LVI.
De nasporingen die
Thoren van Hagen in het werk stelde om nadere bijzonderheden te verkrijgen
aangaande de ramp, die te Ngaroengan zoo veel onheil had veroorzaakt,
maakten hem niet veel wijzer. De geschiedenis van het pavilloen vond
hij echter in een partuculiere correspondentie vrij uitvoerig beschreven
en vernam er tevens den dood uit van de achtenswaardige gouvernante,
een bericht, dat hem natuurlijk niet tot wanhoop bracht.
Meer dan ooit gevoelde hij thans hoe groot zijn
[211:]
belangstelling nog
was voor alles wat met Corona in verband stond. Nu eens, meende hij,
was het niets dan nieuwsgierigheid, dan weer haat en wrok, nooit zou
hij zich zelf bekennen dat het nog liefde kon zijn.
Na eenig beraad schreef hij naar Soekarenga, naar den persoon, wien
hij de opdracht had gegeven zijn inboedel te verkoopen; hij vroeg hem
hoe 't met zijn zaken stond, of het huis niet ingestort was en hoe 't
met de familie de Géran ging. Ondertusschen trachtte, hij zijn
gedachten met iets anders bezig te houden; hij maakte kennis met den
geestertziener uit Arendsberg en bemerkte spoedig hoe deze den ouden,
naar lichaam en geest verzwakten man schandelijk bedroog.
Hij at niets dan meelspijs en dronk slechts water om de noodige helderheid
van geest te behouden, die hem tot de conversatie met de geesten geschikt
maakte, gaf groote sommen uit om bekende mediums te laten overkomen
en hun séances bij te wonen. Iwan voelde dat het ondoenlijk zou
zijn hem te ontmaskeren en zijn vader van het bedrog te overtuigen,
doch hij sprak den zoogenaamden vriend eens onder vier oogen aan en
bedreigde hem met de justitie als hij voortging den afgeleefden man
te kwellen en tot verwoesting zijner gezondheid aan te sporen.
Zoo kreeg hij dan gedaan, dat zijn vader weer toegestaan werd vleesch
te eten en wijn te drinken, hij trachtte den uitgedoofden geest op te
wekken door hem boeken en couranten voor te lezen en te dwingen in het
tegenwoordige te leven, maar zijn pogingen leden schipbreuk op de halsstarrigheid
van den grijsaard.
Intusschen verzuimde hij zijn andere plannen niet voor de keuze van
een levensdoel; ernstig bestudeerde hij den landbouw in theorie en praktijk,
stelde zich in verbinding met specialiteiten op dat gebied, begon aankoopen
te doen voor zijn instellingen en lachte er soms in stilte over dat
hij nu ook ging eindigen met dat te worden wat de laatste toevlucht
is van alle limburgsche zonen van goeden huize, die aan de akademie
of elders mislukt zijn, heereboer, euphemistisch uitgedrukt "econoom".
"'t Is de moeite waard geweest, eerst den Noordpool te gaan zien,
en den smaragd van den Indischen
[212:]
archipel te bewonderen,
Australië en Afrika te doorkruisen om te eindigen aarts-prozaïsch
niet eens kool, maar boekweit en klaver te planten. Als 't mij maar
op den duur bevalt. Ik vrees er voor!"
En nu begon hij ook te denken aan het tweede gedeelte van zijn programma;
doch een soort van eerbiedigen schroom hield hem terug; hij had kennis
gemaakt met Mimi van den meester en haar een aardig, onbeduidend, lief
kind gevonden.
"Een glas verfrisschende limonade na de bedwelmende champagne van
mijn vorig leven," dacht hij, maar het was hem vooreerst niet mogelijk
een stap nader te doen.
Hij kwam bij den meester aan huis en las spoedig in Mimi's vergeet-mij-nietjes
oogen dat zij slechts een kleine aanmoediging noodig had om hoop op
hem te verkrijgen; zij vroeg niets liever dan hem haar leven lang te
mogen dienen als haar heer en meester, mits zij vrouwe van het dorp
werd, doch hij vond het oneerlijk in haar een hoop op te wekken, die
hij niet kon vervullen. Hij vreesde het knopje open te rukken, dat zich
zoo gaarne voor hem in vollen geur en kleur wenschte te ontplooien,
terwijl op het beslissende oogenblik hij misschien den moed zou missen
het te plukken.
't Was ook of hij in Mimi's tegenwoordigheid de striem nog meer dan
anders voelde.
"Je zult aan mij denken," had zij hem toegeroepen en die voorspelling
was vervuld; hij kon geen andere vrouw ooit meer van liefde spreken
zonder dat de herinnering aan haar zich als een toornige schim tusschenbeiden
kwam plaatsen; maar hij voelde hoe langer hoe meer dat eerst als deze
band hem was opgelegd, hij rustig aan de toekomst kon denken en sterk
zou worden om niet opnieuw de wereld in te gaan.
