[15:]
TWEEDE HOOFDSTUK
Geen wonder dat de eerste consul toen met volle teugen genoot van de heerlijke rust in Malmaison; een moeilijke jeugd, zware tijden, maar ook huiselijk leed lag achter hem. Zijn vereeniging met de vrouw, die hij uit liefde tot de zijne had gemaakt, was niet steeds een tijd van zoeten rozengeur en helderen maneschijn geweest. In de eerste jaren, terwijl hij in Italië van overwinning tot overwinning schreed, beantwoordde zij zijn vurige liefde slechts zeer kalm en terughoudend. Misschien meende zij wel zich gemésallieerd te hebben met den kleinen, broodmageren, jongeren generaal - zij, de weduwe van Alexander, burggraaf de Beauharnais -; bovendien was hij Corsikaan, en deze eilanders, nog niet lang tot Franschen verheven, werden nog niet voor vol beschouwd. Men lachte om hun vreemde uitspraak, vond hen op bandieten gelijken met hun donkere gelaatstint, zwarte oogen en haren, griezelde misschien van de vreeselijke vendettaverhalen uit het rooverseiland.
[15:]
Hoe 't ook zij,
aarzelend en alleen op zijn streng bevel, besloot Josephine haar man
naar Italië te volgen en in Milaan de eer van zijn paleis op te
houden; gedurende zijn verblijf in Egypte gaf zij door allerlei onvoorzichtigheden
aanleiding tot opspraak. De familie maakte het zich tot plicht den afwezigen
generaal trouw op de hoogte te houden van haar liefdesavonturen met
zekeren Hippolyte Charles, voor wien zij beweerde slechts vriendschap
te voelen.
Opgestookt, verbitterd reisde Bonaparte naar Parijs om als een tweede
Othello zijn beleedigde eer te wreken; maar hij werd verteederd door
de tranen van Josephine, door de smeekingen van haar kinderen, die hij
reeds zoo liefhad; hij vergaf, en nu was het Josephine, misschien geïmponeerd
en beangst door zijn energiek optreden, betooverd door zijn krijgsroem,
die hem innig, zelfs hartstochtelijk beminde met jaloersche liefde,
terwijl hij voortaan haar slechts kalme vriendschap en bijna vaderlijke
genegenheid bewees.
Ook voor haar was het nu weldadige rust na fel bewogen stormtijd, want
zij had sinds haar eerste gelukkige jeugd in Martinique niet veel meer
dan verdriet, angst en zorg gekend. Zonnig was haar leven op het prachtige
eiland geweest, vrij dwaalde zij door de plantage harer ouders; haar
aangeboren goedheid maakte haar bij de negerslaven zeer bemind en zeker
was het uit een soort van dankbaarheid dat een oude
[16:]
negerin voorspelde,
dat zij eenmaal meer zou zijn dan koningin - keizerin!
Van leeren kwam niet veel, maar onwillekeurig wende zij zich van jongs
af in die kringen haar gemak van beweging, haar goede manieren en fijne
vormen aan, welke bij de adellijken van het oude regime hooger in aanzien
stonden dan verstandelijke ontwikkeling en geestelijke kennis.
Nauwelijks zestien jaar oud werd zij naar Europa gezonden om een goede
partij te doen. Een tante, madame Renaudin, die op zeer vertrouwelijken
voet stond met den markies de Beauharnais, wist den ouden heer te overtuigen
dat hij niet beter kon handelen dan zijn negentien-jarigen, tamelijk
loszinnigen zoon, den vicomte Alexander haar creoolsch nichtje tot vrouw
te schenken. Zij had zeker hoog opgegeven van de schoonheid der aanstaande
bruid en van den rijkdom harer ouders. Beiden vielen niet mee en het
huwelijk der beide kinderen den 13en December 1779 te Parijs gesloten,
bleek spoedig zeer ongelukkig te zijn. De jonge echtgenoot beklaagde
zich dat zijn vrouwtje geen slag had hem te leiden en op het rechte
pad te houden, verder dat zij weinig vertrouwen in hem toonde en zich
niet door hem wilde laten onderwijzen in 't geen zij aan kennis te kort
kwam.
