[1:]
EERSTE HOOFDSTUK
In de eerste jaren
der vorige eeuw straalde het kleine kasteel van Malmaison, vlak bij
Parijs in vollen glans van schoonheid, vreugd en geluk. Het witte huis
met zijn tuin vol rozen en vreemde gewassen, zijn serres gevuld met
de schoonste bloemen en planten uit alle streken der wereld, zijn park
- veel kleiner thans dan voorheen - met hooge en zeldzame boomen, zijn
fluweelzachte grasperken, vormt nu nog een liefelijke oase dicht bij
het woelige rumoer der wereldstad. Maar wat aan dit met zorg gerestaureerde
en aan den staat door baron Osiris afgestane lustoord zulk een geheel
bijzondere bekoring verleent, dat zijn de herinneringen aan de eerste
morgenschoone dagen van het Consulaat, toen Napoleon Bonaparte een einde
had gemaakt aan den schrikkelijken revolutie-tijd, toen het volk herademde
na langen, wreeden oorlog, omdat vrede gesloten was met bijna alle landen
van Europa en hij hier rustte van zijn roemrijke tochten.
Dan ziet men het park weer in zijn smaragden lentetooi, niet eenzaam
en stil als thans, alleen bevolkt
[2:]
door touristen
of dagjesmenschen met hun druk, banaal gedoe, maar vol leven, vroolijkheid
en glans.
Tusschen het groen schemeren de witte gewaden van jonge, mooie vrouwen;
arm in arm schijnen zij te zweven over het gras, bevallige écharpes
fladderen hen na, bloemen versieren hun lokken, borst en armen, parelend
klinkt hun lach, fonkelend zijn hun oogen, vol coquetterie de blikken
op hun cavaliers, forsche, jonge mannen in schitterende uniformen, het
gelaat gebronsd door de zon der slagvelden, doorkerfd somtijds door
de litteekens van sabelhouwen - of wel zij vullen de salons, klein intiem,
met fraaie, empire meubels, eenvoudig misschien naar onzen prachtlievenden
modernen smaak, toch versierd met kostbare kunstwerken, de buit der
italiaansche oorlogen. Daar vereenigt zich het vroolijke gezelschap
in gezellig samenzijn of in geanimeerde danspartijen. Men ziet ze terug
die jonge, gelukkige paren - want de meesten gunden zich nu den tijd
aan liefde en huwelijk te denken - zonder herinnering schijnbaar aan
de gruwelen achter hen, het oog alleen gericht op de heerlijke, zonnige
toekomst vol wonderbaar gebeuren en geheimen toover.
Tegen den schoorsteenmantel geleund in druk gesprek met een geestige
dame of een kranigen officier staat de meester van het huis, de jonge
generaal - of zooals hij thans getiteld is - de eerste Consul Napoleon
Bonaparte. Hij is nauwelijks dertig jaar en nog niet
[3:]
versomberd door
den druk en de zorgen van het latere keizersschap; opgewekt, levendig,
zelfs vroolijk schijnt hij te genieten van de levensvreugde rondom hem,
die door en in hem alleen bestaat. Zijn oogen schitteren, zijn mond
glimlacht mede en geeft aan zijn gelaat van romeinschen snit onweerstaanbaar
charme. Dan eerst begrijpt men de toovermacht van dezen man uitgaande
naar de honderdduizenden door hem blijde in den dood gejaagd. Soms alleen
verraadt een kleine frons van zijn voorhoofd, een eigenaardig knippen
van zijn oog, dat hij niet alleen door beminnelijkheid heerscht, dat
de leeuw, al hulde hij zijn klauwen in fluweel, gevaarlijk blijft zelfs
in het vroolijkste spel. Hij geniet van de vroolijkheid rondom hem,
als allen bezield door de vreugde van het leven: hij gunt zijn officieren
dit onbezorgde uur, zeker als hij is dat bij zijn eerste roepstem zij
zonder de minste aarzeling alles zullen verlaten, geliefde vrouwen,
pas gesticht huisgezin, rijk ingerichte woningen, alle weelde en schoonheid
van het leven om met hem de wreede wisselvalligheden van den oorlog
en den roem der overwinningen te deelen.