Dat Mimi een eenvoudig meisje was, verreweg zijn mindere in stand, woog
volstrekt niet bij hem; als zij hem maar liefhad, hem een gezellig te
huis bereidde, dat zou voldoende wezen en toch stelde hij het altijd
uit van dag tot dag, luisterde geduldig alle avonden naar de diepzinnige
verhandelingen van den meester over de oude en de nieuwe wet, over de
eigenaardigheden der verschillende school opzieners, over het toe
[213:]
nemend schoolverzuim
en zag intusschen Mimi's kleine bevallige gestalte heen en weer gaan
om het eenvoudige avondmaal op te dienen en merkte op, hoe ze nu alle
dagen gekleed was als vroeger alleen 's zondags en hoe zij dikwijls
een bloempje op de borst droeg.
"Mimi," zeide hij haar eens, "geef me dat roosje!"
Het kind bloosde en zag hem bedeesd aan.
"Gun je het mij niet?" vroeg hij toen.
"Als u er zin in heeft, mijnheer," en zij gaf 't hem over.
"Kom even met mij naar buiten, Mimi! Wil je?" vroeg hij.
De meester was verdiept in een tijdschrift dat Iwan hem gebracht had
en de jongelui gingen naar den tuin; het was een heerlijke Septemberavond,
een krachtige boschgeur vervulde de lucht, het goudgeel der stervende
bladeren vergulde reeds hier en daar de boschachtige heuvels, de boomgaard
prijkte met roode appels en gele peren, het was een echt europeesch
avonduur; van het kerkje luidde de avondklok, een troep zwaluwen trok
over hun hoofden zuidwaarts; de velden waren van hun oogst ontdaan en
in den tuin bloeiden nog de dahlia's en late rozen.
"Ga met me daar ginds op de bank zitten," zeide Iwan tot het
meisje, dat hem gewillig volgde en haar hartje onrustig voelde kloppen.
De bank stond aan het einde van den moestuin, onder een katalpaboom,
die zijn breede bladeren beschermend daarover uitstrekte; onder hen
murmelde het riviertje in zijn diepe, rijk begroeide bedding.
"Kom, zet je naast mij," sprak Iwan bijna vaderlijk.
't Was vreemd, maar hij voelde zich op dat oogenblik diep bedroefd,
nameloos ongelukkig en toch, hij wilde zich voor een onveranderbaar
feit stellen.
"Luister je naar mij, Mimi?" zeide hij en nam haar handjes
in de zijne en zag haar aan met zijn groote oogen, die nu droefgeestiger
dan ooit te voren haar aanstaarden.
"Ja mijnheer!" antwoordde het kind bijna beangst.
Wat zou mijnheer Iwan haar te zeggen hebben; gedroomd had Mimi er natuurlijk
wel van, dat die mooie heer van het kasteel haar ten huwelijk zou
[214:]
vragen. 't Gebeurde
dikwijls in de sprookjes die zij zich nog uit haar kindsche jaren herinnerde
dat koningen met herderinnetjes trouwden, waarom zou dan een jonker
geen liefde kunnen voelen voor haar die een onderwijzersdochter van
fatsoenlijke familie was?
Maar haar om liefde en hand vragen dat zou hij toch niet doen op zulk
een ernstige, bijna bedroefde wijze.
"Ik wilde je vragen Mimi of je genoeg van mij houdt, om mijn vrouw
te worden."
Dat was dus de groote vraag; het meisje trok haar handen niet terug,
zij bloosde alleen wat dieper en sloeg de oogen neer zonder te antwoorden.
"Ik geloof dat je goed voor mij zult zijn, Mimi," ging hij
voort, "en dat heb ik noodig. Zoo veel van je houden als de hoofdonderwijzer
van het dorp aan den anderen kant van den berg het stellig doet, dat
kan ik niet meer. Ik ben op het punt geweest, te trouwen met een dame,
die ik zeer lief had . . ."
"Een prinses," fluisterde het meisje, dat zeker met Kaatje
over het onderwerp had gesproken.
"Neen, dat nu juist niet, dien titel had zij niet, maar zij was
er mooi en trotsch genoeg voor geweest. Zij heeft mij echter diep gegriefd
en beleedigd, daarom moet ik altijd aan haar denken."
"Alleen daarom?" vroeg Mimi nog altijd even ingetogen.
Hij antwoordde niet en hernam:
"Nu heb ik behoefte aan een goed, liefhebbend vrouwtje, dat mij
het leven veraangenaamt en het huis aantrekkelijk maakt zoodat de lust
mij zal ontbreken om weer de wereld door te zwerven, wat ik tot nu toe
altijd heb gedaan. Je moet me nu niet antwoorden, Mimi, maar denk eens
na, spreek er met je ouders over en onderzoek je zelf of je het met
mij durft probeeren! Wil je dat doen, Mimi?"
