[47:] VII.
Er werd aan de deur
getikt.
"Hermine."
Zij sprong op, en riep "Binnen"; er was niets aan haar toilet
te veranderen, alleen haar blonde lokken hingen in allerliefste verwarring
om haar voorhoofd en slapen, maar zij was te bevangen door den slaap
om daarvan bewustzijn te hebben.
De deur werd geopend en haar schoonvader trad binnen, gevolgd door een
slanke jongensfiguur.
"Hier is je man, Hermine."
Zij stond als vastgenageld, waarom kwam hij niet nader, was het aan
haar om hem tegemoet te gaan?
Was dit het oogenblik, waarnaar zij zoo lang en vurig had gesmacht?
Hij geleek sprekend op zijn portret: een mooie, donkere knaap, nog niet
geheel uitgegroeid misschien, maar met een norsche, ontevreden uitdrukking
onder de gefronsde wenkbrauwen; als een automaat stak hij de hand uit,
waar hij beide armen had moeten uitbreiden en vroeg op een toon als
zeide hij een van buiten geleerd lesje op"
"Hoe maakt u het?"
't Liefst was Hermelijn in tranen uitgebarsten maar haar trots hield
haar staande en eenigszins spottend antwoordde zij:
"Heel goed, dank u en u ook?"
De heer de Géran, hoewel hij zeker genoeg wist, hoe een bruidegom
zijn bruid op den huwelijksdag begroeten moest - hij had driemaal in
datzelfde geval verkeerd - achtte het beneden zijn waardigheid tusschenbeide
te treden, misschien voelde hij ook niets voor zulke kleinigheden.
"Ben je klaar?" vroeg hij.
"Op mijn haar na."
"'t Is hoog tijd, zet je hoedje maar op en kom dan mee."'
Volgens Fransche wijze bood hij als vader haar den arm, de bruidegom
volgde; Hermelijn meende den sleutel van Conrad's. zonderlinge gedrag
gevonden te
[48:]
hebben, hij was
uit zijn humeur over die gestadige tegenwoordigheid en inmenging van
zijn vader. 't Pleitte voor zijn karakter, dat was ontegenzeggelijk;
maar toch wilde zij niet de minste toenadering van haar kant doen.
Wat was dat toch een vreemd huwelijk, het hare; hoe geheel anders was
die burgerlijke en kerkelijke plechtigheid bij volmacht niet geweest,
in het kleine garnizoensplaatsje waar iedereen uitgeloopen was om de
jonge bruid, die trouwde met een getrouwd man, zonder eigen bruidegom,
te komen zien. Zij had zich toen niet in 't wit willen kleeden, omdat
zij dat minder gepast vond, maar nu zou zij zoo gaarne anders dan in
reistoilet geweest zijn.
Al het bruidachtige ontbrak zoo, zelfs geen bloempje kon zij op haar
borst steken; 't is waar, nu gold het ook niets dan een bloote plechtigheid,
welke de Gérans, die aan hun godsdienst, zelfs in de anders zoo
onverschillige koloniën, trouw waren blijven hechten, op prijs
stelden; maar voor haar eigen gevoel had Hermelijn zich nu zoo gaarne
als bruid gevoeld, naast den man, wien zij haar hart geheel had geschonken.
Zij ging naast haar schoonvader, bleek maar hoog opgericht, zij wilde
niet den schijn aannemen, dat zij zich over iets verwonderde. Aan de
trap stond Thoren van Hagen, in zijn lange gekleede jas, veel meer op
een bruidegom gelijkend dan de jongen in zijn fantasiepak achter haar;
hij hield een bouquet melati's en witte rozen in de hand, dat hij het
bruidje aanbood.
"Die bloemen groeten de dochter van mijn hooggeachten vriend op
haar hoogtijdsdag," sprak hij ernstig.
Hermelijn zag hem dankbaar aan en de tranen sprongen haar in de oogen;
het eenige bewijs van belangstelling, dat zij ontving, werd haar thans
uit naam van haar vader geboden, en zij wilde er gaarne een goed voorteeken
in zien.
Met meer moed nam zij thans naast haar schoonvader plaats, de andere
vier - er was nog een broer of zwager bijgekomen, en ook Thoren van
Hagen reed mede, als getuige - zaten in het tweede rijtuig; in de stille,
lieve kerk voelde Hermelijn zich diep be
[49:]
wogen; zij boog
het hoofd en bad oprecht en vurig om kracht, ten einde een goede, trouwe
echtgenoote te mogen zijn voor den jongen man, die naast haar knielde
en die geen oogenblik vriendelijker zag, zelfs niet toen zij de handen
in elkander legden en God tot getuige namen van den bond, dien zij voor
het leven hadden gesloten.
Nog geen uur later reed de ruime reiswagen den weg op naar Oenarang;
weer zat Hermelijn naast den ouden heer, op het middenbankje werden
Thoren van Hagen en Van Akkeveen, de zwager, neergezet, op de voorbank
tusschen een koffer en een mand nestelden zich de beide broeders, waarvan
niemand meer de stem hoorde en tusschen wie het moeielijk zou gevallen
zijn een bruidegom te zoeken.