Hij zelf schijnt nu ook gelukkig, de stormen in zijn huiselijk leven
zijn uitgewoed, de hartstocht van liefde en jalouzie is bedaard, kalme
genegenheid, zekere medelijdende, neerbuigende vriendschap verbindt
hem nog alleen aan Josephine, maar toch ook bewondering voor de ideale
wijze, waarop zij hier in dit tamelijk
[4:]
gemengde gezelschap
haar eer als gastvrouw ophoudt.
Op de intieme ontvangdagen aan haar borduurraam of achter het trictracbord,
bij de bals op haar sofa troonend als vorstin in alles, behalve in naam
- zetelt zij, zijn bevallige gezellin.
Zes jaar ouder dan hij, is zij volgens algemeen gevoelen niet mooi meer
- eenigen beweren zelfs dat zij het nooit was - maar meer dan mooi bleef
zij, onzegbaar gratieus en elegant. Niemand beter dan zij weet met haar
zilveren stem van wondere liefelijkheid het rechte woord te vinden,
dat tot ieders hart dringt, dat vijandige partijen tot elkander brengt,
dat verzacht, verzoet, vereenigt, niemand beter dan zij weet door verstandig
zwijgen, aandachtig luisteren, beteekenisvolle blikken, te verbergen,
dat haar kennis en ontwikkeling zoo gering zijn; haar lieve lach en
zachte oogopslag, haar langzame bewegingen van zekere matheid, die haar
afkomst van creoolsche verraden, zeggen meer dan geleerde woorden en
wijze verhandelingen, die haar man van vrouwenlippen haat.
Niemand ook weet beter dan zij zich te kleeden, zoodat men niet zeggen
kan wie de grootste bekoorlijkheid verleent, zij aan haar toilet of
het toilet aan haar. Zeker, er wordt gefluisterd en geglimlacht, om
haar enorm hoog speldegeld, dat haar hevige scènes bezorgt met
den consul - die verkwisting en wanorde in geldzaken niet lijden mag
- en bittere tranen kost. Er wordt vaak gezinspeeld op haar niet onbevlekt
[5:]
verleden, maar
wie durft Cesar's vrouw te verdenken? En zij laat zooveel vergeven door
haar goedheid - want goed is zij, la bonne Josephine, zij kan niemand
iets weigeren, geen ongelukkige een aalmoes, geen veroordeelde een verzoek
om gratie, geen leverancier een premie of een gunst, geen verliefde
een liefkoozing, zegt men, zich zelf geen kostbare châle of juweel
- misschien is deze goedheid haar een sieraad geworden. In elk geval
zij staat haar uitstekend, zij kan niet anders dan goed zijn en goed
doen, zij wint hierdoor de liefde van haar man, doet alle harten tot
hem neigen en hij is er haar dankbaar voor; hij vergeeft haar grootmoedig
hare zwakheden, hij waardeert in haar de groote dame van het vroegere
régime, de edelvrouwe, die aan zijn nieuw hof glans en charme
geeft, al het ruwe wegvaagt, fijne vormen in eere herstelt.
Is Josephine te moede, te indolent misschien om zich met alle gasten
bezig te houden, een goede hulp vindt zij in haar dochter Hortense.