Blijkbaar miste hij ook den rechten tact of liever was hij niet op de
hoogte van zijn taak; 't duurde niet lang of beiden gingen hun eigen
weg. De ge
[17:]
boorte in 1781 van
een zoon, Eugène, verbeterde den toestand niet; nog grooter werd
de verwijdering door finantieele twisten tusschen Alexander en zijn
schoonouders. Nog vóór de geboorte van het tweede kind,
Eugénie Hortense, den 1sten April 1783, ging het ongelukkige
paar vanéén. Josephine, nog geen twintig jaar oud, trok
zich, zooals bij verlaten vrouwen toen gebruikelijk was, terug in een
klooster, de abdij van Panthémont. 't Pleit voor haar dat de
geheele familie de Beauharnais haar partij koos, en dat zij het proces
tegen haar man won. Alexander diende als officier in het leger en hernam
zijn leven als jong gezel. In 1788 vertrok Josephine met haar dochtertje
naar haar ouders, die er op aandrongen haar terug te zien.
Laster gaf aan deze reis een minder eervolle reden, doch evenals voor
zoovele andere feiten, die men moeder en dochter ten laste legde, moet
het bewijs hiervoor nog gevonden worden.
Levenslang bewaarde Hortense een heerlijke herinnering aan het vrije,
gelukkige leven in de kolonie, aan de goede, zwarte slaven die haar
moeder vergoodden, omdat zij verbood hen te straffen en hen als menschen
behandelde.
lntusschen kwamen moeilijke tijden voor Frankrijk. De Beauharnais, wiens
ideeën bekend stonden als zeer liberaal en vooruitstrevend, begon
nu het leven ernstiger op te vatten. Hij verlangde naar huiselijkheid
en trachtte zich met zijn vrouw te verzoenen. Josephine
[18:]
stemde toe, verliet
Martinique en werd in Parijs met haar dochtertje door haar man en den
kleinen Eugène hartelijk ontvangen. Zij namen weer de huwelijksketen
op, maar nog vóór dat deze hen opnieuw begon te drukken,
greep de Revolutie brutaal in en de guillotine maakte aan Josephine's
eerste huwelijk een plotseling droevig einde. Door een toeval ontkwam
zij aan het lot van Alexander, die na zes maanden gevangenschap den
6 Thermidor (16 Juli 1894) onthoofd werd. 't Moet erkend worden dat
Josephine alles in het werk stelde om haar man te redden. Zij was onvermoeid
en toonde niets van haar creoolsche indolentie; 't eenige wat zij echter
bereikte was haar eigen arrestatie. Drie dagen na Beauharnais' dood
eindigde het schrikbewind van Robespierre; de gevangenen, waaronder
Josephine, ontvingen hun vrijheid terug.
Terwijl vader en-moeder gevangen zaten, waren de arme kinderen aan hun
lot overgelaten. Eugène, eenmaal onderkoning van Italië,
vorst van Leuchtenberg, echtgenoot van een koninklijke prinses, kwam
in de leer bij een schrijnwerker, de latere koningin van Holland bij
een naaister. Nu de goederen van den vicomte de Beauharnais, geconfisqueerd
waren, wachtte Josephine bij haar verlaten van de gevangenis bittere
armoede. Haar ouders konden haar geen geld overzenden, wegens de moeilijke
communicatie tusschen de koloniën en het moederland. Hoe zij het
in dien
[19:]
tusschentijd aanlegde
om met haar kinderen te leven - hierover loopen de meeningen uiteen.
Haar verdedigers beweren dat goede vrienden der familie Tascher de la
Pagerie haar de noodige fondsen voorschoten en dat zij met Eugène
en Hortense naar Hamburg reisde om daar gemakkelijker met Martinique
in verbinding te zijn; anderen daarentegen, dat zij in Parijs, ten koste
van haar deugd en goeden naam, een weelderig leven leidde.
