VIII.
"Zie eens Hermine!"
riep van Akkeveen plotseling, toen zij de laatste afspanning achter
zich hadden.
"Wat is er?" vroeg zij, zich verschrikt opheffend, want zij
was juist even ingesluimerd zonder het zelf te weten.
"U wordt begroet op het grondgebied van Ngaroengan."
Drie, vier luchtpijlen stegen in de duisternis op en lieten een regen
van bont gekleurde sterren na, die tusschen de groote constellatiën
aan den donkeren hemel een oogenblik flikkerden om dadelijk weer te
verdwijnen.
[54:]
"Dan heeft
Cor toch de boel in beweging gebracht," zei de oude heer ontevreden.
"Natuurlijk papa!" antwoordde van Akkeveen spottend. "U
zal nog wel wat anders zien, alle kampongs zijn in rep en roer."
Werkelijk hoorde Hermelijn een verward gedruisch van Javaansche muziekinstrumenten,
dat zelfs het gerol van de wielen overstemde.
"Is dat voor ons? " vroeg zij verbaasd.
"Ja zeker, voor u en voor dien akeligen Sinjo, die daar in den
hoek zit en niets van al dat spektakel verdient," zeide haar schoonvader
met verbeten toorn, die eindelijk zich lucht gaf.
Hermine werd ijskoud, zij voelde zich vernederd en beschaamd in den
persoon van Conrad. Een onbestemde vrees voor verschrikkelijke dingen
verlamde haar spraak en deed haar huiverend ineenkrimpen.
't Liefst had zij zich thans aan Thoren geklampt en hem gesmeekt:
"Niet verder, neem mij mee! Ik vertrouw jou alleen,want ik ben
zoo bang voor al die zonderlinge menschen."
Maar reeds dadelijk verweet zij zich die gedachte als een zonde tegen
haar man, als een beleediging hem aangedaan; hij zou haar steunen, zoodra
zij hem beter begreep; zij overwon den aanval van echt vrouwelijken
angst, die haar had bevangen en staarde naar buiten.
Overal brandden lichten, overal waren vreugdevuren ontstoken ter eere
van de jonge bruid, die haar intrede kwam doen en die den bruidegom
nog steeds aan haar zijde miste.
Conrad had nu zijn oogen gestoten en leunde achterover; zijn hand hield
hij gebald als in machtelooze woede, zijn trillende lippen perste hij
samen als om de bittere woorden te onderdrukken, waarmede hij zoo gaarne
den uitval zijns vaders had beantwoord.
August richtte zich op, wreef zijn oogen uit en zeide alleen:
"Nu bijna. Ik hoor al de doeng-doeng!" [Javaansche geraasmakende
instrumenten.]
"En ik de breng-breng," merkte Akkeveen lachend op, "zusje
Hermine, u is muzikaal heb ik gehoord,
[55:]
wat zal u genieten
bij dat concert, waarnaast de Grenadiers in de schaduw verzinken."
"'t Maakt toch een heerlijk effect."
"Getemperd door den afstand en de geheimzinnige muziek van een
tropischen nacht," zeide Thoren, "ik ben u zeer dankbaar,
mijnheer de Géran, dat u mij in de gelegenheid heeft gesteld
tot het bijwonen van zulk een echt indisch feest."
"Daar was het toch niet om, Thoren," was 't antwoord, dat
aan oprechtheid niets te wenschen overliet; "ik wist er niets van
dat mijn dochter die komedie had gearrangeerd. Enfin, ze houdt van zulke
dingen."
"'t Bewijst voor juffrouw de Géran's poëtische neigingen."
Akkeveen grinnikte van pret; August zelfs deed iets hooren, dat eenigszins
op een lach geleek, de muziek had hem blijkbaar wakker gemaakt. Conrad
stopte zijn ooren toe als een bewijs dat hij niets wilde hooren.
"Wat zijn de bloemen spoedig verflenst," zeide Hermine met
een zucht.
"Geef hier, ik zal ze wegwerpen," vroeg Thoren, "een
bruid mag haar blijde intrede niet doen met verwelkte bloemen."