Even gratievol als haar moeder is het jonge meisje, sterker, verstandige
geestiger, beter ontwikkeld. Zij is onvermoeid, overal schijnt zij te
gelijk, haar stralende persoonlijkheid geeft leven en opwekking aan
het gezelschap. Eene, zoo gelukkig de feesten van Malmaison bij te wonen
en zich in het eerste gloren van het morgenrood van het keizerrijk te
koesteren; Laura Junot, later hertogin d'Abrantès door haar Mémoires
zoo bekend, zag haar aldus in Malmaison:
[6:]
"Mejonkvrouwe
Hortense de Beauharnais was bemind door haar geheele omgeving; toen
ik haar voor het eerst zag was zij 17 jaar oud, zij viel op zonder bepaald
een schoonheid te zijn, maar zij was frisch als een bloem, had de mooiste
haren der wereld, en dan, wat het charme eener vrouw uitmaakt, een bevallige
houding. Alle creoolsche nonchalance en alle fransche levendigheid waren
vereenigd in een taille, slank als een jonge palmboom. Zij was toen
poezelig en fijn, wat tot een mooie gestalte behoort. Zij had fraaie
voeten, zeer blanke handen, met blonde, rose nageltjes. Reeds sprak
ik van haar haren, die met hun lange zijden krullen, wonder mooi overeen
kwamen met haar blauwe oogen van oneindige zachtheid en groote scherpte
van gezicht. Haar teint was van een blondine, zij had niet veel kleur
maar haar wangen weerspiegelden genoeg rose om haar frisch te doen zijn
en dat op elegante wijze. Er was iets geurigs in die frischheid zonder
naar het hoofd te stijgen. Zij was niet lang, maar scheen het toch omdat
zij de houding had van een welopgevoede vrouw, die haar het hoofd twee
duim hooger deed dragen dan ééne van haar aangetrouwde
familie, die - niet minder, frisch dan zij - een mooie roos leek, diep
gedoken tusschen twee bergen van ivoor, gevormd door haar schouders".
Hier is Caroline Murat, Bonaparte's jongste zuster mee bedoeld.
Over haar karakter schrijft de hertogin verder, dat
[7:]
zij vroolijk, zacht,
door en door goed was, een fijnen geest bezat, die deze zachte vroolijkheid
verbond aan genoeg ondeugendheid om ze pikant te maken en haar conversatie
alleraangenaamst te doen zijn. Zij had vele talenten, zij kon goed teekenen,
uitstekend komédie spelen, zingen en zelfs componeeren. Toen
was zij een lief meisje, later werd zij een der beminnelijkste prinsessen
van Europa. Madame Junot verkeerde aan verschillende hoven, zij maakte
kennis met vele echte vorstinnen, maar nergens vond zij zooveel talent
en goedheid vereenigd als bij Hortense, die het van huis uit niet was.
Mevrouw de Rémusat, veel ernstiger en degelijker vrouw dan de
hertogin d'Abrantès, spaart evenmin haar lof aan Hortense, die
volgens haar aan de deugd deed gelooven. Het éénige wat
men op moeder en dochter kon aanmerken was dat zij te lief, te goed
schenen om het werkelijk te zijn. Men kon niet gelooven aan zooveel
beminnelijkheid en verdacht er het echte van. Later beweerde Louis Bonaparte
het tot zijn ongeluk maar al te zeer ondervonden te hebben.
Doch thans was alles zonneschijn en licht om de mooie, in jeugd en frischheid
schitterende Hortense; al was zij nog geen prinses, toch had zij er
alle rechten en plichten van. Evenals haar moeder vervulde zij haar
novitiaat van souvereine op waarlijk bewonderenswaardige wijze; het
was onbegrijpelijk hoe spoedig
[8:]
zij zich in haar
nieuwe waardigheid hadden weten in te leven.
Alle woensdagen had er op Malmaison een officieel diner plaats; tegen
zes uur verscheen de eerste consul, die den geheelen dag hard en ingespannen
werkte, voor het eerst in den gezelligen kring. Wanneer het mooi weêr
was, werd gedekt op het grasperk vóór het kasteel. Langer
dan een half uur mocht men niet aan tafel blijven; meestal werd er krijgertje
gespeeld en Napoleon nam er gaarne deel aan. Hij speelde echter altijd
valsch, hij trok zijn jas uit en liep zoo vlug als zijn lievelingsgazelle,
wier neusgaten hij de aardigheid had met snuiftabak te vullen, zoodat
het dier allerlei dolle sprongen maakte, tot zijn grootste pret maar
tot wanhoop der dames, aan wier kleeren zij trok en wier beenen zij
dikwijls verwondde. 't Was dan een gelach en gestoei zonder einde, allen
even onbezorgd en vroolijk - de meester vermaakte zich, wie zou durven
achterblijven?