Alleen schijnt het vast te staan dat mevrouw de la Pagerie in den loop
der jaren haar dochter 25000 francs zond, voor dien tijd een aardige
som; bovendien kreeg zij langzamerhand de geconfisqueerde bezittingen
van haar man terug en hoefde dus geen armoede te lijden, al verstond
Josephine toen reeds uitstekend de kunst het geld te laten rollen.
In 1795 vestigde mevrouw de Beauharnais zich te Parijs: Eugène
nam dienst in het leger. Hortense kwam als pensionnaire in de pas opgerichte
kostschool van madame Campan, vroegere voorlezeres van Marie Antoinette.
Op gezag van Barras zelf, wordt algemeen aangenomen dat Josephine met
den jongen chef van het Directoire een liaison had, en dat Bonaparte
tot belooning voor zijn huwelijk met haar het bevel over het leger van
Italie verkreeg. Velen spreken dit tegen en in zulke zaken valt het
moeilijk het ware van het valsche, laster van partijdigheid te onderscheiden;
den
[20:]
tijd van het Directoire
was trouwens bekend als een periode waarin veel werd liefgehad, al was
de liefde meest van dien aard dat zij niet veel aanspraak kon maken
op vergeving.
Zeker is het dat Josephine in de Rue Chantereine een goed bezocht salon
hield. Zij trok ieder door haar vriendelijkheid, gedienstigheid en aangename
manieren zeer aan; zij ontving alle beroemdheden op staatkundig en artistiek
gebied. Bonaparte, toen in de eerste dagen van zijn roem na zijn optreden
van den 13 Vendémiaire, werd verliefd op de lieve, alles behalve
troostelooze weduwe en was een der weinigen, dien met zijn hart ook
zijn hand aanbood.
Josephine aarzelde, maar toen zelfs de familie Beauharnais aandrong
op haar huwelijk met den jongen generaal gaf zij toe, zonder veel voor
hem te voelen.
Misschien deelde zij den tegenzin van haar kinderen, die het ook jammer
vonden dat hun moeder haar titel van vicomtesse de Beauharnais, - langzamerhand
kwamen de adellijke rangen weer in aanzien bij de burgers en burgeressen
- ging ruilen tegen den nog tamelijk obscuren naam van Buonaparte, die
te veel den Corsikaan verried.
Hortense vooral had er veel op tegen. Zij was op het pensionaat van
madame Campan in een aristocratischen kring geraakt. Deze zeer ontwikkelde,
praktische vrouw had de goede gedachte gehad, na het eindigen van het
Schrikbewind een kostschool te openen
[21:]
voor deftige meisjes.
Alles wat er nog aan ouden adel in Frankrijk was overgebleven, vertrouwde
haar zijn dochters toe, met het doel de goede manieren en fijne beschaving
van het koninklijke hof, dat zij van nabij kende, te leeren. De rijke
opkomelingen van het nieuwe régime, hun eigen te kort aan deze
hoofsche vormen maar al te goed kennend, zonden hun meisjes er ook heen,
hopend dat zij daar zouden leeren, wat haar ouders tot hun nadeel ontbrak.
Het succès van madame Campan was schitterend - reeds na een jaar
had zij honderd leerlingen; zij kende haar wereldje en begreep dat het
meer te doen was om het schitterend vernis der beschaving dan om degelijken
ondergrond van kennis of algemeene ontwikkeling. De zoogenaamde a r
t s d' a g r é m e n t è stonden in het hoogste aanzien
en hieraan werd de meeste zorg besteed. Vooral het dansen kwam na den
vreeselijken tijd van bloed en tranen in de mode.
Hortense was een dankbare leerling, zij danste als vanzelf; maar ook
in muziek, schilderen, teekenen en komediespelen was veel eer bij het
jonge meisje te behalen.
Toen generaal Bonaparte na zijn schitterenden veldtocht in Italië,
in 1798 met zijn stiefdochter kennis kwam maken, scheen hij zoo verrukt
over de resultaten van madame Campan's opvoeding dat hij haar ook zijn
jongste zuster Annunziata - later Caroline Murat - toevertrouwde; Zij
en Hortense waren spoedig
[22:]
groote vriendinnen,
in afwachting dat zij later bittere vijandinnen zouden worden.