"Neen, laat ze mij houden ter wille van hem, wiens naam je bij
het overreiken hebt genoemd," fluisterde zij met vochtigen blik.
"En als een herinnering aan de onbeleefdheid van je bruidegom,"
beet de oude heer haar spijtig toe.
Zonder een woord te zeggen, wierp Hermelijn het bouquet 't raampje uit.
Even opende Conrad zijn groote oogen maar sloot ze weer en alleen August
hoorde hem zacht kreunen.
"Allah, allah!"
"Diam;" zeide hij 'op een soort van troostenden toon, goedig
en medelijdend, "toch tra boleh boeat!" [stil! 't helpt toch
niet.]
Niemand, die dat groote rijtuig, schijnbaar vroolijk en opgewekt, den
weg zag overvliegen, terwijls links en rechts vuurpijlen opstegen en
de muziekinstrumenten hun groet brachten, kon vermoeden, hoeveel daar
binnen geleden werd.
[56:]
De weg ging nu
langzaam stijgen, want het landhuis van de Gérans lag op de helling
van een berg; sterke balsemgeuren vervulden de lucht en stegen Hermelijn
naar het hoofd.
"Dat zijn de bloeiende koffie bosschen," verklaarde Akkeveen,
"zie nu daar tegen dien berg op, Hermine!"
Een roodachtig licht, gloeiend als een ontzaggelijke brand, spreidde
zijn schijnsel in de donkere massa uit, de palmboomen schenen gloeiende
pluimen; een keten van gouden kralen gelijk, kronkelde een rij lichten
zich langs de helling omhoog als om den weg te wijzen naar die groote,
glinsterende lichtbron.
"Cor heeft alles grootsch gedaan," zei Akkeveen en August
scheen geen rust meer te hebben, hij wrong zich naar het portier en
stak zijn hoofd naar buiten.
"Daar is Portias!" riep hij uit.
Een ruiter kwam hen tegemoet, aan het hoofd van een soort eerewacht,
bestaande uit Javanen op hun kleine, vurige, met roode linten en kleurige
schabrakken opgesierde paarden; allen hielden brandende toortsen in
de hand, die zij bij wijze van welkomstgroet hoog boven het hoofd zwaaiden.
Er scheen plan te zijn een aanspraak te houden maar de heer de Géran
gaf bevel voort te rijden.
"Ga door, ga door! Ik heb haast met die ellendige komedie gedaan
te maken," zeide hij.
Nu reed de eerewacht langs beide zijden van het rijtuig, dat slechts
stapvoets de helling kon opkomen; de muziek werd hoe langer hoe levendiger
en minder harmonisch. Anklong, rebab, gambang en gamelang vereenigden
hun onsamenhangende klanken in een concert, dat de dieren van het woud
zeker deed wakker schrikken: er werd geschoten en gevuurd, en de echo's
uit het gebergte weerkaatsten het feestgejuich honderden malen.
De lucht roosde van het vuurwerk en de sierlichten; in de verte schitterde
als een poort van het zorinerijk een groote, helder verlichte boog in
blauwe, roode en gouden glanzen; de boomen en rotsen werden door bengaalsch
vuur afwisselend met zacht zeegroen, hel oranje, of tee der azuur overgoten;
alles verkreeg een tooverachtig aanzien in dat geheimzinnige licht.
[57:]
De bergen straalden
een vreemden, bovenaardschen gloed uit, de kleine gestalten der Javanen
schenen als berggeesten heen en weer te zweven, hun bamboezen woningen
geleken paleizen, waardig de hovelingen van een bergkoning te herbergen.
"Zullen we uitstappen, meneer van Akkeveen?" vroeg Thoren
van Hagen.
"Dank je, ik zit goed," was het flegmatische antwoord.
"Wacht, ik wel." en met een sprong was August hem voor.
Conrad maakte ook aanstalten hem te volgen.
"Wat beteekent dat?" vroeg barsch en kort de vader, "je
blijft!"