De drie andere heeren waren in druk gesprek; maar Hermelijn nam er geen
deel aan; zij vond haar toestand allertreurigst. Als Conrad tenminste
met een blik of een handdruk haar moed had ingeboezemd, maar neen, hij
bekommerde zich even weinig om haar als August Akkeveen, die zijn wereld
scheen te kennen, ofschoon zijn bleekgeel, papperig, dik gelaat en gezette
gestalte geen aangenaam uiterlijk vormden, had dikwijls beproefd met
haar een gesprek te beginnen maar het praten was haar te veel, zij was
moe, doodmoede.
De avond was intusschen gevallen, de reiswagen vloog er goed over, de
loopers met brandende fakkels draafden bijna gedurig even hard als de
vier paarden, hijgend naast het gevaarte; om de vijf palen kondigden
lichten een post aan, waar het vierspan moest verwisseld worden; dan
stond het rijtuig even stil om met nieuwe kracht weer het gebergte te
doorvliegen.
Een heerlijke sterrenhemel welfde zich boven hen; bij dat schemerende
schijnsel onderscheidde Hermine bosschen en ravijnen, vlakten en bergen,
hier en daar een flikkerend licht, maar overigens niets dan de trotsche
eenzaamheid der onverstoorbare natuur.
Huiverend en met gesloten oogen leunde zij achterover, de stemmen van
de sprekende reizigers klonken haar onnatuurlijk en vreemd toe; op haar
schoot
[50:]
lagen nog de melati's
van het bruidsbouquet, dat de vriend van haar jeugd haar had aangeboden,
die frissche geur bedwelmde haar min of meer. Akelige beelden trilden
voor haar geest, 't was of zij alleen, geheel alleen een vreemde wereld
betrad, of niets meer haar zou ontmoeten, dat aan het verledene herinnerde,
of, verlaten en eenzaam, geen vriendenhand ooit de hare meer mocht drukken,
of zij nooit meer mocht leunen op een sterkeren arm, of alles, alles
haar begaf en zij voortaan doelloos een onbekenden weg moest gaan.
Dan sloeg zij de oogen op en trachtte haar man te onderscheiden, maar
het voorbankje was zoo ver weg.
Waarom was hij daar gaan zitten, of liever, welke overdreven beleefdheid
van haar schoonvader om haar de eereplaats naast hem te geven, hoeveel
liever had zij daar in August's plaats gezeten, doch zekere schroom
hield haar terug. Geen woord, geen blik van Conrad had haar welkom geheeten,
zou hij wel verheugd zijn haar te zien en zij herinnerde zich zijn brieven,
die zij zou dikwijls had overgelezen, de geschenken, die hij haar had
toegezonden. Dat was toch geen droom, maar zij smachtte naar een tastbaar
bewijs, dat het waarheid was, dat zijn oog, zijn hand, zijn kus bezegelde,
wat zijn pen geschreven had. O, konden zij maar een oogenblik alleen
zijn, dan zou hij alles goed maken. En dan dacht zij er bevend aan,
hoeveel ongelukkiger en eenzamer zij zich zou voelen, als zij die bekende
stem van Thoren van Hagen niet hoorde; als zij daarin geen band had
gevonden, die haar aan Holland, aan haar vader hechtte.
Wanneer de loopers in hun onvermoeide haast met hun flambouwen langs
de open portieren snelden, wierpen zij plotseling op de reizigers een
roodachtig licht, dat even gloeide in de gitzwarte kijkers van Conrad,
die altijd even barsch en strak voor zich uitstaarden, op het slapende
gezicht van August, tegen den koffer aanleunend, op den witten knevel
van haar schoonvader en het grijze jasje van Akkeveen, maar dan ook
op de edele, fijn besneden trekken van Iwan, wiens oog steeds beschermend
op haar rustte.
Aan een der posten was de oude heer uitgestapt, en ook Conrad had, vlug
als een eekhoorn, zich over
[51:]
heen en en pakken
een weg gebaand en stond nu naar het verspannen der paarden te zien.
"Zijn we er haast?" vroeg Hermelijn rillend.
"Heb je het koud?" vroeg Thoren belangstellend:
"De lucht in het gebergte is frisch en kil; doe je sortie om,"
en hij nam den granatendoek, die ergens op een der koffers lag, reikte
haar dien over, en toen hij zag, dat het haar moeilijk viel zich daarin
te wikkelen, stond hij op en hielp haar.
"'t Zal nog een drietal posten aanhouden, zoowat drie en een half
uur," antwoordde Akkeveen. "Hoe bevalt u het reizen in Indië,
Hermine?"
"Uitstekend."
"Ik hoop dat de verwantschap met de Gérans u ook zoo goed
zal bevallen. Men moet er zich in leeren schikken," zeide hij op
hoogwijzen toon.