Soms echter werd ernstiger uitspanning gekozen, dan speelde men komedie.
De eerste consul zelf maakte het repertoire op; het belangrijkste stuk
dat men opvoerde was "Le Barbier de Séville" van Beaumarchais.
Hortense vervulde de hoofdrol van Rosine en zóó bevallig
stelde zij het spaansche meisje in haar aangeboren naiveteit en slimheid
voor, dat de schrijver zich geen betere voorstelling van zijn geestesdochter
had kunnen denken.
Nog jaren later leefde de herinnering aan de mooie
[9:]
Rosine bij de acteurs
en toeschouwers der Malmaison-voorstellingen voort. Men zag haar terug
in haar zwart keurslijfje dat haar slanke gestalte zoo knap omsloot,
met het zwarte hoedje en de rose veer op haar goudblonde krullen; men
hoorde haar glasheldere stem en zilveren lach, waarin tranen doorschemerden.
Bourrienne, die later Rosine zoo schandelijk zou belasteren, was Bartholo,
haar voogd, de elegante, ridderlijke Eugène speelde voor Basilio,
evengoed als zijn zuster, Lauriston, een generaal voor Almaviva. Over
zijn opvatting van de minnaarsrol waren de meeningen tamelijk verdeeld.
Zekere Didelot was een uitstekende Figaro.
Men speelde meestal komedies, maar ook de tragedie durfde men een enkelen
keer aan; de consul noodigde soms wel honderd vijftig gasten om de voorstellingen
bij te wonen, zoodat het gehoor met de gewone intimes van het kasteel
vaak driehonderd heeren en dames telde.
Natuurlijk ging alles niet altijd in vrede en liefheid toe onder de
schitterende oppervlakte woelden allerlei klein geestige hartstochten,
jalouzieën, verdachtmakingen. De kloof tusschen de Beauharnais
en de Bonapartes hoewel nog niet zoo gapend als later, had zich reed
gevormd. In Neuilly, het kasteel van Lucien Bonaparte, speelde de gastheer
tamelijk goed met zijn oudste zuster Elisa Bicciocchi, die echter door
haar spel in de tragedies, waarin zij bij voorkeur optrad meer deed
lachen dan huilen. Napoléon was de
[10:]
eerste om haar
spel als een parodie op te vatten en er hartelijk plezier over te hebben,
wat Elisa bitter verdroot.
De Bonapartes konden het hun machtigen broeder nog maar niet vergeven,
dat hij de vicomtesse de Beauharnais had getrouwd en nog veel minder
dat hij haar beide kinderen als de zijne liefhad. Zij voelden hoe de
drie hen overtroffen in tact en distinctie, hoe zij zelf tegenover hen
steeds parvenus bleven, al deden zij toen reeds hun best voor prinsen
en prinsessen te spelen.
Daar waren Lucien en Josef met hun eenvoudige vrouwen, - Christine Boyer
en Julie Clary - Caroline met haar schitterenden teint van melk en rozen,
verloofd met Joachim Murat, niet geheel volgens den zin van Napoléon,
wiens scherpe blik de groote gebreken van den aanstaanden Napelschen
koning reeds in den jongen generaal had opgemerkt; Paulette, onvergelijkelijk
mooi maar niet minder ongeloofelijk dom en koket, toen nog eenvoudig
madame Leclerc; Elisa, vol pretentie en verwaandheid op haar geest,
die haar, de leelijkste der familie, boven allen, zelfs boven den beroemden
broer consul moest verheffen; zij zagen allen neer op de Beauharnais.