En de hoofdpersoon van het feest kroop weer in zijn verloren hoekje.
Hermelijn had een onweerstaanbaren lust iets te zeggen, iets te vragen,
maar de woorden bleven haar voor de lippen steken.
"'t Is een misverstand, Conrad meent het zoo goed," zoo troostte
zij zich zelf en begon met werkelijk genot naar die schitterende ontvangst
te zien.
Hoe heel anders zou 't geweest zijn, als zij Conrad naast zich mocht
hebben, hoe had zij zich dan verheugd; want waarlijk in haar stoutste
droomen had zij zulk een blijde inkomst niet durven hopen.
De voetgangers hadden een onvergelijkelijk schouwspel voor oogen, dat
bij elke kromming van den weg veranderde; een reusachtige waaier van
gouden vonken rees achter de eerepoort op en liet haar vallende sterren
regenen over boomen, menschen en rotsen.
"'t Is eenig," riep Thoren van Hagen opgetogen uit, "ik
heb respect voor degene, die dit feest zoo regelde.
"Uw zuster deed het immers!"
"Jawel, maar Javanen helpen haar."
"Dat spreekt, de hoofdgedachte komt toch van haar."
"En van Portias."
"De bruidegom schijnt niet in zijn humeur. Waarom zou dat zijn?"
"Weet niet."
"Hij krijgt toch een allerliefst vrouwtje."
"Jawel."
"Zie, wat een feeënslot!"
Inderdaad waren ze nu op het punt gekomen, van
[58:]
waar men het tooverpaleis
kon zien in dit feeënland; een paleis, zoo scheen Thoren van Hagen
het sneeuwwitte, hooggelegen gebouw toe, dat op eenigen afstand van
den eereboog, zich losmaakte van den somberen achtergrond, vonkelend
in verblindenden goudglans.
Slingers van licht strekten zich uit van dat hoofdgebouw naar de vleugels
en de eerepoort loodsen, waarin de Javanen voor hun instrumenten zaten,
waren door de lampen in lichtkiosken herschapen; danseressen, wier glazen
kralen in al dien glans flikkerden in topazen en brillanten, kronkelden
hun lenige ledematen tot het voeren van den tandakdans; op het oogenblik,
dat de reiswagen in volle vaart de eerepoort doorreed, lieten alle instrumenten
den koningsmarsch hooren.
"O, hoe heerlijk, hoe poëtisch," riep de bruid, alleen
door één wensch bezield: "Conrad, kom hier naast
mij!"
Er lag zulk een smeekende toon in haar stem, dat de oude heer, die anders
niet aan overmaat van gevoel leed, er door getroffen werd.
"Neem er geen notitie van!" zeide hij knorrig, "die kwajongen
is boos op zijn vader, recht mooi op zulk een dag! Wij allen zeggen
je hartelijk welkom, Hermine, ik ben er van overtuigd, dat je een goede
dochter voor ons zijn zult."
"O, vader, kan u er aan twijfelen?" vroeg Hermelijn en schoof
zich, dorstend naar een liefkozing, aan zijn zijde; hij sloeg den arm
om haar middel en kuste haar hartelijk. "Je zult van dien wildeman
een mensch maken, ik ben er van overtuigd," fluisterde hij en voegde
er bij:
"Je moet Corona ook zeggen, dat je 't zoo mooi vindt."
"Zeker papa, 't is dan ook tooverachtig!"
Zoo grootsch en indrukwekkend als de mise en scène, zoo ongeregeld
was de eigenlijke intocht.
De eerewacht reed nog steeds om den reiswagen, Portias liet zijn paard
allerlei fraaie sprongen maken; August wandelde naast Thoren van Hagen,
op eenigen afstand van het rijtuig; toch zagen zij 't eerst de tot plechtige
ontvangst bestemde groep.