't Was vooral een schitterende voorstelling van Racine's Esther - waarbij
Hortense de hoofdrol vervulde - die hem even zoo bekoord had, als voorheen
Lodewijk XIV in Saint Cyr. Voortaan werd hij de trouwe beschermer van
madame Campan, die natuurlijk alles deed om Hortense op den voorgrond
te plaatsen en er een uitstekend opgevoed meisje van te maken.
Nu vergaf zij haar moeder gaarne het huwelijk met den generaal; zijn
roem straalde over haar uit, zij werd een persoontje van gewicht tusschen
haar medeleerlingen - de trots van haar onderwijzeressen. Bovendien
was haar stiefvader buitengewoon goed voor de kinderen zijner vrouw;
hij heeft ze steeds als zijn eigene lief gehad en behandeld ondanks
den tegenstand zijner eigen familie.
Wanneer hij de school bezocht, waren allen in de wolken; zij, Caroline
en een nichtje van Josephine, Emilie de Beauharnais, werden om hun familiebetrekking
tot den beroemden generaal algemeen vereerd en benijd. Alle eer hem
bewezen, schenen zij te deelen; in onzen tijd zou men zeggen: zij maakten
reclame voor de school.
Behalve de groote broer kwamen nog andere de schoolmeisjes bezoeken.
Het meest verscheen Louis Bonaparte; 't was echter niet zoozeer om zijn
zusje
[23:]
Caroline, nog minder
om zijn stief-oomzegster Hortense, dat hij St. Germain met zijne tegenwoordigheid
vereerde, maar om de lieve, zachte, stiltreurige Emilie.
Dit 18-jarige meisje beleefde niet veel genoegen aan haar ouders. Vader
en moeder leefden gescheiden; papa was hertrouwd met een Duitsche kanonikes,
mama met een neger. Geen van beide nieuwe paren trok haar aan; gelukkig
dat tante Josephine en haar nieuwe man zoo goed voor haar waren. Louis
Bonaparte, zelf stil en sentimenteel, werd zeer door haar aangetrokken
en het meisje zou zeker gaarne zijn liefde hebben beantwoord; 't bleef
echter bij liefdesblikken, zuchten en misschien geheime briefjes. De
machtige broer kwam er achter, hij of misschien Josephine had andere
plannen.
De verliefde jongeling werd met een zending naar Toulon gezonden en
zoo haastig mogelijk kreeg de arme Emilie bevel dat zij trouwen moest
met generaal de Lavalette, Napoleon's adjudant, een goeden man en dapper
militair, maar twintig jaar ouder dan zij, met bijna potsierlijk uiterlijk,
en zoo weinig haren, dat zijn kameraden aan elk hunner een naam hadden
gegeven en telkens het verlies van één met luidruchtig
rouwbetoon betreurden.
Zacht en gedwee als zij was, schikte zich het meisje in het lot, door
haar weldoener voor haar gekozen.
Lavalette's vaderlijke goedheid wist zij te waardeeren, zij was hem
dankbaar en hoopte hem zoo gelukkig
[24:]
mogelijk te maken.
Acht dagen na het huwelijk moest de nieuwe bruidegom zijn generaal naar
Egypte vergezellen; hij kon nog niet op de hoogte van Malta zijn of
het vrouwtje kreeg de pokken. Zij was wanhopend dat nu haar eenig voorrecht
- zooals zij meende - haar lief gezichtje misvormd zou raken.
't Viel nogal mee, al was zij niet meer zoo mooi als vroeger. Vol angst
vreesde zij de ontmoeting met haar man. Gelukkig was Lavalette, die
zelf niet veel op 't gebied van schoonheid presteerde, zoo verstandig
haar gerust te stellen en 't huwelijk werd zeer gelukkig.
De eenige schaduw waren de tobberijen van Emilie, die zich altijd verweet
haar man te zijn tegengevallen.
