier en daar een gloeiende
spijker voor gaslantaarn -
[8:]
Goddank! we hebben
ten minste gas - en die straten drijvend, en de muren druipend, en de
daken lekkend; ik was blij dat wij goed en wel in onze eenvoudige hotelkamer
naar bed konden gaan.
Van den zomer, toen Hugo tot griffier bij het kantongerecht van Bergveld
benoemd was en ik met hem het stadje ging kijken, vond ik het heel aardig,
maar o! ik kan niet zeggen hoe 't mij tegen viel, nu ik het in den herfst
terug zag, alles even somber, even vervelend. Kwam het door de kale
takken, het donkere weer of door het contrast van al het heerlijke dat
wij in den laatsten tijd hadden genoten, maar ik voelde mij bitter teleurgesteld
en moest mijn man diep in de oogen kijken om weer moed te krijgen voor
mijn volgend leven, dat voorloopig hier in dit akelige nest zal voorbijgaan.
En ons huisje!
O foei, wat me ook dat tegenstond, nu al die kisten in de kamers opgestapeld
waren. De suite beneden is aardig, maar anders wat een verschil met
onze keurig afgewerkte, moderne Amsterdamsche huizen.
"Als het gemeubeld was, zou het een heel anderen indruk maken!"
zeide Hugo, toen hij mijn bedroefd gezicht zag.
Alweer een steek op mijn eigenwijsheid! Dat prikkelde mij en ik heb
mij aan het werk gezet met een vuur en een ijver, die hem bepaald met
bewondering en achting voor mij vervulden.
En alles ging niet op rolletjes! De werklui hielden ons voor den gek
of het - Amsterdammers waren.
Gestukadoord en behangen, dat was 't wel, maar de
[9:]
kleeden moesten
gelegd, de kisten ontpakt en de schilderijen opgehangen, de kachels
gezet, de meubels in elkaar geslagen en geplaatst worden. Dus werk genoeg!
Wanneer die Hugo nu maar wat op papa geleek, want papa is van zessen
klaar; die kan van alles en heeft verstand van alles, wat tot het huishouden
behoort, veel meer misschien dan mama en Hugo is door zijn bijdehande
moeder zoo verwend, dat hij geen spijker kan inslaan. Niet, dat ik 't
gaarne had! O, hemel, neen! Ik heb aan janhennen en keukenpieten een
hekel! maar nu vond ik toch wel, dat ik een beetje erg alleen voor alles
stond en nu ik zoo boud had gesproken, moest ik mij kranig houden.
Nu alles gelukkig voorbij is, moet ik zeggen, dat het mij nogal is meegevallen;
eergisteren zijn wij klaar gekomen en schoonmama - in gedachten noem
ik haar nooit mama - mag komen kijken.
Gelukkig dat ik zooveel te doen had; ik heb geen tijd kunnen vinden
om heimwee te voelen, wat al aardig begon dien eersten morgen. 't Is
maar goed zich er door heen te slaan; ik ben werkelijk trotsch op mezelf,
vooral als ik bedenk, hoe mij dit alles nieuw is en ik me nooit te voren
met huishouden heb bemoeid, Alles is in orde op de gordijnen na; die
hang ik pas Zaterdag op, dan kunnen de Bergvelders, wier nieuwsgierigheid
reeds sedert lang zoo opgewekt is, door het "boeltje" van
den nieuwen griffier, mij visites komen maken.
Ik geloof, dat er hier nog nooit zooveel is gewandeld als in de laatste
dagen; wie op straat is, maakt een
[10:]
omweg door de Groote
Straat om even te kijken of hij iets te zien krijgt, en of 't waar is,
dat wij zoo rijk zijn ingericht. Nu, 't zal hun niet tegenvallen, 't
ziet er bepaald keurig netjes uit.
Mijn salon is een snoesje! Lichtbrons gordijnen, een Deventer kleed,
cadeau van mijn peetoom, en zulk mooi brons pluche met rose bloemen
op stoelen, fauteuils en canapé; een japansch scherm met gouden
bloemen en vogels op zwart fluweel en grond, een prachtige schemerlamp
met rose kap, mijn piano en vooral mijn japansch kastje - ik ben dol
op japansch - met al mijn aardige ditjes en datjes, die ik al sedert
jaren heb opgespaard. Elken ochtend neem ik zelf daar het stof af, en
't duurt wel een halfuur.
Hugo plaagt er mij mee en noemt het tijdverspilling, maar ik laat hem
praten. Dat is mijn zaak! En onze eetkamer, met Queen Anne meubels,
een pronkstuk van een buffet, tinnen schotels tegen de muren en tinnen
pullen op het buffet, een in stijl pendule op den schoorsteen. -
Hoe konden vroeger de menschen zich gelukkig gevoelen te midden van
hun leelijke, mahoniehouten, gepolitoerde rondgebogen meubels; neen,
zoo gelukkig als wij, kunnen zij niet geweest zijn.
Jammer alleen dat onze mooie eetkamer weinig fijne diners zal zien.
Gisteravond hebben wij onze begrooting opgemaakt en bevonden, dat wij
met Hugo's griffierstractement en mijne toelage - Papa kon mij niet
meer geven, wij zijn met ons vieren - per jaar hoogstens f 3500 gulden
hebben om van te leven; een goede huisvrouw - altijd volgens zijn moeder
natuur
[11:]
lijk - kan in een nest als Bergveld daarmee best toekomen, zij is wel met de helft begonnen. Maar ben ik wel een goede huisvrouw? Morgen beantwoord ik die vraag, vandaag heb ik geen tijd meer.