Een twaalftal kinderen, meisjes in witte kleeren, jongens in blauwe
pakjes, met krullende kopjes, en bloemen in de hand, stonden op de marmeren
trappen,
[59:]
tusschen de met
hooge aloës en cactussen gevulde vazen; achter hen strekte zich
de breede galerij uit, badend in licht; de pilaren waren alle met groene
slingers van boven naar beneden omwonden, waarin vurig brandende rozen
gelijk, de veelkleurige lampjes verscholen waren, die aan het huis het
aanzien van een tooverslot gaven.
In het midden hing een groote kroon van groen en lichten, tusschen een
helder glinsterende C. en H.; op de bovenste trede der marmeren trap
stonden verscheidene heeren en dames, rondom een koninklijke verschijning.
Zooals zij daar stond met het bevallig kindergroepje aan haar voeten,
omgeven door verscheidene personen, die zich als bij afspraak naar het
tweede plan terugtrokken, scheen zij de koningin te wier eere dat feest
gegeven werd; haar donkerrood fluweel en costuum kwam scherp uit in
het felle licht, om haar hals schitterden in duizend facetten de brillanten
van haar ketting; in haar gitten lokken, die van haar breeden diadeem;
haar armen en vingers wierpen vonken naar links en rechts, zoo waren
ook deze met edelgesteenten bedekt.
Alles scheen een reusachtige troon voor haar; al dat licht moest slechts
dienen om haar in een lichtgloed te baden, haar een aureool, een voettrede
te geven, haar vorstelijkheid ten voile waardig.
Thoren van Hagen's oogen trilden bij het zien van al dien glans.
"Moest ik daarom op Java en in dit bergland komen," dacht
hij, "om die koningin van den nacht te zien, in haar paleis, die
prinses, wie de kroon van Insulinde alleen passen zou? Ik zag haar gelijke
nog niet, ik, die zoo verre ben geweest; zij of geen andere!"
Juist kwam de reiswagen aan den voet der trappen en hief in europeesche
muziek de "Hochzeitsmarsch" aan. De oude heer de Géran,
die al dien ophef kinderachtig vond en het liefst zijn huis donker en
stil had gevonden, stapte het eerst uit en bood zijn schoondochter de
hand en daarna den arm aan; de bruidegom kwam achter hem, linksch, verlegen
met zijn figuur, nog somberder en knorriger dan hij 't reeds geweest
was.
[60:]
Hermelijn werd
duizelig door al dien glans en pracht, zij voelde zich zoo klein, zoo
nietig in haar eenvoudig reisjaponnetje, zoo ongeschikt om de hoofdpersoon
van dat alles te zijn.
Een der kinderen bood haar een bouquet aan, zij nam het in de hand,
onweerstaanbaar geboeid door de hooge, statige gestalte, die haar boven
aan de trap opwachtte.
Twee armen sloten zich om haar, zij voelde het donzige fluweel aan hare
wangen en haar oor schaafde door de aanraking met de à jour gezette
diamanten; zij hoorde, dat men haar toefluisterde:
"Welkom, in ons midden! We hebben zoo naar je verlangd. Ik ben
Corona!"
Maar zij kon zich van geen enkelen indruk meer duidelijk rekenschap
geven; alles danste en flikkerde voor haar oogen, als in de verte hoorde
zij wat Corona haar bij het voorstellen van elk der familieleden zeide:
"Sophie, Phientje, Dolly, Kitty, Margot. . ."
Zij zag schemerend voor zich een dikke, indische dame, met een knap
maar dom gelaat, een magere, schrale, blondine, die echter genoeg haar
oostersche afkomst verried; twee mooie brunetten, sprekend op elkaar
en op Conrad gelijkend, een opgeschoten meisje, dat men in Holland zestien,
hier echter gerust drie jaar jonger kon geven; door allen werd zij min
of meer hartelijk gekust.
Toen kwam de beurt aan de kinderen; als een eindelooze, verwarde litanie
hoorde Hermelijn hun namen door de respectieve moeders opdreunen. Zij
kuste en werd gekust, zij glimlachte en boog zich, altijd met het vage
bewustzijn, dat alles niet haar maar een geheel vreemde Hermine overkwam.
"U zal zeker behoefte hebben aan iets verfrisschends, mevrouw?"
zeide een fleem ende stem naast haar; Hermelijn zag om en verschrikte.