Hoe sterk de liefde haar kon maken toonde zij later genoeg, toen zij
hem uit de gevangenis deed ontsnappen, een heldenfeit, dat zij helaas!
met het verlies van haar verstand moest bekoopen. Louis Bonaparte bleef
levenslang met spijt aan haar denken; hij verbeeldde zich alleen met
haar gelukkig te kunnen zijn; daar ook hij zenuwlijder was, is 't de
groote vraag of hij en de melancholieke Emilie beter gepaard waren geweest.
Terwijl Bonaparte in Egypte streed, deed Josephine haar best een geschikten
man te vinden voor haar dochter. 't Ging echter moeilijk, al was 't
meisje nog zoo lief en bevallig. Mevrouw Bonaparte was min of meer,
dank zij haar tweede huwelijk, een déclassée geworden;
door geboorte en eersten echtgenoot behoorde
[25:]
zij tot den ouden
adel, van welken zij ook de uiterlijke voornaamheid bezat; door haar
tweeden man was zij echter geheel in het kamp der revolutie geraakt.
Bovendien onderging de roem van den held van Marengo toen een tijdelijke
verduistering; de afgunstige directoren hoopten dat hij niet van Egypte
zou terugkeeren, instinctmatig vreesden zij hem als hun toekomstigen
verderver; dus was eigenlijk niemand op een nadere verbintenis met de
familie gesteld. Ook werd gefluisterd dat hij van Josephine zou scheiden,
omdat zij zich te onvoorzichtig gedroeg. Maar alles veranderde als bij
tooverslag na Bonaparte's terugkeer; hij en zijn aangetrouwde familie
leefden inniger samen dan ooit, hij joeg het Directoire op den 10en
Brumaire uiteen, bekleedde zichzelf met de waardigheid van eersten consul,
nam zijn intrek in de Tuileriën, het paleis der oude koningen,
vormde een geheele hofhouding rondom zich, stelde zich aan als vorst
van Frankrijk, op alles na, behalve den titel.
Een oogenblik scheen het of hij plan had de rol van Monk te spelen en
zijn waardigheid in de handen van den wettigen koning neer te leggen;
er werd geintrigueerd en de oude adellijke partijen liefkoosden en vleiden
hem en de zijnen om strijd. Men zegt zelfs dat de gravin de Guiche door
den verbannen koning was afgezonden om met hem te onderhandelen en allerlei
fraaie beloften te doen.
Josephine vond deze rol wel aantrekkelijk; zij was
[26:]
in haar hart royaliste
gebleven, en ook Hortense, die vele aristocratische vriendinnen had,
voelde zich met hen één van ziel en één
van bloed. Beiden droomden van een herstel der oude monarchie; zij hoopten
of liever rekenden er vast op, de eersten te zullen zijn naast den troon
door hun man en vader opgericht.
Josephine was nooit voorgesteld geworden aan het hof, haar eerste man
wel - de kwade wereld beweerde alleen omdat hij zoo prachtig kon dansen
- nu echter zou zij voor 't minst hertogin worden en in tegenwoordigheid
der koningin mogen zitten.
Zij en haar dochter deden dus alles wat zij konden om Bonaparte over
te halen het koningschap te herstellen; alles was hem nu immers mogelijk.
Maar hij had geheel andere plannen. Telkens kwam Hortense hem vleien
om een gunst ten behoeve der adellijke familiën, die madame Campan
haar aanbeval; hij lachte er om en stond haar meestal haar verzoeken
toe. Plagend noemde hij haar "kleine Vendeesche" of "kleine
Chouanne". Hij, die de vrouwen niet zeer hoog stelde, nam haar
royalistische sympathieën niet ernstig op. Eens dat hij zijn degen
in haar bijzijn aangespte, schertste zij:
- Er is een andere, die u beter zou staan.
- Welke dan?
- Die van connétable.
Hij lachte en sprak niets meer, maar toen zij en Josephine er steeds
meer en meer op aandrongen en
[27:]
zich te veel met
zijn zaken bemoeiden, werd hij ongeduldig.
- Je bent een heele goeie vrouw, bitste hij, maar je hebt geen verstand
van die dingen. Laat mij maar begaan, je zult, evenals je kinderen,
meer krijgen dan men je aanbiedt.
Meer dan koningin! Dacht zij er reeds aan?