Zelf allesbehalve onberispelijk in levensgedrag, maten zij Josephine's
vroegere tekortkomingen breed uit, ontzagen zich niet de toen nog zoo
vlekkelooze reputatie der jonge Hortense te bekladden door den afschuwelijksten
laster, lachten -
[11:]
maar heel zacht
- over de preutschheid van Napoléon, die op Malmaison niemand
ontving van twijfelachtig gedrag, geen liefdesintrigues duldde dan tusschen
verloofden en echtgenooten.
Het waren dan ook meest jonge, gelukkige, verliefde paren, die zich
rondom hem bewogen in Malmaison - de consul wenschte dat zijn generaals
zich vrouwen kozen liefst onder den ouden adel, en waar het niet gemakkelijk
ging, hielp hij gaarne een handje mee. Daar zag men de 17-jarige Laura
Permon, afstammeling van het keizersgeslacht der Byzantijnsche Comnenes,
de veelbesproken en veel schrijvende mevrouw Junot, hertogin van Abrantès,
die bijna de stiefdochter van Napoléon was geworden, - want met
zijn sympathie voor oudere vrouwen, was hij eens doodelijk verliefd
op haar moeder geworden - de madonna-schoone freule de Guéhemenec,
later mevrouw Lannes, hertogin van Montebello, de edele mevrouw Davoust,
geboren Aimée Leclerc, schoonzuster van Pauline Bonaparte, Eglé
Augnier, de uitverkorene van den grooten maarschalk Ney, hertog van
Wagram, Emilie Lavalette, een nicht der Beauharnais, levenslang de platonische
mededingster van Hortense in het hart van Louis Bonaparte; die zich
zou beroemd maken als bevrijdster van haar echtgenoot uit de gevangenis;
dan madame Marmont, dochter van den rijken bankier Perregaux, Clara
de Vergennes, mevrouw de Rémusat, ook beroemd door haar Mémoires,
mevrouw Savary,
[12:]
die beeldschoon
zou geweest zijn zonder een te breede bovenlip en wier naam later met
dien van den keizer in geheimzinnig verband werd genoemd, dan de vrouwen
van Lauriston, Mortier, Bourrienne.
Dit was het bevallige hof van den eersten consul, het eskadron van mooie,
jonge vrouwen aan welks hoofd de toen nog zoo gelukkige en onbezorgde
Hortense de Beauharnais het voorrecht had te staan.
Zij nam haar koningschap waar met een gratie, die veel nijd deed verstommen,
maar haar natuurlijke vijanden, de broers en zusters van haar stiefvader,
met slecht verborgen ergernis vervulde.
Zij bespotten de hoofsche vormen, de fijnvoelende beleefdheid der vorstinnen
van Malmaison, daar zij zich niet tot hun hoogte konden verheffen. Zij
vergaven het hun broeder niet dat hij, de leeuw, zich vernederde tot
hofjonker, lessen van wellevendheid vroeg aan zijn gedistingueêrde
vrouw - zij sloten zich vaster aaneen, vergaten hun onderlinge grieven
om den zoogenaam den clan der oude fransche aristocratie te bestrijden,
wier natuurlijke distinctie zij voelden tot een andere wereld en tot
een andere beschaving te behooren - waaraan zij steeds vreemd zouden
blijven, want ondanks al hun pogingen ontbrak hun altijd het zekere
iets, dat den anderen als feeëngave in de wieg scheen gelegd. Het
parvenuschap, dit begrepen zij bij instinct, kwam nergens zoo goed uit
als in de omgeving van Josephine en Hortense - bij hun zachte, lieve
[13:]
stemmen klonk hun
Corsikaansch Fransch ruwen scherp, het accent kwam in ondoordachte oogenblikken
onwelkom te voorschijn - slechts aangeleerd waren hun goede manieren
en spoedig afgelegd in opwellingen van pret of toorn. Toen reeds was
de ondergang der Beauharnais door hen besloten, geen wapen was hun te
onedel of te scherp. Zoo werd dus voor Hortense haar toekomstig noodlot
voorbereid, het naderde met zware treden.
Maar het luchtige, vroolijke vlindertje hoorde ze niet, verdoofd als
zij werden door muziek, gelach en teere liefdewoordjes.