Een kleine, bijna monsterachtige gedaante stond voor haar.
't Was een vrouwtje, niet grooter dan een kind van twaalf jaar, met
een diep tusschen de schouders ingezakt hoofd, dat op een grooter lichaam
scheen t'huis
[61:]
te behooren; de
rug welfde zich van achteren tot een vrij hooge bult, waarover een netwerk
van koordachtige losse krullen uitgespreid lag; de borst was ingezonken
en het gelaat vergoedde niet, wat aan het uiterlijk overigens te kort
schoot.
Een breede mond vertrok zich bijna telkens tot iets, wat een glimlach
bedoelde te wezen maar het niet verder kon brengen dan tot een grijns;
de oogen waren ver van elkander geplaatst en niet geheel en al eensgezind,
als zij zich op één punt moesten vestigen; het haar borstelachtig
en stijf had zij slechts met groote inspanning tot krullen weten te
wringen. Van voren gezien maakte het geheele menschje den indruk of
zij oorspronkelijk van middelmatige lengte had moeten zijn, maar door
een vreemd toeval in tweeën was gebogen; al het materieel scheen
aanwezig om van haar een gewoon figuur te maken, doch een booze fee
had haar op het hoofd geslagen en het was ingezakt, zoodat alles zich
naar een verkeerde richting moest uitzetten.
Dat afzichtelijke voorkomen had Hermelijn uit haar verdooving ontrukt,
en zonder het te willen teekende haar gelaat schrik of afkeer; voor
een seconde slechts, want om haar onwillekeurige bewegin. goed te maken,
zeide zij zoo vriendelijk mogelijk:
"O, als 't u belieft, ik voel me zóó mat."
Het schepseltje verwijderde zich en dadelijk kwam een bediende, in het
wit en roode liverei der Gérans, om de heupen met een korte,
tot de knie afhangende sarong voorzien, haar een zilveren blad aanbieden,
waarop champagne, pasteitjes, sandwiches en taartjes. Hermelijn dronk
en herinnerde zich nooit iets gebruikt te hebben, dat haar meer goed
deed; zij nam ook een pasteitje en zag onderwijl naar haar man om; hij
was echter nergens te ontwaren.
Corona stond als middelpunt van een groepje heeren; juist werd Thoren
van Hagen aan haar voorgesteld; zij sprak en lachte vroolijk, coquet
spelend met haar grooten zilverkleurigen waaier, dien zij als een scepter
wist te hanteeren.
"Is u moe, zuster?" vroeg de goedige dikkert, in wie Hermelijn
August's vrouw, de moeder van tien kinderen, raadde.
[62:]
"Ik ben doodaf."
"Dan u moet maar gauw slapen, anders u wordt nog ziek."
"Ik geloof, dat het ook 't verstandigst zou wezen," antwoordde
Hermelijn glimlachend.
Als een gedienstig kaboutertje, stond de kleine bochel weer naast haar.
"Zou u willen rusten, zal ik juffrouw de Géran vragen, of
ik u naar uw kamer zal brengen?" vroeg zij in zuiver Amsterdamsch
dialect met den echt Haarlemmerdijkschen tongval.
"Als juffrouw de Géran dat moet beslissen dan maar ja,"
antwoordde Hermelijn, die, hoe vermoeid zij ook was, het algemeen erkende
overwicht van haar schoonzuster maar niet zoo voetstoots wilde erkennen.
De kleine figuur schoot snel weg en was onmiddellijk naast Corona te
zien, die haar hooge gestalte voorover boog om haar fluisterend te woord
te kunnen staan.
"Wie is die dame?" vroeg Hermelijn aan de dikke vrouw.
"De juffrouw."
"Een gouvernante?"
"Ja, huishoudster meteen."
"O zoo en u is zeker de vrouw van August."
"Ja, ik ben Poppie."
Hermelijn herinnerde zich niet dien naam gehoord te hebben bij de opnoeming,
maar deed geen verdere navraag."