"Men schikt zich in alles," antwoordde zij dof en zag naar
buiten.
Conrad had onafgebroken naar binnen gestaard; het weifelend licht der
flambouwen en der olielampen van de afspanning wierp zijn weifelende
weerglanzen op het matbleeke gelaat van zijn jonge vrouw, dat tegen
den donkeren achtergrond rein en wit uitkwam als een marmeren beeld;
met toornige oogen had hij Thoren's bereidwilligheid om haar te helpen
gezien en den glimlach, waarmee zij hem bedankte.
Nu zij hem scheen te zoeken, keerde hij zich snel om en keek naar een
arme bedelares, die met haar kind op den arm aalmoezen vroeg en sprak
haar in het Javaansch toe.
"Een malle vent," zei Akkeveen lachend, het hoofd schuddend
tot Thoren, en fluisterde "het zit in de familie. Een wonderlijke
pan menschen."
Hermine verstond de woorden niet, maar raadde den zin; zij voelde, als
instinktmatig, dat zij vóór een afscheid stond, het zwaarste,
dat een jong, liefhebbend hart moet nemen: dat van haar liefste illusiën.
Bij den volgenden post, was het aan Thoren van Hagen en Akkeveen om
zich even buiten te vertreden.
"Ik begrijp er niets van," zeide Thoren. "Mijn God, wat
een toekomst gaat dat kind tegemoet!"
"U kent haar van vroeger?"
[52:]
"Ja en ik
stel groot belang in haar."
"Och, die man, of liever die jongen, heeft nog 't meeste karakter
van de heele troep. t Zijn anders allen poppen, die beven en sidderen
op een wenk van den vader of de zuster. Ik heb moeite genoeg gehad er
mij aan te wennen, maar nu gaat het goed. Mijn vrouw is een best schepsel,
dat me niets in den weg legt, ik haar ook niet; als we maar weten te
schipperen buiten de groote Cor om, die me alles behalve genegen is
en 't mij ook laat voelen, dan gaat het nogal !"
"En wat denkt u dan van Hermine's toekomst?"
"'t Zal wel los loopen; ze zullen eens in mekaar passen! Ik zal
't je later uitvoerig vertellen, er is een heele historie aan verbonden.
Och, zie je, ik was 't van huis niet zoo bijzonder gewend, ik ben als
onderwijzer uitgekomen, werd gouverneur bij de Géran's en raakte
toen min of meer verliefd op Dolly. Of zij 't ooit op mij was, weet
ik niet, maar de oude heer en de groote Cor vonden mij geschikt om in
hun kader te worden opgenomen, en vóór wij 't recht wisten,
waren wij getrouwd, en ons huwelijk is niet ongelukkig."
"Maar niet ieder schikt zich zoo spoedig. Er zijn karakters, die.
. ."
"Kom, wat is een karakter anders dan ballast; niets beter dan zich
te plooien en te buigen; er zijn ijzeren en aarden potten. Als de aarden
potten zich willen met en met de ijzeren, dan gaan ze stuk, het beste
is dus maar ze stil hun gang te laten gaan in afwachting, dat men zelf
voor ijzer kan spelen en het de anderen ook eens laat voelen."
"Mooie theorieën, recht verkwikkelijk voor een twintigjarig
bruidje."
"Ik zal haar bij gelegenheid op de hoogte brengen; mijn zwager
Portias, een idealist, en een wijsgeer op zijn tijd, heeft de in Ngaroengan
opgedane wijze ondervindingen verzameld; hij spreekt er van ze uit te
geven, bij wijze van handleiding voor degenen, die plan hebben, zich
te doen opnemen in de familie de Géran. 't Is een verdienstelijk
werk. Hun getal zal fameus groot worden, want de kolonie breidt zich
hoe langer hoe meer uit."
"Ik ben blij haar op mijn omzwervingen te hebben
[53:]
ontmoet, meer dan
dat ik de dochter van mijn vaderlijken vriend reeds in hun midden opgenomen
vind. Daar komt de bruidegom ook aan! Mijnheer de Géran, ik moet
u nogmaals hartelijk gelukwenschen met de aankomst van uwe jonge vrouw.
U was straks zoo gauw verdwenen. . . ."
"U behoeft mij niet te feliciteeren," was het korte, bitse
antwoord. Als u iemand feliciteeren wil, dan moet u papa en de rest
gelukwenschen. Ik heb geen geluk noodig."
"Maar 't komt tot u in den vorm van een lieve, mooie vrouw."
Hij keerde zich zonder plichtplegingen om en wendde den beiden sprekers
zijn rug toe.
"Een ongelikte beer," sprak Thoren half lachend, half ongerust,
maar er is iets in zijn manier van doen, dat mij bevalt."
"Ik heb 't u gezegd, hij is misschien de beste van den heelen rommel.
Ik verzeker u, dat het moeite heeft gekost."
"Om het huwelijk tot stand te brengen?"
"Stil, de oude heer roept ons, de paarden zijn ingespannen."