Zij zag hem nu aan, hoe kwam het toch dat zij niet dadelijk volmondig
ja! kon zeggen, dat zij zich niet trotsch en verheugd voelde over de
eer, die haar geschiedde, dat zij niet dacht aan de verbazing, welke
in den omtrek het bericht zou veroorzaken:
"Ons Mimi heeft kennis aan den jonker van den Blinkert."
[215:]
Zijn ernst deelde
zich blijkbaar aan haar mede, want haar oogen vulden zich met tranen.
Hij stond eensklaps op en gaf haar bijna met eerbied een kus op het
blanke voorhoofd.
"Wil je nadenken, Mimi?"
"Ja mijnheer, antwoordde zij onderdanig en hij stapte haastig door
het achterhekje naar buiten en zocht zijn kamer op den Blinkert weer
op.
Zijn hart was tot berstens toe vol; nimmer, zelfs niet op het oogenblik
toen hij zijn schoonste hoop vaarwel moest zeggen, had hij zich zoo
treurig en ongelukkig gevoeld, toen was hij te verontwaardigd, te vertoornd
geweest; 't was of hij nu eerst Corona geheel had verloren of hij nu
eerst een onoverkomelijken hinderpaal tusschen hem en haar had opgericht.
Hij ging naar zijn kamer en liep die op en neer, eindelijk bleef hij
voor het raam zitten.
"Is dat nu de stemming van iemand, die pas een liefdesverklaring
heeft gedaan?" vroeg hij zich af en weer was hij met den geest
in Ngaroengan tusschen de bloemen en varens, waar Corona in haar wipstoeltje
hem afwachtte, op den dag hunner verloving of in Djira; het was zijn
schuld niet, maar Mimi bekleedde nauwelijks een plaatsje in zijn geest,
waarin de andere nog steeds als koningin heerschte.
Hij haalde haar portret uit, zag haar in het schoone, strenge gelaat
en dacht er aan hoe die trotsche oogen tegenover hem slechts schitteren
konden van zachte teederheid en overgevende liefde, hoe die lippen hem
woorden van trouw en min hadden gezworen, hoe die fiere lijnen week
en zacht werden onder zijn blik, en nu was alles, alles voorbij!
Was zij gewond, verminkt wellicht, zij of Margot? Zou ze nu aan hem
denken zooals hij het thans nog deed, terwijl hij een andere zijn hand
bood, maar op nieuw begon de striem te gloeien.
"Mijn lieveling, hoe kon je dat van je verkrijgen," zoo sprak
hij haar toe en voelde dat zijn oogen verduisterd raakten door tranen,
de eerste misschien, die sints zijn kinderjaren bij hem waren opgekomen.
Een oogenblik bleef hij zoo zitten, onbeweeglijk de hand voor het gelaat.
[216:]
"Jonge heer,
komt u eten?" vroeg een stem aan de deur.
Verschrikt zag hij op en Kaatje stond tegenover hem, het menschgeworden
proza, dat in alle omstandigheden ons komt herinneren dat we leven moeten
niet alleen van gedachten, bittere en zoete, maar ook van brood en vleesch,
dat we vreugd en droefheid ter zijde moeten stellen om neer te zitten
en ons te voeden.
"Wat zie ik? Scheelt er iets aan, Iwan?" vroeg zij bezorgd.
Hij glimlachte en wischte zich snel het gelaat af.
"'t Is niets, een dwaasheid Kaatje, ik heb daar juist aan Mimi
gevraagd of zij mijn vrouw wil worden."
"En ondertusschen zit u hier te huilen als een meisje, met het
portret van de andere voor u?"
"Je hebt gelijk," en Iwan beet zich vol ergernis op de lippen,
"'t is meer dan belachelijk, er moet een einde aan komen. Ik heb
mijn levenslot zelf gekozen, ik moet het ook dragen als een man. En
hiermee gaat het zoo!"
Hij verscheurde het portret in een aantal microscopische stukjes.
Den volgenden morgen nadat hij een lange gewichtige redevoering van
den vader genoten had, over de plichten van de echtgenooten en de voordeelen
van gelijken stand tusschen hen en de verklaring, dat hij in den grond
der zaak niets had tegen mijnheer's voorstel, gaf Mimi hem fluisterend
en bedeesd haar toestemming of liever de belofte dat zij het zou beproeven.
"Mag ik haar portret nu eens zien?" was haar eerste vraag
toen zij met hem alleen was.
"Kindlief," antwoordde hij hoog ernstig, "ik heb het
gisterenavond vernietigd."