"Dan zijn we schoonzusters, ik heet Hermine."
"Ja, ik weet wel."
Juist kwam "de juffrouw" terug.
"Juffrouw de Géran vindt het jammer, dat u al heen gaat.
Het bal begint dadelijk en u moet niet vergeten, dat u er hoofdpersoon
van is."
"Ja, ik had 't vergeten," antwoordde Hermelijn weemoedig,
"maar mij dunkt, dat alleen mijn man hier te beslissen heeft."
Vier hoofden werden bij deze woorden nieuwsgierig bij elkaar gestoken.
Hermine, ontevreden gestemd, voelde er behoefte aan zich te kanten tegen
haar omgeving en had lust haar wil door te drijven.
[63:]
De vier schoonzusters
keken elkaar veelbeteekend aan.
"Waar is Conrad?" vroeg zij.
"Wel!" sprak de juffrouw, "ik weet het niet. Ik zal erisis
kijken, mijnheer is misschien ook moe."
De zusters gichelden onder elkaar, Hermelijn door de champagne opgewekt,
voelde haar bloed koken.
"Ik zal het mijn man vragen en wat hem dunkt, is natuurlijk goed."
"Ik zal 't juffrouw de Géran ereisis zeggen," sprak
de juffrouw op een toon, die duidelijk beteekenen moest, "dan ben
ik van de verantwoordelijkheid ontslagen."
"We hebben nog geen oogenblik samen gesproken," klaagde Hermine,
die van het viertal afgescheiden stond, als ging het geheele feest haar
niet aan.
"Magik mij aan u voorstellen, waarde zuster!" zeide, op een
toon van pedanterie niet vrij, een hoogst welluidende stem, en Hermelijn
herkende in het rijkostuum, dat hem zeer goed kleedde, den kommandant
van de de eerewacht, haar zwager Portias.
"Mijn man," zeide Kitty trotsch.
"Juist, die eer en dat geluk heb ik, lieve vrouw! Ik hoor, dat
u muzikaal is, zuster Hermine! Ik aanbid muziek, ik had er mijn leven
aan gewijd, voordat Amor onder gedaante van dat ondeugende schepseltje
naast u, mij trouweloos had gemaakt aan mijn bruid, niet waar, beste
harp?"
Kitty lachte en vleide zich liefkozend naast haar man, die haar met
zijn arm omgaf en snel een paar kussen op de lippen drukte; 't was het
eerste bewijs van hartelijkheid, dat Hermelijn van haar nieuwe familieleden
zag en het maakte een aangenamen indruk op haar
"Hoeveel ik anders ook van muziek houd," zeide Hermelijn glimlachend,
"nu kan ik het woord zelfs niet meer hooren. Ik ben zoo moe en
Conrad. . ."
"Heeft nog niet naar mij omgezien," wilde zij zeggen, maar
weerhield het verwijt op haar lippen.
"Ik hoop, dat u beiden langzamerhand twee gelijkgestemde instrumenten
moogt worden," wenschte Portias, "'t gaat zoo spoedig niet,
dat stemmen neemt veel tijdweg, daar weten wij van mee te praten, niet
[64:]
waar viooltje? Maar
als je eenmaal op één diapason
staat, dan hinderen sommige dissonanten niet; al ben je dan nog zoo
geheel verschillend van neigingen en karakter, dat beteekent niets,
je zult toch aangename harmonieën voortbrengen."
"Een mooie vergelijking," zeide Hermine lachend.
"Hij praat altijd zoo," verzekerde Kitty met een lief indisch
accent, en wierp haar man een bewonderenden blik toe.
"En de stemvork is liefde en de stemhamer geduld, denk daar aan,
zus Hermine!"
"lk zal er om denken." De tranen schoten haar in de oogen
en reeds dadelijk voelde zij zich tot dit paar meer aangetrokken dan
tot de overigen.
"Als ik me niet vergis zijn wij nog al in denzelfden toon gestemd,"
merkte Portias op als had hij haar gedachten geraden, "denk je
ook niet, kleine Cello? Wat dunkt je, zullen wij 't nieuwe zusje naar
haar kamer brengen?"
"Ach neen, Jo, Cor wil 't niet."
"Mijn piano! durf je het waarlijk niet doen? Kom, ik zal het Cor
maar eens vragen."
"Niet doen, Jo, niet doen! Waarvoor toch je daarmee bemoeien?"
Juist viel de dansmuziek in en eindelijk was Conrad gevonden; Corona
gaf hem den arm en bracht hem zoo naar Hermelijn.
"Zie, nu moet je de polonaise openen," zeide zij.
"Geef je ons nog geen vrijaf?" vroeg Hermine, "ik heb
meer behoefte aan rusten dan aan dansen."
"Na de polonaise ben je vrij."
Conrad gaf zijn vrouw den arm, zonder de uitdrukking van zijn gelaat
te veranderen, zonder haar een woord te zeggen, zonder haar hand meer
te drukken dan volstrekt noodig was.
Vlak achter hen ging Corona aan den arm van een veel kleineren man,
den resident der residentie, waarin Ngaroengan gelegen was en die reeds
sinds verscheidene jaren alle mogelijke pogingen deed om het onneembare
hart der schoone, trotsche jonkvrouw de Géran te veroveren. Achter
hen kwamen familieleden en genoodigden, paar aan paar; enkelen bleven
terzijde, waar
[65:]
onder August's vrouw,
de oude heer, Thoren van Hagen en de steeds bedrijvige juffrouw.
Hun blik volgde onophoudelijk het zonderlinge bruidspaar; niemand zou
ontkennen dat zij een fraai contrast met elkander vormden: beiden stralend
van jeugd, flink gebouwd, maar toch kon niemand hen met voldoening nastaren.
Zij zag er afgemat en treurig uit, en sleepte zich voort en Conrad ergerde
ieder door zijn onverschillige houding en knorrig gelaat.
"Arme Hermelijn," dacht Thoren van Hagen, "zult ge gelukkig
worden, ik vrees dat ge uw geluk tot duren prijs moet koopen."
Maar onwederstaanbaar werden zijn oogen geboeid door de godinnengestalte
van Corona.
"'t Is jammer dat zij zoo'n partner heeft," mompelde hij,
"ik geloof dat ik alleen haar nog in lengte voor ben."
Plotseling bleef de bruid staan.
"Ik kan niet meer," fluisterde zij, de aandoeningen werden
haar te machtig, de gedachte, dat zij vertoond werd als een kermispop
onder het klinken van luidruchtige muziek, dat ieder haar besprak en
beoordeelde, hinderde haar misschien, maar zou haar op andere tijden
slechts een hartelijken lach hebben ontlokt; nu echter voegde dit denkbeeld
zich bij haar hopeloos smachten naar een woord van herkenning, naar
een schaduw van een liefkozing van hem; wien ten wille zij haar vaderland
en vrienden had verlaten.
Alles werd haar onverschillig, een onverklaarbare, namelooze walg voor
de geheele omgeving vervulde haar ziel, alles scheen haar een landschap
toe in motregen, een boek zonder geest, een schilderij zonder kleur.
"Laat mij gaan, ik bid het u!"
De levendige gordel hield op zich voort te bewegen.
"Iteko," riep Corona en op dezen zonderlingen naam sprong
de juffrouw overeind en tusschen alle paren, die elkaar eensklaps loslieten
en zich met de anderen vermengden, baande zij zich een weg en hoorde
het kort uitgesproken bevel harer meesteres aan.
"Breng mevrouw naar de logeerkamer!"
"Bestig, juffrouw."
Wat er nu gebeurde, wist Hermelijn zich later niet meer met nauwkeurigheid
te herinneren; alleen voelde
[66:]
zij dat Conrad haar zijde verliet, dat de muziek een anderen deun aanhief en dat het monstertje haar voorging naar een der binnenkamers, haar hielp ontkleeden en toen te bed bracht, waar Hermelijn onmiddellijk in een doffen slaap viel, die veel van bewusteloosheid had.